VERSLAG  
  SINT NICOLAAS ACADEMIE, 17 januari 2009  
         
 

            Metafysica en Mystiek

           Professor Herman Berger

 
           
   

 
         
 

   Metafysica is een term die door Aristoteles is geïntroduceerd, en is overgenomen door Thomas van Aquino. Daaronder verstaat men het denken dat de gehele werkelijkheid tot onderwerp heeft. Metafysica krijgt sinds de zeventiende eeuw de naam van ‘onwetenschappelijk’ tegenover het opkomend natuuronderzoek met Galilei en Bacon. De wetenschap splitst de werkelijkheid op in delen, waarover door analyse onomstotelijke uitspraken kunnen worden gedaan. Het streven echter, om daarna vanuit de delen terug te keren naar het geheel, naar de hele werkelijkheid, heeft tot op de dag van vandaag niets opgeleverd. De wetenschap werkt methodisch en strekt zich uit over het meetbare. Maar het probleem is dat de wetenschap het wezenlijke niet raakt. Daarvoor, voor het wezenlijk belangrijke, dient de metafysica. Voor Aristoteles betreft de metafysica het zijnde en alles wat het zijnde toekomt.

   Nadat sinds de zeventiende eeuw het analytisch denken de natuur in steeds kleinere delen heeft opgesplitst, fragmenteert ook de filosofie. Descartes, die niets op gezag aanneemt en alles zelf wil verifiëren, eindigt in twijfel. Niets staat meer vast, niets is er meer zeker. De enige zekerheid die rest, is het weten dat men twijfelt. Tegenover de gefragmenteerde filosofie en de methodische twijfel positioneert zich het bezinnende denken of nadenken. Wat is voor de mens het voornaamste? Hoe krijgt de mens zicht op de werkelijkheid als geheel en op zichzelf? Alles van belang – poneert de metafysica – valt buiten het berekenbare. De wetenschap mag de metafysica weghonen als pseudo-wetenschap, maar wij kunnen vanuit de wetenschap niet leven. Wij leven van wat aan de wetenschap ontsnapt. Maar welke zekerheid biedt de metafysica dan?, vraagt de wetenschap.

   En met die vraag komen we terecht bij de religie en de filosofie, of de verbinding tussen die twee. Geloof is een vorm van overgave, en het sterkst is die overgave bij wie wij de ‘mysticus’ noemen. Mystiek zou men kunnen omschrijven als de praktijk van de metafysica. Als voorbeeld van mystiek nemen we Beatrijs van Nazareth (1200-1268). Haar hoofdwerk, "Van seven manieren van heiliger minnen", is in zeven hoofdstukken verdeeld, waarvan het eerste en zesde, het tweede en vijfde en het derde en vierde met elkaar corresponderen. Het eerste paar beschrijft de blokkade die de mens opwerpt tegen Gods liefde en het weghalen van die blokkade. Het tweede paar beschrijft het doen en verduren ter ere van God en het naar boven getrokken worden, waar de mens zich afvraagt of hij bij machte is Gods liefde te beantwoorden. Het tekortschieten in wederliefde bezorgt de mens pijn. Maar God vraagt niet van de mens wat hij niet kan geven. Het derde paar beschrijft de minne die als een storm de ziel ontwricht. En in het zevende of slothoofdstuk gaat het om het verlangen om samen met Jezus te zijn, niet uit vrees voor het leven noch om het leed te ontgaan.

   De mysticus worstelt niet met de vraag of God bestaat, hij weet dat God bestaat. Zijn enige probleem is: hoe beantwoord ik aan Gods liefde. Zijn enige verlangen is vereniging met God. De wetenschap doet dit af als een narcisistisch verlangen naar het leven na de dood, een vlucht.

   De metafysica is theoretisch waar de mystiek vlees en bloed wordt.

   Tijdens het vragenuurtje komt o.a. de thans veelgehoorde term ‘spiritualiteit’ op de proppen. Wat is de overeenkomst, of het verschil met metafysica en mystiek?

   Professor Berger: men moet de christelijke traditie present stellen. Spiritualiteit gaat om zingeving, zoeken naar identiteit, zoeken van stilte en vormen van zelfhulp. Dat mag allemaal heel nuttig zijn, maar het kan heel goed – en het gebeurt ook – buiten de christelijke traditie. Mystiek daarentegen, geeft meer zekerheid naarmate het geloof vaster is.

de voorzitter

 

 
    Terug