| |
Inleiding.
Beste mede academieleden en belangstellenden. Het is mij een eer vandaag
aan u iets te kunnen vertellen over een bijzondere en markante vrouw, de
gelovige geleerde Cornelia de Vogel. Ik heb het voorrecht gehad vele
jaren met haar een vriendschappelijk contact in geloofsverbondenheid te
hebben mogen onderhouden. Dit contact heeft een beslissend stempel, zo
gezegd, op m’n leven gedrukt.
A. Ik
wil u iets vertellen over haar jeugdjaren , haar school- en
studententijd.
B.
Haar intense zoektocht naar de zin van het leven en de Waarheid. Het
uiteindelijk vinden en ontmoeten van Christus in de Kerk v.d.
Reformatie.
Vervolgens belichten we haar universitaire opleiding en het behalen v.d.
dokterstitel. Daarna haar Newman-Studie en bestudering van de
Kerkvaders, waarna haar opmerkelijke overgang in 1944 naar de R.K.Kerk
volgde.
C.
Het belang van haar stem in de na-conciliaire stormen en verwording die
de Catholica in ons land teisterde.
Wie was nu deze zo markante en spraakmakende gelovige
geleerde?
Ik
zou eerst willen beginnen met het einde. In haar testament (1986) heeft
zij twee Stichtingen nagelaten. D.w.z. 1e Stichting ter bevordering v.d
Oecumene en 2e Stichting ter bevordering v.d studie van de antieke
wijsbegeerte.
In 2002 verzorgde de Stichting Oecumenica de uitgave van haar dagboek:
“Getuigenis van Gods Genade”. Een dagboek over de periode 1905-1929.
Zij had in 1941 haar dagboek met nabeschouwingen en toelichtingen
herzien.
Het is een kostbaar document geworden.
In de
inleiding zegt Dr. de Bruin ( een v.d. deelnemers aan deze Stichting):
‘ Dit getuigenis kwam voort uit een diep gevoelde dankbaarheid en werd
verwoord met een gedrevenheid en een mystieke klem, die doen denken aan
grote vrouwen als Hadewijch, Anna Bijns, Theresia van Avila en Juliana
van Norwich’
En n.a.v. de presentatie van haar dagboek, waar ook Kardinaal Simonis
bij aan-
wezig was, schreef Prof. Bram Bos, hoogleraar aan de VU in de antieke
wijsbegeerte de volgende woorden over Cornelia de Vogel: ‘Het dagboek
heeft
veel gemeen met een beroemd autobiografisch geschrift uit de oudheid: de
Belijdenissen van de grote kerkvader Augustinus.’
Gezien deze waarderende woorden uit reformatorische hoek, mogen we wel
zeggen met een uitzonderlijke persoon van doen te hebben.
HAAR SCHOOLTIJD
Cornelia werd in 1905 te Leeuwarden geboren. Haar vader was apotheker.
Samen met haar zuster groeide zij op in een niet bepaald harmonieus
gezin.
Formeel maakten zij deel uit van de vrijzinnige-doopsgezinde gemeente,
maar
het geloof speelde geen rol in de opvoeding. Toen de dochters wat groter
waren,
werden ze op catechisatie gedaan. Dit werd nml. door de ouders nuttig
geacht voor hun algemene ontwikkeling.
Op de meisjesschool bleek Cornelia een intelligent en leergierig kind.
Zij ontving daar voortreffelijk onderwijs dat een goede voorbereiding
was voor het gymnasium. Ze kwam daar in aanraking met christelijke
invloeden, die haar niet onberoerd lieten. Er groeide een soort
‘kindergeloof’, waarvan ze zegt: ‘Op die school heb ik de naam van God
voor ’t eerst met eerbied horen noemen, via de versjes die je moest
leren. Ik begreep het ook, al had ik nooit van Hem gehoord. Ik dacht er
later dikwijls aan: ik vind dat een argument voor wat in de wijsbegeerte
het bestaan van een religieus apriori wordt genoemd: Dat een kind het
zonder uitleg begrijpt, wanneer er over God gesproken wordt, dat is iets
eigenaardigs. Descartes zei:”Hoe kom ik aan dat begrip? Niet uit
ervaring, God Zelf moet het in mij gelegd hebben”:”Hij had gelijk’
(Descartes)
Vanaf
1918-1924, kwam zij op het Stedelijk Gymnasium te Leeuwarden.
Bij de aanvang van haar gymnasiumtijd brak de religieuze twijfel aan.
Door het ontwaken van de rede werd haar kinderlijk geloof aan het
wankelen gebracht. Bij deze hoogbegaafde leerlinge, die geestelijk veel
verder was dan de meeste leeftijdgenoten ontstond een tijd van diep
geestelijk lijden. Met haar zware gedachten over het bestaan en het
wezen van God en de wanhoop over de zin van het leven, stond zij als 13
jarige helemaal alleen. Zij zegt daarover: ‘dat je op die leeftijd nog
niet intellectueel gewapend bent om de geest van twijfel te doorstaan.’
Ze was overigens geen eenzelvig en teruggetrokken studente. Ze deed aan
alles mee: zwemmen, schaatsen, concerten, dansles, etc. etc. En als er
eens een leuke ‘pan’ was in de klas dan deed ze volop mee.
Haar religieus-filosofische ontdekkingstocht was echter begonnen. De
vraag naar God en de zin van het leven werd voor haar acuut. Kerk en
Christenzijn stonden toen echter nog ver van haar af.
Door
haar filosofische aanleg las ze al veel literatuur, vooral de Griekse
wijsbegeerte trok sterk haar belangstelling. Kenmerkend voor haar (voor
haar hele leven overigens) is de gepassioneerde, gedreven zoektocht naar
Waarheid, dé Waarheid. Het denken was voor haar zo intens dat haar leven
er vanaf hing, zo te zeggen. De twijfel was voor haar verschrikkelijk,
perioden van wanhoop, zich-dood-wensen omdat het leven zo doelloos
schijnt, zoeken en niet vinden.
