| VERSLAG | |||||
| SINT NICOLAAS ACADEMIE, 17 september 2011 | |||||
|
VATICAAN II ALS GEVOLG VAN WO II EN DE JAREN 60 hoe optimisme, humanisme en democratie het concilie opbraken Robert Lemm |
|||||
|
|
|||||
|
Optimisme bij opening concilie Optimisme verplicht. Die conclusie zou men kunnen trekken uit de toespraak van paus Johannes XXIII bij de opening van het Tweede Oecumenisch Vaticaans Concilie in 1962. De paus spreekt van ‘de huidige ontwikkelingen der menselijke gebeurtenissen, waardoor de mensheid een nieuwe ordening schijnt binnen te treden, en daarin openbaart zich een verborgen plan van de goddelijke voorzienigheid.’ ‘Niemand kan ontkennen’, vervolgt hij, ‘dat de nieuwe moderne levensomstandigheden tenminste het voordeel hebben dat ze talrijke belemmeringen wegnemen waardoor de kinderen van deze wereld vroeger de vrijheid pleegden te beperken.’ Vroeger, verduidelijkt de paus, was er een ‘ongeoorloofde inmenging van het staatsgezag en de vorsten van deze wereld in de oecumenische concilies’. En de politieke overwegingen van de machthebbers veroorzaakten geestelijke schade. In 1962, mogen we volgens de paus vaststellen, laat de Staat de Kerk met rust. Daarom heeft de Moederkerk – zegt hij aan het begin van zijn toespraak – reden tot jubelen. Helaas zijn er ook ‘personen die weliswaar van religieuze ijver branden, maar die menen dat de huidige verhoudingen van de menselijke samenleving slechts ondergang en onheil brengen. Ze beweren dat onze tijd in vergelijking met het verleden voortdurend slechter is geworden, en zo gedragen zij zich alsof ze niets van de geschiedenis geleerd hebben. Wij daarentegen, zijn een heel andere mening toegedaan dan deze onheilsprofeten.’ ‘De voornaamste opgave van het concilie is het heilige overgeleverde goed (depositum) van de christelijke leer met meer doeltreffende methoden te bewaren en te verklaren, en wel in het licht van de tegenwoordige tijd, rekening houdend met de nieuwe levensomstandigheden, de geweldige ontdekkingen van de menselijke geest en de vooruitgang van de wetenschappen.’ Paus Johannes XXIII heeft het volste vertrouwen dat dit 21ste oecumenisch concilie ‘op krachtige en uitstekende wijze wordt ervaren door specialisten in het kerkelijk recht, in de liturgie, in het apostolaat en in de bestuursaangelegenheden van de Kerk.’ ‘Thans’, betoogt hij ‘is het werkelijk noodzakelijk dat de hele christelijke leer in haar totaliteit in de huidige tijd door allen middels een nieuwe inspanning wordt aangenomen.’ En onder ‘allen’, verheldert hij, worden om te beginnen alle christenen verstaan, ook de niet katholieke. Vroeger waren concilies vooral bedoeld om dwalingen te weerleggen, maar nu – zegt de paus – ‘zou de bruid van Christus liever het geneesmiddel van de barmhartigheid aanwenden dan het wapen van de strengheid. Zij meent dat het meer in overeenstemming is met de heersende noden om haar krachtige leer uitvoerig te verklaren dan om veroordelingen uit te spreken.’ De paus prijst ‘de mannen van rang en waardigheid die uit de vijf werelddelen naar Rome zijn gekomen’ en hij stelt vast ‘hoe hemel en aarde zich in gemeenschappelijke arbeid verenigen’. Hij spreekt van een ‘nieuw Pinksteren’, een nieuwe uitstorting van de Heilige Geest. Toen paus Johannes XXIII een jaar later overleed, voorspelde de Belgische kardinaal Leo Jozef Suenens in een gedenkrede ‘dat hij de geschiedenis in zou gaan als de paus van de vriendelijke uitnodiging en de paus van de hoop, en daarom zal zijn goede en heilige nagedachtenis voor de komende eeuwen gezegend blijven.’ Achteraf zou diezelfde kardinaal Suenens – Templeton Prijs 1976 voor ‘nieuwe spirituele ontdekkingen’ (!?) en nauw betrokken bij de gebeurtenissen van 1962-65 - het Tweede Vaticaans Concilie typeren als breuk met de vierhonderdjarige traditie van Trente, zoals de Franse Revolutie van 1789 een eind maakte aan duizend jaar koningschap. Met die uitspraak had paus Johannes de kardinaal, met terugwerkende kracht, kunnen typeren als een van die ongewenste onheilsprofeten. Of was er bij de kardinaal, die veertig jaar na sluiting van het concilie stierf, sprake van voortschrijdend inzicht? Paus Johannes XXIII, die eens Angelo Guiseppe Roncalli heette, was niet altijd zo optimistisch als in 1962. In november 1940 bijvoorbeeld, na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en vlak voor zijn benoeming tot apostolisch nuntius in Frankrijk, noteert de dan zestigjarige in zijn Geestelijk Dagboek: ‘De dood en verderf zaaiende oorlog is niets anders dan een vergelding van de goddelijke gerechtigheid, want de heilige geboden, die de menselijke gemeenschap opgelegd waren, zijn overtreden en geschonden. God heeft de naties gemaakt, maar de vorming van de staten aan de vrije wil van de mensen overgelaten. Aan allen heeft hij de wetten van de burgerlijke samenleving gegeven. Het evangelie is daar het wetboek van. Maar Hij heeft slechts de verzekering en het voorrecht van Zijn bijzondere bijstand gegeven aan het volk der gelovigen, n.l. aan de H. Kerk. En ook al wordt Zijn Kerk door deze hulp bewaard voor iedere nederlaag, dan is dit toch geen garantie dat zij voor verschrikkingen en vervolgingen gespaard zal blijven. De levenswet voor de mensen en voor de volkeren bepaalt de rechtvaardigheid en het algemene evenwicht, de grenzen van rijkdom, genot en wereldlijke macht. Als deze wet wordt geschonden, volgen vanzelf de straffen, die vreselijk en onverbiddelijk zijn. Geen enkele staat ontkomt hieraan, en voor iedere staat komt dit ogenblik vroeg of laat… De oorlog is een van de meest verschrikkelijke straffen. Deze is niet door God gewild, maar door de mensen, door de naties, door de staten, door toedoen van hen die deze vertegenwoordigen. De aardbevingen, overstromingen, hongersnoden en ziekten zijn gevolgen van de blinde natuurwet, blind omdat de stoffelijke natuur geen begrip of vrijheid kent. De oorlog daarentegen, wordt door de mensen met open ogen gewild, de heiligste wetten ten spijt. Daarom is hij des te erger. Wie deze ontketent en aanwakkert is steeds de vorst van deze wereld, die niets uit te staan heeft met Christus, de vredevorst. En terwijl de oorlog losbarst, blijft er voor de volkeren niets over dan het Miserere en de overgave aan het erbarmen van de Heer. Opdat Hij de gerechtigheid zal laten zegevieren en met overdadige genade de machtigen van deze wereld weer tot inzicht zal brengen en in hen verlangen naar de vrede zal wekken.’ Dit realisme van 1940 contrasteert met de euforie van 1962. Niettemin waren er inmiddels de Korea Oorlog, de verdeling van Europa, de Koude Oorlog, de wapenwedloop. En indien de oorlog telkens weer met open ogen door de mensen wordt gewild, zoals Angelo Guiseppe Roncalli in zijn Geestelijk Dagboek moet constateren, waarop baseert hij dan als paus Johannes XXIII bij de opening van het Tweede Vaticaans Concilie zijn optimisme? Over de concrete verschrikkingen van de oorlog van 1940-45, en de betrokkenheid van het Vaticaan, zwijgt Roncalli in zijn Geestelijk Dagboek. En wanneer hij vijftien jaar later uitvoerig ingaat op de voorbereidingen van het concilie vinden we niets over de Holocaust. Paus Johannes XXIII wordt volkomen in beslag genomen door de grote audiënties, de vertegenwoordigingen uit alle landen die vol zijn van ‘geestelijke en godsdienstige bezieling, doortrokken van een zuiver en vroom enthousiasme, hetgeen een verheffende bijdrage is tot optimisme. De buitenlandse groeperingen die naar Rome stromen weten, aldus de paus, terstond onderscheid te maken tussen het heilige en het profane, en er is – signaleert hij – ‘een wederzijds respect voor de verschillende menselijke elementen, en geen greintje verbittering in de contacten tussen Italianen en niet-Italianen. Regering en stadsbestuur van Rome werken broederlijk samen om het Concilie waardig te zijn en de gastvrijheid van de plaatselijke autoriteiten is voorbeeldig.’… Tja, zou men kunnen zeggen, die hebben bij die toestroom van ‘mannen van rang en waardigheid uit de vijf werelddelen’ en de grote mediabelangstelling, economisch bekeken, best reden om gastvrij te zijn. Toppunt van optimisme is de pastorale constitutie Gaudium et Spes, die onder de opvolger van paus Johannes een utopisch beeld van mens en wereld geeft dat erg contrasteert met het vooroorlogse christendom. De mens wordt nu in staat geacht dieper in het inwendige van zijn eigen geest binnen te dringen, de realiteit beter te begrijpen, een “dynamische evolutiegedachte” te koesteren, op een wereldgemeenschap af te stevenen, de vrede te bevorderen en de oorlog uit te bannen door middel van internationale instellingen. De geest van deze pastorale constitutie staat diametraal tegenover de Syllabus errorum, honderd jaar eerder, van paus Pius IX.
Veranderde houding ten aanzien van de joden Paus Johannes XXIII had de twee wereldoorlogen meegemaakt en volgde in 1958 paus Pius XII op, wiens reputatie ernstig zou worden geschaad door het in 1963 in Berlijn opgevoerde toneelstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhuth. Dat stuk zou een enorme invloed hebben op de publieke opinie. Had de Kerk van Rome wel genoeg van zich laten horen tijdens de oorlogsjaren? Was de paus niet te kort geschoten in het veroordelen van de excessen van het nazisme? De discussie die hieromtrent ontbrandde pakte zeer nadelig uit voor de Kerk, ook al deed men nog zo zijn best om de achterliggende motiveringen en omstandigheden van paus Pius XII uit te leggen en te verdedigen. Dat Johannes XXIII met het verleden wilde breken, moge alleen al blijken uit het feit dat hij geen Pius XIII wilde zijn. En de concilievaders begrepen dat ze iets goed te maken hadden, ten einde het schuldgevoel, terecht of niet, van zich af te werpen. Het kan dus geen toeval zijn dat in de verklaring Nostra Aetate van 1965 de klassieke stelling versus de joden als schuldig zijnde aan de dood van Christus werd getemperd als niet slaande op de latere joden, en dat de joden niet langer werden voorgesteld als een door God vervloekt volk. Uit de liturgie van Goede Vrijdag verdween de formule ‘ontrouwe joden’. Voorts zouden de pausen van tijdens en na het concilie er alles aan doen om de relaties met de joden te verbeteren.
