VERSLAG  
  SINT NICOLAAS ACADEMIE, 16 oktober 2010  
         
 

WAT DE KATHOLIEKE KERK LEERT OVER

         HET LEVEN NA DE DOOD

       Matthieu Wagemaker , priester

 
           
   

 
         
 

                                                               

   Matthieu Wagemaker is zeventien jaar priester en heeft in het bisdom Haarlem-Amsterdam tal van werkzaamheden verricht, waaronder het doceren van fundamentele theologie en geloofszekerheid aan de priester-opleiding van de Tiltenberg. Vijf jaar was hij rector van het Maria-heiligdom te Heiloo, thans is hij betrokken bij de missie met standplaats Den Haag. Kris-kras reist hij door Nederland en binnenkort hoopt hij met een bezoek aan Burundi zijn kennismaking met de "derde wereld" te beginnen.

   Waarom hoort men in de Kerk zo weinig over het leven na de dood? Met die vraag als uitgangspunt ontvouwt pater Wagemaker wat de Kerk daarover leert. Die leer ligt vervat in wat wel de "uitersten" wordt genoemd: Dood, Oordeel, Hel, Vagevuur, Hemel, Verrijzenis.

   Een mooie en heldere beschrijving hiervan vinden we in de "Katechismus" van Frits van der Meer, auteur van het beroemde boek "Augustinus, de zielzorger".

   Ooit, in de oudheid, was de dood een noodlot, angst voor het einde van alles. Zelfs in het Oude Testament klinkt in de Psalmen het verlangen om lang te mogen leven, aangezien de dood werd gevoeld als verstoring van de harmonie, haast als een onrecht en in elk geval iets om diep over te treuren. In de latere boeken van het Oude Testament daagt de verwachting van het eeuwig leven. In  "Maccabeën" worden offers opgedragen voor de overledenen, hetgeen het geloof impliceert dat zij na de dood voortleven. Met Jezus Christus komt er een eind aan de onzekerheid. Hij die de dood overwon, opent voor ons de deur naar het eeuwig leven. Angst voor de dood als inbreuk of onrecht hoeft dus niet meer. ‘Vrees niet hen die wèl het lichaam kunnen doden, maar niet de ziel’, lezen we bij Mattheüs. Maar waarom dan toch de dood? Die is de straf voor de erfzonde, maar aan de straf komt een eind. Ons eeuwig leven wordt bepaald door ons aardse leven, en vooral door hoe het met ons stond op het moment dat wij sterven. Het lichaam vergaat tot stof, en zal eenmaal daaruit verrijzen, op de Laatste Dag. De lichamelijke dood is dus niet langer een afschuwelijk lot. Want met iedere dood begint er een nieuw leven, zonder eind.

   Onmiddellijk na de dood wordt de ziel geoordeeld in een confrontatie met zichzelf. De ziel ziet zichzelf zoals God haar ziet. Dit is een geestelijk proces, en we weten niet hoe dat in zijn werk gaat. We hebben er hoogstens een idee van. Jezus Christus is zowel degene die ons oordeelt, of ons over onszelf laat oordelen, als onze voorspraak. Hoop, geen zekerheid hebben we. We vertrouwen op de goedheid van Jezus. Na dit eerste of onmiddellijke oordeel volgt – we weten niet wanneer – een tweede of Laatste Oordeel. Over de tussentijd is het gissen, maar die tussentijd bestaat omdat op aarde de Kerk nog strijdt, en zolang die strijd voortduurt is de hemel als het ware nog niet voltooid. De voltooiing gaat gepaard met de verrijzenis van het lichaam bij het Laatste Oordeel. Uit het jaar 1336 dateert een leerstellige uitspraak van paus Benedictus XII volgens welke degenen die in staat van genade sterven al in de aanschouwing van God zijn. Maar alleen Maria is met ziel èn lichaam in de hemel opgenomen. Voor haar geldt ook dat de Kerk nog op aarde strijdt, dus ook in haar geval is de hemel nog niet voltooid.