Haar gezondheid liet vaak te wensen over. In de tweede klas was ze een
half jaar ziek. Ze las toen buitengewoon veel literatuur. Vooral de
Griekse wijsbegeerte van Prof. Ovink, boeide haar buitengewoon, maar ook
De Genestet, die ze ‘mijn
dichter’ noemde. Haar scherpe rationalitische kritiek werd enigsinds
ingeperkt, zoals ze dat noemde, door die gedichten die haar een grond
van vroomheid teruggaven, een meer persoonlijke Godsvoorstelling, en
daarmee de troost van het gebed. Het was een troost voor haar
rationalistische twijfel.
Maar een persoonlijke Godsvoorstelling was er nog niet echt. Ze geloofde
meer in ‘de Macht’ die de grond en oorzaak is van alles.
In haar dagboek schreef ze over de wanhoopsklacht van de griekse dichter
Euripides:
Zo vaak mijn geest in ernstige gedachten
Der Godheid Wezen peinzend onderzocht
Kwam stille hoop mijn twijfelpijn
verzachten,
Of ‘k iets van Haar bestier begrijpen
mocht,
Helaas! hoe snel voel ik die hoop weer
scheiden,
Peil ik der mensen daden, en hun
lijden………
Maar
toen ik in de vierde klas weer De Genestet ging lezen , ‘was ik hem,
zoals ze zei, geestelijk ontgroeid en veel te wijs geworden.’
De
Christelijke Godsdienst zag zij als een der wereldgodsdiensten, die toen
zeer
populair en syncretistisch werden besproken. Zelf zegt zij daaarover :
‘wie het algemeen wijsgerig standpunt inneemt, kan niet langer op
christelijk standpunt staan’, hij heeft een hoger standpunt ingenomen,
en ziet vanaf zijn hoogte op de
historische godsdiensten neer.’ Hoe actueel klingt ons dit in de oren nu
in onze tijd wij de heropleving van de gnosis en de
mysterie-godsdiensten meemaken die de Waarheid van het Christendom
opnieuw problematiseren.
Ze
sloot zich aan bij een vrije jeugdbeweging het zogn. PIA, een practisch-
idealistische beweging waarin zij meewerkte aan het tijdschrift en het
bestuur. Zij voelde zich aangetrokken en thuis in het theosofische en
vrijzinnige milieu waarin zij meende een weg naar Waarheid en mystieke
voldoening te vinden. Er werd daar een ‘nieuwe tijd’, het doorbreken van
‘een nieuwe geest’ aangekondigd ,van een bewuste eenheid: de bloei van
theosofie en spiritisme.
‘Wij staan aan de rand van de derde periode, zegt ze, de nieuwe geest
komt op.
Misschien zal hij nu in vervulling gaan.’
En zij trok een vergelijking tussen de tijd van de Oudheid en de tijd
waarin zij leefde.
Ze bezocht met de jeugdbeweging ook de driedaagse Sterkampen te Ommen.
Een beweging die was ontstaan uit een samensmelting van Oosterse
meditatie en Westerse intellectsworsteling. Daar zag en hoorde ze de
bekende en de verwachte wereldleraar Krishnamurti, die een nieuwe tijd
aankondigde, zonder vooroordelen, waar alles en allen naar zijn
innerlijke waarde beoordeeld zou worden. ´Be Happy, and have a really
happy life´ Maar Cornelia stelde al haar kritische vragen. Welk doel
willen we bereiken?
Niettemin had zij daar de grote eenheid weer gevoeld, vertelt ze.
Ze las ook Annie Besant. Cornelia ging uit van de theosofische gedachte
dat ‘Geestelijkheid vooronderstelt eenheid van God en het geschapene,
identiteit van de wereld en haar schepper’
Toen
gebeurde er iets buitengewoons en onverwachts in haar leven. De Vader
van Jezus de Christus was nog niet in haar leven gekomen.
Na een kwellende periode met doorwaakte nachten en, zoals ze beschrijft,
mijn meer dan eens in het kussen gesmoorde wanhoopskreet: ‘Liever dood
zijn dan een leven zonder God, dan een leven zonder doel. Haar stille
tranen en verborgen leed’, van vermoeidheid kon ze niet meer denken, was
dit het einde?
Op 23 augustus 1923 ontving zij of onderging zij een ongekende mystieke
ervaring.’Innerlijk kwam er toen een groot en onuitsprekelijk licht, de
nacht van mijn eerste openbaring’ Ze beschrijft deze overstralende en
heerlijke ervaring als het ´plotseling met overweldigende klaarheid als
het ware in de geest zien van de werkelijkheid, de onzichtbare
Werkelijkheid, waarin ze al lang op meer of minder intellectuele gronden
had geloofd. Voor haar was dat een waarlijke openbaring van de
Allerhoogste, aanschouwing der Oneindigheid, aanschouwing Gods, Visio
beatifica.´
Deze geestelijke ervaring van die ene zomernacht, vervulde haar
wekenlang met een onuitsprekelijk geluk, van een heerlijke harmonie. De
zichtbare werkelijkheid werd a.h.w. irreëel. Zij begreep nu Parmenides
en Plato´s Ideeëenleer,
Zij had de Eenheid gezien.
Maar
later heeft zij geworsteld met de vraag naar de waarde van deze
openbaring die toch buiten Christus om was beleefd. Was dat niet een
leugen?
Ik kom daar nog op terug. Ondertussen bleef zij nog in de sfeer van de
pantheïstische mystiek. Opgaan in het Al, zichzelf vinden in harmonie
met het Al. Een van zondagen na deze mystieke ervaring ging zij naar de
Kerk. Zij voelde zich vervuld van God en levend in de Wereld van de
Werkelijkheid.
De dominee was echter een hegeliaan die preekte over de Eenheid, en
zei,´Wie eenmaal die gezien heeft, is voor altijd rijk´.
Maar zij voelde zich evenwel niet méér christen dan boedhist, brahman of
wat dan ook, zegt ze.´De theosofie bleef haar bezighouden.
