VERSLAG  
  SINT NICOLAAS ACADEMIE, 16 januari 2010  
         
 

WAARHEID VERSUS VRIJHEID              

 
           
 
 
         
 

   Met ingang van januari 2010 is de Sint Nicolaas Academie verhuisd naar de Sint Agneskerk aan de Amstelveenseweg 163, waar we allerhartelijkst zijn ontvangen door de paters Knudsen en Komorowski.

   Op 16 januari evalueren we de vier lezingen van het afgelopen najaar over de scheiding van kerk en staat. Mgr. Eijk, aartsbisschop van Utrecht, opende in september de cyclus met de stelling dat bestuurlijke scheiding een zegen, en radicale scheiding een vloek is. De vernieuwing sinds het Tweede Vaticaans Concilie houdt in dat de kerk de autonomie van de aardse werkelijkheid erkent (Gaudium et Spes). Dit lijkt te wijzen op scheiding van geest en materie, ziel en lichaam, eeuwigheid en tijd, bovennatuur en natuur, God en mens. Van de kant van de staat zijn er bestuurders die aandringen op meer stem van de kerk in het openbare leven; dit, in verband met het propageren van normen en waarden. Het is makkelijker om mensen te besturen die zich houden aan de Tien Geboden dan mensen die het dom vinden als je je slag niet slaat wanneer de pakkans nihil is. Men denke bijvoorbeeld aan de bonussencultuur in de bankierswereld.

   Professor Alting von Geusau noemt de vrijheid van godsdienst, die sinds het Concilie door de kerk is onderschreven, een wijs besluit. De staat mag geen godsdienst voorschrijven, maar anderzijds reduceert het heersende liberalisme de godsdienst tot het privé-leven, en dat is volgens de professor onjuist. Als de godsdienst zich in het openbaar moet kunnen manifesteren, geldt dat dan voor alle godsdiensten op grond van hun bij wet vastgestelde gelijkwaardigheid? En is dat ook wat de kerk sinds het Concilie onderschrijft? Of maken sommige krachten van het Concilie gebruik om – eventueel onder het mom van oecumene en dialoog – die indruk te wekken? Anders gezegd: hoe verhouden zich Waarheid en Vrijheid

   De katholieke politicus Hans Hillen wijst erop, net als de professor, dat de kerk niet naar macht moet streven, maar vooral het ethisch bewustzijn moet stimuleren. Met Mgr. Eijk, is hij van oordeel dat de staat zijn eigen verantwoordelijkheid heeft, maar we zien ook dat de staat te dominant wordt. En daarom moeten de christenen terugploegen om hun invloed op de maatschappij niet te verliezen. Dat kan eventueel in samenwerking met de moslims, die in Europa hun scherpe kanten zullen verliezen. De kerk moet dus wel invloed hebben, maar geen macht.

   Vader Sergi Merks, van de de Russisch-Orthodoxe kerk, vindt het volk belangrijker dan de staat. De staat is alleen het uiterlijk bestuursapparaat, het bureaucratisch harnas, maar het volk wordt in zijn aard en identiteit bepaald door kerk en liturgie. Als Rus ben je door geboorte orthodox, en dat geldt ook voor de bestuurders. Vanuit de Russische-Orthodoxe kerk worden in Rusland andere kerkgenootschappen, mits erkend, gedoogd. Dat is ongeveer dezelfde situatie die vóór het Tweede Vaticaans Concilie in de Latijnse kerk van het Westen bestond. In katholieke landen werden protestanten, joden, moslims getolereerd mits ze niet al te veel opvielen in het openbaar leven. Na het Concilie neemt met de vrijheid van godsdienst het secularisme een hoge vlucht, en van daaruit worden door de staat de verschillende godsdiensten als gelijkwaardig in stand gehouden, zoals culturele instellingen in stand worden gehouden. Dit vooronderstelt een complete, of totalitaire secularisering van de samenleving.

   Vanuit de staat kan men de vraag stellen wat de mensen bij elkaar houdt, wat een volk bindt. Want het feit is dat bij alle volkeren, ook de heidense, bestuur en religie verweven waren. Scheiding van kerk en staat is dus 1) een tamelijk nieuw en 2) een tegennatuurlijk fenomeen. 

   Alle vier de sprekers zijn het erover eens dat de staat zich niet met de kerk moet bemoeien. Ook vinden ze, vooral de eerste drie, dat de kerk niet moet streven naar macht. Die zienswijze is ingegeven tegen de achtergrond van de kerk in vroeger tijden (inquisitie, index en zo) en met beroep op Jezus’ uitspraak dat men de keizer het zijne moet geven, of dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is. Met die uitspraken van Jezus in het achterhoofd kan men zich afvragen of de verstrengeling van kerk en staat van vroeger geen perversie was, zo men niet stelt dat de kerk pas met het Concilie tot het juiste inzicht is gekomen: geen macht willen hebben. Maar ook blijft de kwestie van kracht hoe je dan missie met dialoog, ofwel Waarheid met Vrijheid rijmt. Hebben we hier te maken met een paradox, of met een onoverbrugbare tegenstelling? De Waarheid in de betekenis van Jezus – Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven – is een algemeen bindende, maar niet een die men mag opdringen. Waarheid moet in vrijheid worden aanvaard. De post-conciliare kritiek op de kerk van vroeger is dat ze de staat te hulp riep om de Waarheid af te dwingen. De pre-conciliaire kritiek op de post-conciliaire situatie zou kunnen zijn dat de Vrijheid de Waarheid heeft gereduceerd tot subjectief en relatief. Postmodern is zeggen dat waarheid voor ieder iets anders is.

