| VERSLAG | |||||
| SINT NICOLAAS ACADEMIE, 16 april 2011 | |||||
|
ROOMS-KATHOLIEKE SOCIALISATIEDr. Harold J.G.M. van Megen |
|||||
|
|
|||||
|
Wat zijn de aspecten waarmee een psychotherapeut rekening moet houden bij het behandelen van patiënten met een katholieke achtergrond. Dr. Harold van Megen, die zich in die achtergrond heeft verdiept, stelt om te beginnen vast dat er in het algemeen in de psychiatrie een aantal vooroordelen heersen tegen religieuze en culturele invloeden als medebepalend bij het diagnosticeren van patiënten. De doorsnee psychiater houdt zich strikt aan de classificatie van symptomen; binnen de materialistische visie verklaart hij alles uit hersenprocessen; in het secularistisch klimaat speelt religieuze achtergrond geen rol. In de psychotherapie, kortom, krijgt net zoals in andere onderzoeksgebieden de godsdienst en alles wat daaruit voortvloeit geen aandacht. Toch bedraagt in Nederland het aantal katholieken nog zo’n 27, en het aantal protestanten zo’n 16 procent. Dat de religie is verdwenen uit de samenleving, betekent niet dat kenmerken daarvan verdwenen zijn. Die zien we terug in sommige humanistische opvattingen. De wijze, bijvoorbeeld, om overledenen te gedenken met bijeenkomsten achteraf in een café herinneren aan de oudtijdse rouwperiode van zes weken. Ook de gedragingen van mensen ten aanzien van elkaar verraden kenmerken van het vroegere godsdienstige klimaat. Sympathieën en antipathieën op politiek gebied zijn vaak eveneens te herleiden tot de religieuze achtergrond. Wellicht is het geweten cruciaal. Verdringing van het geweten leidt tot gewetenloosheid, en gewetenloosheid is een probleem waarmee de humanistische elite en vooral het strafgerecht in toenemende mate wordt geconfronteerd. De rooms-katholieke traditie is pluriform, loopt van orthodox praktiserend tot vrijzinnig agnostisch. Voorts zijn er de culturele verschillen. Een Mexicaanse katholiek is anders dan een Duitse katholiek, een Limburgse katholiek is anders dan een Hollandse of Groningse katholiek. En ook zijn er verschillen tussen de orden, tussen jezuďeten en dominicanen. Sommige verschillen zijn zelfs terug te voeren op theologische standpunten. Zo is de oude tegenstelling tussen het optimisme van erfzonde-ontkenner Pelagius en de alles aan genade toeschrijvende Augustinus, tussen de vrije wil en de voorbeschikking, nooit opgelost. De jezuďeten enerzijds, pleiten voor het eigen initiatief en de eigen verdiensten, voor nadruk op naastenliefde en handen uit de mouwen steken, terwijl de meer reformatorische jansenisten “het alles aan God overlaten” op de voorgrond stellen. Dat laatste kan leiden tot morele luiheid en defaitisme, terwijl het eerste tot zelfoverschatting kan leiden. Deze controverse vindt men terug in de liturgie van de H. Mis. In de oude consecratiewoorden horen we “pro multis”, en in de nieuwe “per tutti”; “voor velen” versus “voor allen”. In de pre-conciliaire situatie heeft het offer van Jezus “velen” gered, en daarbij voelen we het beroep op ieders vrije wil; in de postconciliaire opvatting heeft het offer van Jezus “allen” gered, waarbij het ‘’van buiten af” doorschemert van de jansenistische positie. Doorvertaald, zou je kunnen zeggen dat in het eerste geval de persoonlijke verantwoordelijkheid vooropstaat, terwijl in het tweede geval de algehele sfeer medebepalend, en medeverontschuldigend is. De posities beďnvloeden de gewetens. In het katholieke geval speelt het externe een grote rol, het collectieve geweten, terwijl sinds de Romantiek het ik centraal is komen te staan, het gevoel, ieders persoonlijke beleving. Dat laatste is sinds het Tweede Vaticaans Concilie ook door de katholieken overgenomen. In het secularisme zien we een overdreven nadruk op het ik, een individualisme dat weer strijdig is met het solidaire karakter van het katholicisme. Een ander belangrijk aspect van de rooms-katholieke traditie is de “eenheid” in verscheidenheid. Eenheid vereist consensus. Disputen en scherpe discussies dienen vermeden te worden, en in den minne te worden geschikt. De overleg-cultuur, ook in de politiek, is oorspronkelijk van katholieke huize. Ook hiërarchie is typisch katholiek, en die hangt samen met macht. Opvoering van eigen standpunten tegen de kerkelijke autoriteit wordt niet op prijs gesteld. Aanpassing, zelfverloochening, nederigheid zijn geboden. De mens moet zijn kleinheid beseffen, hij is slechts stof, en tot stof zal hij wederkeren. De voetwassing door Jezus aan zijn apostelen is emblematisch. Een belangrijk aspect van de katholieke traditie is de ambivalente houding tegenover het lichaam. De ziel is primair, het vlees is slechts omhulsel. Seks is kwalijk, en zelfkastijding verdient aanbeveling. Over het algemeen kan men zeggen dat het lichaam wordt ondergewaardeerd, behalve in de katholieke kunst, waar we het lichamelijke geďdealiseerd terugvinden. Onkuisheid, zelfs in gedachten, is de zonde bij uitstek, gezien het 5e, 7e en 10e gebod. De biecht wordt door de buitenwacht niet begrepen, en zelfs belachelijk gemaakt. Maar de werkelijkheid is dat er dankzij de biecht altijd vergeving is, mits het berouw oprecht is. Hoe streng men voor zichzelf moet zijn, wordt cultureel beďnvloed. De Italiaan bijvoorbeeld, is minder streng voor zichzelf dan de noordelijke katholieken. Niemand is aan het onmogelijke gehouden, zei de katholieke politicus Van Agt; het beste is de vijand van het goede, zei een andere katholieke politicus, Lubbers. Het sacrale of heilige is in de Katholieke Kerk veel pregnanter dan in andere christelijke kerken. Alleen de priester mag aan het altaar staan. Knielen en aanbidding zijn typisch katholiek. Het beeld is de brug naar het heilige. De protestanten zijn veeleer geconcentreerd op de tekst, het beredeneren en begrijpen van de Schrift. De katholiek laat de illusie in stand, het mysterie, de sfeer. Verbeelding is primair. Waar de katholiek zich vergaapt aan plaatjes, zingt de protestant liever psalmen. De katholiek, zegt men, is niet in staat de buitenwereld objectief te beschouwen. Hij gaat af op gezag en leergezag. In de seculiere wereld benadrukt men juist het hebben van een eigen mening en stimuleert men het kritisch verstand, het door de dingen heen kijken.
Tijdens het vragenuurtje komt de samenhang tussen seks en macht aan de orde. Die bestaat niet alleen in de katholieke kerk, maar in alle geledingen. Dr. Van Megen betreurt de “doofpot” in verband met het pedofiele misbruik die de katholieke kerk veel schade heeft berokkend. Het openbreken van de doofpot heeft te maken met de afbrokkeling van het gezag in de katholieke kerk sinds de jaren zestig. Een ander onderwerp betreft de relatie tussen wetenschap en het bovennatuurlijke. Die is er niet, althans niet in het Westen van de afgelopen paar honderd jaar. Vóór de Verlichting en in het Oosten was en is die relatie de gewoonste zaak van de wereld. de voorzitter
|
|||||
| Terug | |||||