Maar de mystiek van het katholicisme trok haar wel aan. Dat warme en
innige van het mystieke. Maar als geboren vrijdenker kan ik noch
protestant, noch katholiek zijn, beschrijft ze. Het meest ´religie´ vond
zij echter wel in het katholicisme. Zij ging op onderzoek uit bij de
zogn. Vrij- of liberaal/Katholieke Kerk, waar velen van de jeugdbeweging
en de Sterleden van Ommen te vinden waren. Haar contact met deze ´Kerk´
liep op een grote desillusie uit. Ze vond de zang-gedeelten maar dom,
belachelijk en de preek banaal en onbetekenend. Etc.
Intussen las zij heel veel en volgde voordrachten over Kant, Schiller,
Schopenhauer en Nietzsche, die ze overigens met een gloeiend hoofd en
vol innerlijk verzet volgde.
Colleges Griekse filosofie: ´Voortdurend is mijn zoeken, oneindig mijn
verlangen.´ De theosofie, waar ze de voor haar ware leven zo nodige
steun meende te vinden,
begon haar te ontzinken´ Waar kan zij de echte mystiek vinden? ´Een Kerk
zonder mystiek maakt van de godsdienst een onwetenschappelijke
filosofie, stelt ze in haar dagboek.
Zoals gezegd de mystiek in de katholieke kerk trok haar wel aan, maar
niet het autoriteitsgeloof aldaar. Stel je voor dat je pastoors en
priesters die niet je meerderen zijn, als meerderen moet erkennen……..!!
Deze optie verwierp zij.
´Ik wil niet de sleur volgen, ik wil mijn eigen weg gaan. Hoogste trap
van religiositeit is die welke niets kent dan zichzelf in God en God in
zichzelf.´
Dit staat boven alle kerken en richtingen: dit is altijd waar!´
Bemiddeling van kerken en priesters zijn een bewijs van de onmacht om
zelf tot God te komen.
Het was haar vaste besluit tot blijvende
onkerkelijkheid.
HET GROTE KEERPUNT
Zij
las op een bepaald moment het leven van Pascal, naar de beschrijving van
zijn zuster, madame Périer, en zij verdiepte zich in zijn Pensées. Waar
Cornelia altijd sprak over het ´religieuze gevoel´ als een weg tot God,
daar sprak Pascal van de genade. Maar de weg naar die genade was nog
niet aan haar gegeven.
Een katholieke vriendin nam haar mee naar de nachtmis met Kerstmis 1925.
Ze vond het merkwaardig dat daar mensen kwamen om de geboorte van
Christus, de Heiland, de Zoon van God en om Hem te aanbidden in het
Sacrament.
Dat God is mensgeworden , dat wij Hem in Christus dus kunnen kennen,
persoonlijk als een vriend. Maar dat Hij de Weg was, die ik al zo lang
zocht en vergeefs verlangde, kwam nog niet bij mij op, zo vertelt ze.
Ik meende nog steeds tot de Vader te kunnen komen zonder de
Zoon.
Ze
verlangde weer naar die diepe geestelijke ervaring, het zien van die
werkelijkheid. Ze wist dat het kan, dat het er is.
Cornelia beschrijft een uitvoerig gesprek met een pater te Leeuwarden,
een gesprek over Pascal over intuïtief begrijpen en intellectualisme,
de Ware Kerk van Christus, etc. Maar, zegt ze , ik gaf de superioriteit
van mijn filosofen-geloof niet prijs.
Cornelia was tot dan toe nog overtuigd van de filosofie van Kant. Na dit
gesprek
met de pater stelt ze:’De weerlegging der rationele theologie door Kant
had bij mij diep wortel geschoten om aan de syllogismen van de roomse
catechismus, die de pater mij ter bestudering aanbeval, a-priorie alle
kans te benemen.’
In
een nabespreking maakte iemand in de kring een opmerking die ineens bij
haar insloeg, nml: ’ Wij kunnen toch niet buiten Christus’. Deze
uitspraak haakte zich vast aan haar ziel. Die avond, besloot ik, dat ook
ik tot Christus wilde gaan. Zij bezocht verschillende gelovige
schrijvers en geleerden om tot dieper inzicht te kunnen komen. Het werd
echter vaak een teleurstelling.
Christendom werd toen door velen als een zedelijk hoger staande
godsdienst gezien. Het wijsgerig denken van Kant liet niet toe om Jezus
Christus te zien als uitgaande boven zijn zedelijke grootheid. Anderen
wezen Cornelia op de resultaten van de godsdiensthistorische school,
waarin gewezen werd op de parallellen tussen Christendom en de heidense
mysteriegodsdiensten.
DE VERVULLING
Haar
ontluikend geloof werd dus zwaar op de proef gesteld. Ze las Emil
Brunner, Karl Heim, Rudolf Sohm e.a. prominenten uit die tijd. Langzaam
maakte zij zich los van Kant en de theosofie. Zij begon de realiteit van
de zonde en de genade meer te beseffen. Na nog allerlei
wederwaardigheden en worstelingen om tot echt christelijk geloof te
komen, greep God in Zijn onuitsprekelijke goedheid in ,ik citeer:‘ Ik
was met Kerstvacantie thuis in Leeuwarden. De avond van 24 december zat
ik, als steeds, op mijn kamer te werken. Later in de avond las ik het
Evangelie van Johannes. Daarna ging ik naar bed. In de stilte van die
nacht gebeurde er iets wonderlijks. Ik dankte God dat Hij in Jezus
Christus gekomen was op aarde, gekomen tot ons. Toen werd mijn ziel
vervuld van een onuitsprekelijke vreugde. Ik bad tot Jezus – vroeger
deed ik dat nooit – en ervoer Zijn Tegenwoordigheid.
God heeft haar in die Kerstnacht van dec. 1926 de vreugde en de volheid
van een diep-innnerlijke ervaring van Zijn Tegenwoordigheid geschonken.
Zelf zegt zij daarover: ‘ Dus zonder invloed van buiten, zonder lectuur,
zonder studie, zonder nadenken – ineens – was er het overweldigend klare
besef te behoren tot de kerk van Christus, de gemeenschap van degenen
die in Hem geloven en zich noemen met Zijn naam’
Ze sloot zich aan bij de Nederlands Hervormde Kerk en sloeg, behalve
door ziekte, geen Zondag meer over.