   De hel is de staat van diegenen die in vrijheid God hebben verworpen. De hel is eeuwig, en de grootste kwelling is het gemis van God. In de hel is hiërachie conform het soort en de zwaarte van de zonden. Over de eeuwigheid van de hel hebben de theologen discussies gevoerd. Was die eeuwigheid niet te meedogenloos, in strijd met Gods barmhartigheid? En konden de hemelingen van hun geluk genieten in de wetenschap dat anderen de gruwelijkste kwellingen ondergingen? Moet er niet aan iedere straf eens een eind komen? De Kerk leert dat de hel eeuwig is. Niet omdat God onbarmhartig zou zijn, maar omdat de mens een vrije wil heeft gekregen, waardoor de hel in wezen een zelfgekozen staat is. De hel bestaat dus niet omdat God het wil, maar omdat er mensen zijn die dat willen. Jezus spreekt van eeuwig vuur en de worm die onophoudelijk knaagt. Degenen die God afwijzen worden door een wroeging verteerd die geen berouw is, maar boosheid over het verwonde "ik". Iemand die in de helse staat is wordt niet een duivel. Hij wordt niet nog slechter dan hij al was.

   Het vagevuur is de staat van loutering. Hier moet worden aangevuld wat er aan liefde ontbrak, en dat er een en ander moet worden uitgeboet veroorzaakt pijn. Maar aan die pijn komt een eind, en die hoop maakt het vagevuur draaglijk en zelfs vreugdevol aangezien de hemelse staat in het verschiet ligt. Voorts zijn er de anderen die voor jou ten beste spreken. Je krijgt onverdiende hulp. Je hoeft niet alles zelf te dragen. Maria en de heiligen assisteren. Het katholicisme is hierin anders dan het protestantisme en de islam en het boeddhisme. Daar is het oordeel veel harder. Je oogst wat je zaait, je bent honderd procent zelf verantwoordelijk.

   De hemel is evenmin een plaats, maar een staat. De Schrift spreekt van het eeuwige Jeruzalem, de bruiloft en de aanbidding van het Lam, het rechtvaardige loon, de troost. Het is de staat van degenen die door Jezus in de Bergrede worden aangesproken: zalig zij die et cetera… De zuiveren van hart aanschouwen God. Stefanus zag terwijl hij gestenigd werd, de hemel open. Paulus zei dat het tijdelijk lijden niet opweegt tegen de eeuwige heerlijkheid. Maar de hemelingen voelen zich verbonden met de strijdende Kerk op aarde, en daarmee is het Duizendjarig Rijk aangeduid, waarna de nieuwe schepping komt, nadat alles is vervuld. De verwachting van de Laatste Dag en het Laatste Oordeel waarin alles aan Jezus Christus wordt teruggegeven. Ook in de hemel is, net als in de hel en het vagevuur, verscheidenheid of hiërarchie naar verdienste, maar ieder is volmaakt gelukkig in zijn eigen staat. Er is geen vergoddelijking, zoals in het boeddhisme. Wij zijn van een andere natuur. God blijft altijd de Ander. Ons verstand en onze wil worden herschapen of verheven waardoor het genieten van God in intensiteit toeneemt naar de mate van ieder z’n staat.

 

P.S.  

1) De "tussentijd", de tijd tussen het onmiddellijke oordeel en het Laatste Oordeel, tussen de "ziel" en de "verrijzenis van het lichaam", blijft een mysterie. Hoe lang zal die tijd duren? 

2)Waarom de"ziel" sinds het Tweede Vaticaans Concilie uit de liturgie verdwenen is (of vervangen door het persoonlijk voornaamwoord "ik") is een gecompliceerd onderwerp en verdient een aparte lezing.          

 

de voorzitter

 

 

 

 

 
    Terug