VERSLAG  
  SINT NICOLAAS ACADEMIE, 17 november 2007  
         
 

        HET ARISTOTELISCH THOMISME       

 
         
   
         
 

   Op zaterdag 17 november spreekt de heer Victor Ravensloot over Aristoteles en Thomas van Aquino. Hij doceert filosofie aan priesteropleiding van het bisdom Haarlem. Zijn boodschap is dat Thomas weer aristotelisch begrepen moet worden.

   Aristoteles personifieert de gezonde filosofie. Dat is de filosofie die uitgaat van het werkelijk bestaan der dingen, naar het Latijnse woord voor ding, "res", ook wel realisme genoemd. Aristoteles problematiseert de werkelijkheid net zo min als ons denken en ons kennen. Ook het platonisme wordt gekenmerkt door realisme en de daaruit afgeleide hogere werkelijkheid van de eeuwige ideeën. Maar veel filosofen die het (neo)platonisme volgen, houden een dualisme aan van stof en geest en laten de metafysische beginselen vooraf uit de (menselijk) geest komen in plaats van ze door verstandelijke belichting uit de gegevens van de zintuigen te halen. Dit dualisme leidde tot het latere materialisme, alsook tot het idealisme dat de werkelijkheid beschouwt als een product van onze waarneming. En bij dat laatste klampt de filosofie sinds Descartes en Kant aan, met alle nadelige gevolgen voor de gezonde aristotelisch-thomistische theologie. Die gezonde theologie gaat ervan uit dat God en zijn schepping kenbaar zijn door het gebruik van ons verstand in combinatie met de openbaring. Wij mogen, kort gezegd, vertrouwen op onze zintuiglijke waarneming en vanuit die waarneming mogen wij er met ons verstand van uitgaan dat er een bovennatuurlijke werkelijkheid of zijnsorde bestaat. Wat het "zijn" in zijn pure vorm is, behoort tot de metafysica. Het is het wezen in volle zin, de substantie van waaruit alles te verklaren is, zoals bijvoorbeeld de ziel – die de vormoorzaak is van het lichaam.

   Dus uit onze zintuigelijke waarneming leiden we begrippen af die met elkaar een eenheid vormen en waarbinnen de einddoelen liggen van de werkende oorzaken in de natuur. Alles in de natuur is in principe aanwezig: uit de kiem of het zaad komt de voltooiing van het ding dat in de kiem of het zaad gegeven is.

   Aristoteles herleidde alles tot een Eerste Oorzaak. Thomas benadrukt dat deze identiek is met de God van de Openbaring. Hij stelde de aristotelische filosofie in dienst van de bovennatuurlijk gekende geloofswaarheden. Ook de onsterfelijkheid van de ziel is al in beginsel aanwezig in de aristotelische filosofie via het reflecterend verstand.

   Aristoteles nam het eeuwig bestaan van de wereld aan. Thomas poneerde dat er een begin kan zijn, dus ook een eind. Dat is niet tegenstrijdig met, maar mogelijk binnen het aristotelisme. Belangrijk voor Thomas was ook de analogie-leer van Aristoteles: wat wij waarnemen kunnen wij begrijpen en daardoor kunnen wij iets van God weten. Bijvooorbeeld uit het goede en het ware in dingen en mensen kunnen wij afleiden dat God het Goede zelve en het Ware zelve is. Wij kunnen, aldus Aristoteles en Thomas, iets voldoende kennen, al kennen we het niet volledig. Kenmerkend voor de moderne filosofie is dat het kennen en het denken geproblematiseerd worden, en dat het bestaan van de werkelijkheid – en daarmee ook de bovennatuur – betwijfeld wordt.

   In de zestiende eeuw komen de volgelingen en becommentarieerders van Thomas aan het woord en in de zeventiende eeuw begint het rationalisme baan te breken. Het rationalisme gaat de dingen isoleren. Het theologische of metafysische verband waarbinnen alles met alles samenhangt wordt door het rationalisme onderuitgehaald. Pas diep in de negentiende eeuw begint de Katholieke Kerk met een herwaardering van Thomas. Maar tegelijkertijd gaan de nieuwe thomisten de uitdagingen aan van de moderne natuurwetenschap, en dat blijft niet zonder gevolgen. De nieuwe thomisten meenden ten onrechte rekening te moeten houden met de moderne kenkritiek. Het bestaan van de buitenwereld zou, zo niet bewezen, dan toch tenminste verwoord moeten worden. De zogeheten transcendentale thomisten kwamen in het vangnet van Kant terecht: het zichzelf te boven gaand menselijk oordelen vormt zich al strevend een begrip van de dingen. De theoloog K. Rahner baseerde zijn theologie hierop, waardoor geloofszaken een soort hogere menselijke gedachten worden. De theoloog M.D. Chenu introduceerde een op neoplatoonse motieven en op Hegel steunend historicistisch thomisme.

   Het gevolg was de val in het subjectivisme. De mens krijgt goddelijke kracht toegemeten en wordt maker van de dingen (ik ben een god in het diepst van mijn gedachten – zei de Nederlandse dichter Kloos.) Het menselijk verstand oversteeg zichzelf, de scheiding tussen natuur en bovennatuur vervaagde en de Openbaring werd terrein voor ieders eigen stempel. Dat had gevolgen voor de theologie en het Geloof. De eigen ervaring werd maatstaf. De wereld werd geest toegemeten. Het existentieel denken verdrong het essentieel denken. Bestaan werd primair ten opzichte van Zijn. Was de heilige leer nog wel een echte wetenschap? Eind achttiende eeuw al niet meer volgens Kant; nu ook niet meer volgens de nieuwe theologie. Het gaat niet meer, zoals vroeger, om het "blijvende", maar om de historische dynamiek. Er komt een existentieel thomisme dat ons ken- en denkvermogen ter discussie stelt en dat de nadruk legt op zelfbeleving en impliciete intuïtie en de bestaansvragen. De invloed hiervan op de theologen in en rond het Tweede Vaticaans Concilie is voelbaar, vooral in extreme gevolgen als het verschijnsel Schillebeekcx.

Victor Ravensloot roept op om het thomisme weer aristotelisch te begrijpen.

 

de voorzitter

 

  

 

 
    Terug