Van
belang is wat zij over het verschil tussen die twee aan haar geschonken
mystieke openbaringen zegt. Deze openbaringen of ‘aanrakingen Gods’
hebben haar een onwrikbare vaste zekerheid gegeven die haar hele verdere
leven hebben bepaald en geïnspireerd. Maar de eerste openbaring in de
zomer van 1923 was een zeer sterke ervaring geweest van de werkelijkheid
van de onzienlijke wereld. Ik was toen nog heiden, zegt ze. Toch is dit
een aanschouwing geweest. Het was de God der filosofen die Zich mij toen
geopenbaard heeft. En de God der filosofen is niet de Vader van Jezus
Christus. Hij is dat niet, want hij is geen Persoonlijkheid; men kan
niet tot Hem spreken, noch zeggen dat Hij ons liefheeft. En toch kan Hij
geen ander dan de Vader van Jezus christus zijn, - gezien, gekend in de
mate waarin, door de sluier waaronder, vanuit de hoek waaruit mensen die
Hem zoeken buiten Christus de Vader kunnen zien. Hij moet dezelfde zijn,
want Hij is EEN.
En waar mensen iets van het Onzienlijke beseffen, daar raken zij, zonder
te raken, met hun gedachten aan Hem. Daarom stelt Cornelia: heeft
Vaticanum I gelijk, wanneer het leert dat de God van de filosofen
dezelfde en toch niet dezelfde is als de God van de Openbaring in Jezus
Christus.
Zoals Paulus in zijn brief aan de Romeinen zo duidelijk zegt: ‘ Want
Zijn onzichtbaar Wezen, zijn eeuwige Macht en zijn Godheid zijn van de
schepping van de wereld af, bij enig nadenken uit het geschapene
duidelijk te kennen’
Te verontschuldigen zijn ze dus niet, stelt Paulus.
In
haar hele verdere leven als Filosofe heeft zij de vaste overtuiging
uitgedragen dat het zoeken en vragen van de grote Griekse filosofen naar
Waarheid en de Onzienlijke Wereld, de oorsprong van alle Zijn,
betrekking heeft op de Schepper, de Vader en Oorsprong van alle
werkelijkheid.
Parmenides, Plato, Aristoteles, Plotinus en anderen zochten of
vermoeden, de Trancendente Werkelijkheid. Deze Trancendente
Werkelijkheid had een echt gezicht gekregen in Jezus Christus, de
Mensgeworden Zoon van de Vader. En dit was en is het uitermate
bijzondere eigenen van het Christendom.
Nu
zij tot echt Christelijk Geloof was gekomen en haar theosofische
opvattingen
achter zich heeft gelaten, merkte ze daarover op: De theosoof erkent de
zonde en de genade niet. De verheffing tot God is niet door meditatie af
te dwingen, zoals de theosofen menen, maar een vrije genade-gave van
God. Het zelf-Godworden door eigen kracht, zag zij nu als een vermetele
goddeloze zelfoverschatting. Zij doorzag nu de verwerpelijke opheffing
van de scheiding tussen God en mens. De monistische metafysica in het
theosofisch systeem is wel degelijk dogmatisch. Ook al beweren ze zelf
geen dogma’s te aanvaarden.
We zien hoe buitengewoon actueel haar weerlegging van theosofie,
gnostiek vanuit Christelijk geloof nog steeds is. De heropleving van dit
gnostische gedachtengoed in de thans in een nieuwe jas gestoken New-Age
beweging, laat dit duidelijk zien. Het zou een onderwerp voor een aparte
lezing kunnen zijn.
OP WEG NAAR HOOGLERAARSCHAP.
Haar
opleidingen in de Studie klassieke letteren te Utrecht had zij met een
doctoraal examen met goed gevolg beëindigd. Er volgde een periode
waarin zij les gaf in klassieke letteren. Van 1932-1934 was zij
Buitenlands lid van de zogn. Ecole Francaise d’Athènes, waar zij zich
verder bekwaamde in het erudiete filologische werk en het methodisch
wetenschappelijk werken en bereidde zij zich voor op haar dissertatie.
Zij had echter veel reumatische aanvallen en las liggend in bed alle
werken van Renan en correspondeerde met een kleinzoon van Renan die
katholiek was geworden.
1 Mei 1936 slaagde zij Cum Laude tot doctor in de Letteren en
Wijsbegeerte
te Utrecht op haar proefschrift. “Een keerpunt in Plato’s denken”.
Opmerkelijk is wel te bedenken dat zij het proefschrift eveneens vrijwel
geheel liggend in bed heeft geschreven. Zoals gezegd was zij vaak ziek
en leed pijnen.
Na haar promotie wilde ze ook in de theologie verder gaan. N.a.v.
allerlei contacten en gesprekken met diverse katholieke mensen in Athene
besloot zij een studieplan te maken over de problematiek
katholiek-protestant.
Zij stond nog principieel afwijzend tegenover de Katholieke Kerk, maar
ze kreeg de indruk dat de geloofsbeleving aan elk van beide kanten op
essentiële punten niet zo verschillend was. Dat intersseerde haar.
Zo
begon Cornelia aan de Lectures on Justification van Newman. Zij las
Newman’s boek onder grote emotie en soms met veel tranen, zoals ze zegt.
Maar ze meende dat Newman Luther niet goed had begrepen. Ze werkte
vervolgens de hele reformatorische dogma-geschiedenis door en las de
drie grote delen van Karl Barths dogmatiek. Ze las ook alle geschriften
van Newman en begon aan haar
grote studie over “Newmans gedachten over de rechtvaardiging”, hun zin
en recht ten opzichte van Luther en het protestantse christendom. Een
studie die ze in 1939 voltooide.
Helaas ging vrijwel de hele oplage van haar grote Newman studie bij de
uitgever Veenman te Wageningen door de oorloghandelen in vlammen op.
Slechts enkele recensie exemplaren die al waren verzonden bleven
bewaard. De bekende protestantse Prof. Miskotte had met bewondering haar
Newman studie gelezen en was er zeer door getroffen. Hij noemde haar ‘de
wonderbaarlijk intelligente schrijfster’. Miskotte prees haar om haar
werkkracht en scherpzinnigheid. En Prof. Gunning vervolgens kon bijna
geen woorden vinden om haar boek te prijzen. ‘ik zal lang nodig hebben
om alles te verwerken’, schreef hij haar. Prof. Noordmans deed haar boek
zelfs denken hier en daar aan Augustinus, aan zijn Confessiones.