   Scheiding van kerk en staat komt er in feite op neer dat de staat kerk en godsdienst marginaliseert. De stem van de kerk, waar sommige politieke partijen behoefte aan hebben bij het handhaven van de orde, wordt niet gewaardeerd wanneer het om de Waarheid gaat. Anderzijds hoort men de kerk vanaf de zijlijn alleen over zedelijke zaken waarschuwend roepen: geen abortus, euthanasie, condoom, homohuwelijk en zo. De kerk hoort men als zedenmeester, maar niet als het om sociale kritiek gaat. Dan uit zij zich voornamelijk in gemeenplaatsen – tegen armoe, honger, corruptie, oorlog -, of ze loopt achter de feiten aan: milieu en klimaat, mensenrechten. In haar glorietijd nam ze het voortouw: emancipatie van de vrouw, afschaffing van de slavernij, humanisering van de oorlog, ziekenhuizen, armenzorg, onderwijs, natuuronderzoek, ontwikkeling van de wetenschap. Dat kon ze omdat toen de staat katholiek was, vanaf het hoogste bestuur tot het laagste volk. Sinds de Verlichting, de Revolutie, het liberalisme en de democratie is met de vrijheid van godsdienst en de gelijkschakeling van de verschillende godsdiensten  de staat oppermachtig geworden. De staat steunt op een uitgebreid netwerk van wetten die mensen tegen elkaar moeten beschermen, wat werkt zolang de welvaart min of meer eerlijk verdeeld blijft. Van een geestelijke band tussen de burgers van een bepaald land is nauwelijks nog sprake. Men spreekt dezelfde taal, maar over zijn geschiedenis is men het al niet meer eens. Met de pluralistische, multiculturele en abstracte Europese Unie voelen alleen politici, zakenlieden en multinationals binding omdat ze er qua carrière of handel belang bij hebben. We kunnen dus concluderen dat we in een lichaam leven zonder ziel, ofwel – geestelijk gezien – in een staat van ontbinding. 

   Waarheid – uit liefde voor de Waarheid, en niet om wille van onszelf en de wereld -  bindt de mensen, maakt een volk en wordt gedragen door de godsdienst en de kerk. Godsdienst zonder kerk is als een kaars zonder kandelaar. Die valt om. De Waarheid is binnen de kerk vervat in het leergezag, in de verzameling der geloofswaarheden die tot uiting komen in de liturgie. Vrijheid verdeelt mensen, want de vrijheid van de ene botst met de vrijheid van de ander. Men verdraagt elkaar om botsing te vermijden, maar dat soort verdraagzaamheid is doorgaans identiek met onverschilligheid. Het kan ons niet schelen wat de ander gelooft, of niet gelooft. Tolerantie in de oude zin houdt in dat een volk geworteld in de Waarheid verdraagzaam is jegens wie daarin niet geloven, of jegens wie anders geloven. In het oude model verdraagt de Waarheid de vrijheid van wie haar niet aanvaarden. In het huidige model, het model van de democratie, degradeert de Vrijheid waarheid tot wat ieder afzonderlijk daaronder wil verstaan.

   De katholieke kerk is altijd uitgegaan van het oude model, maar de vraag is of ze daar sinds het Concilie nog steeds achter staat. Niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk. 

   De scheiding van kerk en staat is een allang een feit, en de Geschiedenis leert dat gedane zaken geen keer nemen. Christen zijn in onze tijd is anders dan vroeger. Vroeger werd  de christen maatschappelijk gesteund, nu staat hij er zelf voor. De nieuwe situatie hoeft niet noodzakelijk te worden betreurd. Vroeger gingen mensen naar volle kerken in hun buurt omdat het, sociaal gezien, van ze werd verwacht. Nu gaan mensen naar vrijwel lege kerken ver weg omdat ze dat zelf willen. Vroeger gingen hele gezinnen, nu ziet men veel enkelingen. Vroeger verleende de godsdienst maatschappelijke status, waardoor de kerk ook onecht aanslibsel had. Nu is christen zijn in een aantal milieus geen aanbeveling, zeker niet als men openlijk voor zijn geloof uitkomt. Dat betekent dat we nu leven in de tijd van het getuigen, het martelaarschap, het verdragen van onverschilligheid. Het geloof kan in die confrontatie weer echt worden. Bisschoppen kunnen klagen dat er niet naar ze wordt geluisterd, als ze echt iets te zeggen hebben, iets dat maatschappelijk wezenlijke dingen raakt, wordt er wel degelijk naar ze geluisterd. Getuigen van de Waarheid wordt wellicht met boegeroep ontvangen of  door de toonaangevende elite genegeerd, anderzijds zitten velen er wèl op te wachten en is er veel stille bewondering voor. Heidenen, andersgelovenden, christenen die allang niet meer naar de kerk gaan hebben over het algemeen genomen meer respect voor een kerk die trouw is aan haar tradities dan voor een kerk die is meegegaan met haar tijd en in allerlei tijdelijke experimenten is verzeild.

 

Robert Lemm. voorzitter

 

 
    Terug