Na dit grote onderzoek had zij echter met een zucht van verlichting
geconstateerd dat ze niet rooms hoefde te worden. Ze zei: ‘Ik was toen
diep gelukkig in de Hervormde Kerk, ik leefde intens in dat geestelijk
milieu. Ik had er mijn vrienden en mijn afgrendeling t.o. de R.K. Kerk
was stevig gevestigd.’
Het zou evenwel heel anders lopen!
Zoals haar intense Plato studie bepalend is geweest voor haar verdere
loopbaar als Filosofe, zo was deze Newman studie bepalend voor haar
verder religieuze ontwikkeling. Want wie zich in Newman inleeft ervaart
alsof hij, zoals zij stelde, twee harten heeft. En natuurlijk duidt dit
op een conflict, stelt ze, ‘Maar het conflict, waarin Newman ons brengt
, is niet onvruchtbaar; de strijd waarin wij door het samenzijn met hem
geraken, is geen neertrekkende strijd, maar een verheffende strijd. Want
als wij die niet ontwijken, dan zal hij ons nader brengen tot de
Waarheid en de Wil van God.’
Na
het voltooien van haar Newman studie vatte zij het plan op de grote
dogmatici van de vierde en de vijfde eeuw te gaan bestuderen en
toegankelijk te maken voor vooral protestantse theologen. Zij waren daar
nml. veel te weinig bekend. Zij begon met de vertaling van de
Redevoeringen van Athanasius tegen de Arianen. In haar zeer uitvoerige
inleiding merkt ze de fundamentele verschillen op met de reformatorische
theologie en geloofsopvattingen.
Athanasius houdt nml. vast aan de Traditie, het Geloof zoals door de
Vaders is overgeleverd. En datgene wat daarmee in strijd is, ook al
beroept men zich op de Schrift, is niet het katholieke geloof. Ook de
scherpe scheiding van natuur en genade in de reformatie, vond zij niet
bij Athanasius.
Haar boek verscheen in de prachtige serie ‘Monumenta Christiana’. De
Kerkvaders beleefden een ware ‘come back’. Vooral in Frankrijk was de
serie vertalingen van de werken van Kerkvaders gestart: de “Sources
Cretiens”. Die inmiddels over de 400 banden bevat.
Het
werd voor Cornelia nu steeds duidelijker dat de oud-christelijke kerk
alle geloofspunten in katholieke zin heeft verstaan. Deze lijn loopt
door door de Middeleeuwen. Zij stond voor de grote beslissende vraag: is
het mogelijk dat de Kerk, die de belofte van de Heer heeft dat Hij haar
niet zal verlaten, vijftien eeuwen lang essentieel gedwaald heeft? Ik
heb gezegd: NEE!
In 1944 verbleef zij in Epen in Limburg vlakbij het klooster te Wittem.
Zij kon door oorlogshandelingen niet naar Den Haag terug. Studenten
brachten op haar kamer de delen Migne, teksten van de Kerkvaders, die ze
nodig had voor haar studie. Het grote moment van de beslissing was nu
aangebroken:
De kaarten lagen nu op tafel, zo gezegd. De beslissing viel haar zwaar,
doch omwille van de Waarheid, onontkoombaar. Juist als Newman, ervaarde
zij de leiding en de voorzienigheid van God hierin.
Op 21 december 1944 werd Cornelia officieel opgenomen in de Katholieke
Kerk. Ze beschrijft dat het weggaan uit de Hervormde Kerk iets
verschrikkelijks is geweest. Ze had zich uitermate verzet tegen de
overgang naar de R.K. Kerk . Maar omwille van de Kerk moet je wel eens
alles verlaten, besluit ze.
Zij
was inmiddels aan haar ophefmakende boek ‘Ecclesia Catholica’ begonnen.
Een boek met als ondertitel: ‘Een redelijke verantwoording van een
persoonlijke keuze.’ Met Pasen 1945 verscheen haar Ecclesia Catholica.
De verantwoording van haar overgang sloeg in als een bom! De reformatie
was in rep en roer. Ze haalde als het ware de bestaansgrond van de
Reformatie onderuit met ijzersterke argumenten in een bewogen
persoonlijk betoog.
Haar publicatie haalde snel drie drukken en werd ook in het Frans
vertaald.
In
die na-oorlogse periode van de jaren veertig gingen meerder bekende
protestantse geleerden naar de Catholica over zoals Prof. van der Pol,
Dr. H. van der Linde en dominee Loos v.h. Hilversums Convent.
Er verscheen zelfs een boek ‘Pelgrims naar de Una Sancta’ (Doornik)
waarin allerlei bekende Nederlanders hun weg en overgang vaan de
Catholica beschreven.
Maar Prof. Cornelia de Vogel mag zeker wel de belangrijkste bekeerling
genoemd worden in die periode. In geloofsvragen was toen van relativisme
nog nauwelijks sprake. In de zoektocht van velen stond de vraag naar
Waarheid nog centraal. Ook de invloed van Kardinaal Newman in ons land
werd in de reformatie met bezorgdheid gevolgd.
In haar Ecclesia Catholica rekende zij grondig af met de kantiaanse
filosofie, die
haar in haar jeugdjaren en studie tijd zoveel hoofdbrekens en strijd had
gekost. Tevens plaatste zij de ‘analogia entis’ questie onder de
aandacht. Er was toen over deze zijns-analogie in die tijd veel te
doen. Er werd een heftige strijd daarover gevoerd.
Het zou belangwekkend zijn hier nader op in te gaan. Maar in wezen komt
het neer op de vraag of de begrippen ‘vader’, ‘zoon’, ‘woord’ enige,
hoe zwak ook, overeenkomst hebben met de in die woorden aangeduide
werkelijkheid.
Dit is nml. de betekenis van de indirecte zijnsanalogie,
De grote Karl Barth loochende nml. deze zijnsanalogie radicaal, en
bestreedt deze met grote heftigheid. Barth zei zelfs dat indien deze
analogia entis questie er niet zou zijn , hij katholiek kon worden.
Cornelia had grote waardering en bewondering voor deze Zwitserse reus
onder de theologen . Samen met E. Brunner en Thurneisen streed hij tegen
de liberalisering en vrijzinnigheid binnen de reformatorische Kerk en
bracht het zuivere Evangelie in het Woord van God weer op de juiste
plaats in de Kerk. Ongeveer eenzelfde strijd als Kardinaal Newman in
zijn tijd voerde.
Cornelia stelde echter dat er van theologie geen sprake kan zijn indien
als er geen enkele vorm van indirecte analogie aangenomen kan worden.
De analogia entis staat in de grote lijn van de katholieke traditie.
Zij gaat in haar boek ook in op het ‘vrijzinnig anti-dogmatisme’ en het
‘gelovig
anti-intelectualisme’. Hoe actueel is dat nog wat zij daarin beschrijft
en bestrijdt!
Maar ook de fouten in de katholieke apologetiek werden door haar
aangewezen.
Toen
ik 18 jr. was kreeg ik zo rond 1950 haar Ecclesia Catholica in handen.
Een
voor de oorlog katholiek geworden oom zei mij, ‘dat moet je eens lezen,
daar is geen speld tussen te krijgen’………..
Wat mij toen erg boeide en aansprak was wat zij stelde in haar hoofdstuk
over
‘Het eigenlijke vraagpunt’ nml. de ‘continuïteit tussen Nieuwe Testament
en de
patristische traditie.’ In de reformatie werd nml. aangenomen dat al
snel na de apostolische periode er een afval, en een binnenkomen van
‘heidendom’ in de Kerk plaatsvond. Ik was toen geheel in de ban van haar
boek en nam contact met haar op. Zij vertelde mij dat er op een congres
of bijeenkomst door sommigen tegen haar werd gezegd. Uw boek is wel erg
moeilijk te begrijpen, waarop zij antwoordde: wel, ik ken een jongeman
van 18 die het wel heeft begrepen…..
Dit was natuurlijk maar heel betrekkelijk want als mijn
bevattingsvermogen de inhoud van een kopje zou zijn, dan is dat van
Cornelia wel van een emmer, zo gezegd. Maar toch, er was enige ‘analogia
entis’…………..
Mijn weg naar de Catholica is echter een ander
verhaal.
In
december 1946 werd zij benoemd tot hoogleraar in de geschiedenis van de
oud-chrtistelijke, antieke en middeleeuwse wijsbegeerte te Utrecht. Zij
schreef grote bronnen- en studie boeken over de Griekse filosofie die
overal ter wereld door studenten werden gebruikt. Haar grote kennis en
eruditie kreeg al gauw internationale bekendheid. In de jaren zestig gaf
zij gastcolleges in New York, Japan, Taipei, Manilla, Duitsland, etc.
Zij werd een internationaal en alom gerespecteerde en gewaardeerde Plato-
deskundige, de filosoof van de Trancendente Werkelijkheid.
Heel veel aandacht besteedde zij aan Erasmus van Rotterdam. Zij las al
zijn werken en was zeer door hem geboeid. Ik hem net zo veel gelezen als
St.Thomas schreef zij. Erasmus is vaak onjuist beoordeeld en heeft onze
tijd zeker nog veel te zeggen. In haar publicatie over Het Humanisme
neemt Erasmus een belangrijke plaats in.
DE CATHOLICA NA VATICANUM TWEE.
De
ontwikkelingen in de Kerk in ons land sinds het 2e Vaticaans Concilie
volgde zij met toenemende belangstelling maar vooral met toenemende
zorg. Het Past.Concilie te Noordwijkerhout las nog vers in het geheugen.
Daar was al gebleken dat Vaticanum Twee was voorbijgestreefd. De Geest
maar niet de Letter.
Zij zweeg echter tot er zich een voor haar duidelijke gelegenheid
aanbood om haar stem te laten horen. Zij reageerde op een artikel in de
plaatselijke door haar gewaardeerde krant, het Utrechts-Nieuwsblad. Een
katholiek, sprak daarin zijn teleurstelling uit over de benoeming van
Mgr. Gijsen in febr.1972, en zei dat het toch voor de trouwe gelovigen
heel pijnlijk was etc. Cornelia achtte het toen niet langer verantwoord
te zwijgen en werd uitgenodigd een tegenstuk in de krant te schrijven.
De situatie in de Kerk ten onzent,schreef ze, schreeuwt werkelijk om een
krachtig en bezonnen woord vanuit Katholiek geloof in al zijn kracht en
vastheid. Zij ontving heel veel positieve reacties op haar artikel.
Katholieken die verheugd waren dat deze dingen nu eindelijk eens in het
openbaar gezegd werden.
Er volgde een gesprek met kardinaal Alfrink, die haar zei, dat het hem
allang duidelijk was dat er een golf van vrijzinnigheid over de Kerk
gaat.
Ik zeg dat ook tegen de mensen, maar veroordelen, ach dat doen wij niet
meer,
want het is allemaal al veroordeeld………
Op verzoek van de Kardinaal schreef zij een toelichting. Dit leidde
uiteindelijk tot haar geschrift uitgegeven in 1973: “Aan de katholieken
van Nederland, aan allen” met als ondertitel, ‘maar wordt nu wakker,
want de nood is groot’
In dit geschrift gaat zij op niet mis te verstane wijze in op
verschillende situaties en toestanden van docenten op Theologische
Hogescholen en publicaties van theologen. Vanuit haar diep geloof en
grote kennis van de Kerkvaders en de Filosofie toonde zij de zwaktheid
en onjuistheid van allerlei argumenten aan.
De polarisatie, de verdeeldheid was ontstellend in die tijd. Een ware
noodsituatie! De fundamenten van het Geloof stonden a.h.w. te trillen op
hun grondvesten. Cornelia werpt het hele gewicht van haar diep geloof en
grote kennis in het strijdperk. Van het haar eens geschonken ‘zien’ van
de Trancendente Werkelijkheid en Realiteit, die er nu ineens niet meer
zou zijn, legt ze een bewogen getuigenis af. Er werd alom beweerd dat er
maar één werkelijkheid is, de werkelijkheid die wij kunnen zien en
meten. De onzienlijke of bovennatuurlijke werkelijkheid kunnen we als
moderne mensen in de deze tijd toch niet meer aannemen? Tegen deze
mode-predikers waarschuwt zij, het is een vervalsing van het Evangelie.
‘Maar is het niet, vraagt zij zich af, de taak van de beleidsmannen van
de Kerk de eenvoudigen – en dat zijn wij in de Kerk tenslotte allen – te
waarschuwen om zich niet te laten misleiden door de mode-predikers?
Er werd verteld, dat vaak een kwartier na de H.Mis te Utrecht of Renesse
in de pastorie de telefoon ging. De kapelaans of pastoor wisten het al:
o jee, dat zal Prof.
de Vogel wel weer zijn. Zij reageerde dan op de inhoud van de preek en
prikte met haar grote kennis van Kerkvaders en Filosofie menig modern
proefballonnetje door.
In haar geschrift gaat zij compact maar duidelijk in op de problemen
rond de Triniteit en Christologie, het anti-metafisica-complex, de
Eucharistie, de marxistische invloed op de geloofsverkondiging etc.
Een zeer belangrijke oorzaak in de geloofsverwarring wijst zij aan in
het binnenkomen in de Catholica na het Concilie van de zogn.
ontmythologiserings-theorie van de befaamde professor R. Bultmann die
overal navolging en gehoor vond. Karl Barth had ons nog zo
gewaarschuwd! Katholieken, begin er niet aan, wij hebben kwalijke
gevolgen daarvan al ondervonden.
Funest is nml. dat gelovigen wordt voorgehouden dat nu, door historisch
en exegetisch onderzoek ‘de wetenschap’ tot resultaten heeft geleid
waardoor we nu pas de ware aard van de Nieuwtestamentische overlevering
onderkennen.
Nieuwe zienswijzen die in o.a. de OMO-katechese, de Open Kerk, TV-
programma’s, vanaf de kansels, in Hogescholen en theologische
opleidingen opgeldt doen. De wonderen , maagdelijke geboorte,
Verrijzenis etc, behoren tot de mythologische inkleding die wij zo niet
meer behoeven te geloven.
Cornelia veegt dit alles van tafel. Helemaal niet nieuw, stelt ze, Het
is allemaal al gezegd in de jaren twintig en dertig. Nu echter
verschijnt het weer in een nieuwe jas.
De ontkenning van de presentia realis in de Eucharistie wees zij in een
speciaal geval duidelijk aan. Zij kwam in conflict met de katholieke
liturgist Dr. Wegman die in zijn inaugurale rede o.a. had gesteld dat er
van de presentia realis of transubstantiatie in de eerste vier a vijf
eeuwen in de Kerk nog geen sprake was. Hier moet je bij Cornelia
natuurlijk niet mee aankomen. Zij tikte Wegman gevoelig op de vingers.
Ik kan het niet nalaten een stukje van haar reactie te laten horen.
Deze
misleidingen en zogenaamd wetenschappelijke verworvenheden hebben niets
meer van doen met het 2e Vaticaan Concilie. Zij wijst uitdrukkelijk op
de Encycliek Mysterium Fidei van Paus PaulusVI. Velen beroepen zich op
de Geest van het Concilie, en vergeten vervolgens de Letter. Maar er
waaiden toen vele ‘geesten’ in die zo noodlottige gepolariseerde
periode.
De laatste woorden in haar geschrift ‘Aan allen’ wijzen echter op een
nieuwe nog toekomstige taak, een wetenschappelijke taak waarvan ze hoopt
dat dit haar nog gegeven zal worden. Maar, besluit ze, het eerste en het
laatste woord tot allen blijft steeds dat andere: de inkeer in de
diepte; bidden, genade ontvangen en geloven.
Haar boekje werd ook in het Italiaans vertaald en in Rome aan
bisschoppen ter hand gesteld. Dit werd haar erg kwalijk genomen in ons
land, want ja, het bisschoppelijk beleid kwam nu niet bepaald in een
gunstig licht te staan.
AFSCHEID EN NIEUWE TAAK.
Op 23
januari 1974 houdt zij een afscheidsrede “Aeterna Veritas” en treed af
als Hoogleraar te Utrecht. Maar daarna gunde zij zich nauwelijks rust.
Zij begon aan een omvangrijk meer wetenschappelijk werk zoals ze zich
had voorgenomen te gaan doen.
Haar grote De Grondslag van onze Zekerheid”, Over de problemen van de
Kerk heden’ stond op stapel. Dit standaardwerk werk werd in
1977gepubliceerd.
Wat beoogde zij met deze studie? In de ondertitel staat: Een bijdrage
tot reële theologische discussie. Zij wilde filosofische achtergronden
en uitgangspunten van de moderne theologie ter discussie te stellen en
de afgeslotenheid doorbreken. Uitdrukkelijk wilde zij een handreiking
bieden om tot een onderlinge discussie en oplossing te kunnen komen. We
moeten elkaar toch kunnen bereiken, was haar diepe wens.
Maar haar primaire zorg ging uit naar de gewone kerkganger, die ze in de
Kerk van heden een zwaar beproefd mens vindt.
Het niveau van de scherpe polarisatie was toen erbarmelijk. Schoonenberg
sprak zelfs van een theologisch Vietnam. Cornelia wilde dit doorbreken
en tot de kern van de zaak komen. Prof. van der Ploeg vond het echter
maar niets; veel te veel eer aan Schillebeeckx, vond hij.
Maar zij wilde, zoals gezegd een discussie op academisch niveau om
klaarheid te brengen waar verwarring en onzekerheid heersen. Vaak werd
onzekerheid als een ‘verworvenheid’ van deze tijd voorgehouden We
moeten maar met de ‘onzekerheid’ leren leven………….
Zij bezocht Schoonenberg en ging naar Schillebeeckx om persoonlijk met
hun te bespreken. Het verhaal gaat dat de paters dominicanen in het
Albertinum klooster te Nijmegen vlug hun pij aantrokken en Cornelia
verzekerden dat daar alles in orde was…………
Mij vertelde ze dat zij Schillebeeckx voor een persoonlijk gesprek te
Renesse had uitgenodigd. Maar helaas, hij ging niet op de uitnodiging
in.
Cornelia wijst een belangrijke oorzaak van de
crisis aan nml. het onvoldoende filosofisch geschoold zijn van
veel theologen en het vervangen van de ontologie
door fenomenologie en existentialisme. Je krijgt dan een scheve
theologie……
In haar Grondslag gaat ze diep in op allerlei questies die in het kort
al in haar ‘Aan Allen’ werden aangetipt. Zij besprak de toen zo
opgangmakende publicaties van
Edward Schillebeeckx, Hans Küng en Walter Kasper. Kasper vond ze nog de
beste van de drie. Ze prees zijn Jezus boek maar wees ook op de nadelige
invloed en gevaren van Hegel in zijn theologie.
En deze kritiek op Kasper was voor de uitgever in Duitsland al voldoende
om
de geplande duitse uitgave geen doorgang te laten vinden. Men durfde
geen kritiek te geven op een katholieke theoloog die op basis van het
Geloof van de Kerk wilde staan en niet vijandig stond t.o. het
Leergezag.
Haar bijdrage en uitgestoken hand werd over het algemeen gewoon
verzwegen en de door haar zo uitdrukkelijk
aangeboden discussie vond geen weerklank. Schillebeeckx vermelde in zijn
boek “Het tussentijds Verhaal” dat een weerlegging van het boek van C.J.
de Vogel hem een heel boek zou vergen! Dat boek is er nooit gekomen.
Discussie bleef dus uit. Misschien dat zij de kracht van haar diep
geloof en de logica van haar argumenten vreesden. Wijlen Pater
Andriessen, bijbelgeleerde en benedictijn te Vaals, zei mij eens dat als
je de eenmaal ingenomen standpunten van de moderne hermeneutiek niet
deelt, je ook niet kunt publiceren in de Theologische vakbladen. Je
wordt dan gewoon geweerd. Cornelia week uit naar buitenlandse
tijdschriften die haar bijdragen wel wilden opnemen.
Ik vond , als leek, haar studie het beste wat als
kritiek en discussie op niveau in de roerige jaren na het Concilie in
ons land is verschenen. Haar in de ring geworpen handdoek werd echter
niet opgepakt. Een gemiste kans!
BESLUIT
Er
valt natuurlijk nog veel te vertellen over dit zo rijke en bewogen leven
van deze markante gelovige geleerde. Het zou nu allemaal te ver voeren.
Misschien is de betekenis van haar hele leven en bekering het best te
karakteriseren als een getuigenis van Gods Genade, van Zijn
Werkelijkheid en Zijn, van de Waarheid van de
Openbaring in Jezus de Zoon Gods en van Zijn Kerk.
Komt
het nog wel goed met de Kerk in Nederland, vroeg eens een journalist aan
haar?Het zal zeker eens wel weer goed komen, antwoordde zij. We weten
niet hoe en wanneer. Zij zag de gruwel der verwoesting als een
tijdelijke beproeving.
Overigens was zij helemaal niet tegen ‘vernieuwing’, we moeten oppassen
,stelde ze vaak, om niet essentiële zaken te verabsoluteren. Ze wees op
de tekorten in katholieke kring, de afgeslotenheid van de
priesteropleiding, gebreken in de apologetiek en een zeker legalisme en
rationalisme.
In haar diep borende kritiek stond Cornelia op de basis van het 2e
Vaticaans Concilie en wees de oorzaken van de desastreuze afbraak aan.
Alhoewel thans de diepe polarisatie is weggeëbt, is de betekenis echter
van wat de Kerk ten diepste voor de gelovige is, nog lang niet hersteld,
nml. zoals Paus Paulus VI het eens uitdrukte: De Kerk is Instituut en
Mysterie tegelijk.
Mei
1986 overleed zij, na een uitputtende ziekte. Piet Kasteel te Rome, die
zij goed kende en met wie zij herhaaldelijk contact had, schreef in zijn
In Memoriam:
Als een nieuwe Anna Bijns richtte Cornelia in 1973 haar vlammend betoog
tegen wat zij noemde , de vreemde dingen van vooral katholieke
theologen, die in Nederland opeens over een invloed bleken te
beschikken die haar verbijsterde.
Door het ontnemen van de grondslag van hun zekerheid, had zij teveel
ellende en onzekerheid gezien, om nu zonder protest van de katholieke
gemeenschap een groep zoekers en zwervers te maken.
Van haar vereerde Erasmus had zij de onvoorwaardelijke gehechtheid aan
de Sedes Romana geleerd. Wie het gezag van de Apostolische Stoel
aanrandt, ontneemt de katholieken hun zekerheid. En van Newman had zij
geleerd dat zelfs duizend moeilijkheden niet één ernstige twijfel
behoeven te baren.
Piet Kasteel besluit: Zij heeft de goede strijd gestreden, eigen geloof
en dat van anderen bewaard. De laatsten zullen haar met dankbaarheid
herdenken.
Tot
besluit lees ik het gedicht voor van de bekende dichteres Ida Gerhardt,
met wie Cornelia bevriend is geweest:
GEDICHT.
Portret van Cornelia de Vogel: ‘Aetate sua
LXXV’
Nooit uitgedacht – Of in die grote kop
een bijenvolk zijn intrek heeft genomen.
’t Gonst dag en nacht; de arbeid kan
niet op.
Het wemelt er van driftig gaan en
komen.
En een steeds omgaand denken vergewist
zich of geen post voortijdig is verlaten.
Hier wordt geen nectar achteloos
verkwist,
noch was verspild bij het metselen der
raten.
Gij slaat het blad om. – Door de jaren
heen
zijt ge gebleven die ge altijd was;
de tekst beturend door het brilleglas,
of plotseling er van opziend, in gedachten:
met door die scherp geslepen lenzen heen
de straling van uw opstandingsverwachten.
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Cees Luttik, Vice-voorzitter
St.Nicolaasacademie-Amsterdam
|
|