Eenheid en vrede In zijn openingsrede richt paus Johannes XXIII zich tot ‘alle christenen’, inclusief de niet katholieke, ofwel de orthodoxen en de protestanten. Dat was op het Eerste Vaticaans Concilie van 1870-71 nog niet het geval. Vanwaar deze handreiking? Vanwaar ineens de noodzaak om ook de afgescheidenen van de Moederkerk bij het 21ste oecumenisch concilie te betrekken? Zijn de protestanten nu geen ketters, en de orthodoxen geen scheurmakers meer? De paus beroept zich, zoals gezegd, op de barmhartigheid en op de wens dat alle christenen zich verenigen. Maar betekent dat dan dat de grote geschillen, die eeuwen lang hebben bestaan, nu ineens niet meer gelden? Of is dit een poging om via de dialoog de christenen van de ‘broederkerken’ naar de Moederkerk, de Enige Ware, terug te brengen? Als dat laatste de bedoeling was, dan mag men na een halve eeuw concluderen dat het mislukt is. Misschien is er meer tijd nodig, maar voorlopig lijken de in 1962 aangekondigde ‘nieuwe ordening van de mensheid’ en het ‘nieuwe Pinksteren’ niet te hebben opgeleverd wat men ervan verwachtte. De eigenlijke reden om de geschillen met de geloofsbroeders te minimaliseren, is wellicht een praktischere. Wanneer alle kerken aan invloed inboeten, heeft het meer zin om de overeenkomsten te benadrukken en een gezamenlijk front te vormen ten behoeve van de vrede. Parallel met de oprichting van de Verenigde Naties in 1948, was daartoe de Wereldraad van kerken opgericht. Toen twintig jaar later de kerken begonnen leeg te lopen, en dertig jaar later de secularisering gigantisch toenam, achtte het Vaticaan de tijd rijp om ook de dialoog aan te gaan met de moslims en andere religies ten einde een gezamenlijk vredesinitiatief te ontplooien in een wereld die gebukt ging onder oorlogsdreigingen die veel verder gingen dan de vroegere als gevolg van de geavanceerde technologie. In 1962, met de Cuba Crisis, wachtte men reeds in angst en beven op een atoomoorlog tussen de Sovjet Unie en de Verenigde Staten van Amerika. Katholieken en protestanten zouden gezamenlijk optrekken in vredesbewegingen. Later, in 1986, zouden onder auspiciën van paus Johannes Paulus II in Assisi alle godsdiensten samenkomen om voor de vrede te bidden. Dus hier geldt voor Rome: samen met de andere religies staan we sterker in een goddeloze en door oorlogsgeweld geteisterde wereld.
Democratie Gelijktijdig aan de gesprekken met de protestanten en de orthodoxen ontwikkelde zich de Vaticaanse ‘oostpolitiek’. Waar de Piussen nog zeer afkerig stonden tegenover het communisme, begint de opvolger van paus Johannes XXIII, paus Paulus VI, gesprekken te voeren met de regimes achter het IJzeren Gordijn. Die politiek was moeilijk te verkopen aan de ondergrondse kerken aldaar, maar de veranderde opinie in West Europa ten aanzien van het Oostblok maakte van de nood een deugd. Volgens diezelfde, linkse opinie was het (verslagen) fascisme veel erger dan het marxisme, en zo nam paus Paulus VI een kritische houding tegenover de katholieke Iberische dictators Franco en Salazar, die nog door paus Pius XI waren geprezen als strijders tegen het rode gevaar. Samenhangend met die kritische houding van paus Paulus VI, was zijn pleidooi voor vrijheid en democratie. Dat laatste is in zoverre opmerkelijk aangezien de Katholieke Kerk van huis uit een monarchie is met een oligarchische inslag. Door nadrukkelijk de democratie als de beste bestuursvorm voor de naties te onderschrijven, incorporeerde Rome die vorm ook, ongewild wellicht, binnen haar eigen organisatie. De plaatsbekleder van Christus op aarde, vroeger onbetwist hoofd van de Kerk, begon zich te gedragen naar wat de meerderheid van kardinalen en bisschoppen wenste. Hiermee daagde een toenemende invloed ‘van onderaf’, zoals in de protestantse kerken. Ex cathedra uitspraken, zoals de dogma afkondigingen van de pausen Pius IX en Pius XII, zouden even onvoorstelbaar worden als banvloeken over het ventileren van ketterse standpunten. De door paus Johannes XXIII gepropageerde barmhartigheid zou bevestiging vinden in de door paus Johannes Paulus II ingevoerde cultus rond een mierzoete voorstelling van de Barmhartige Jezus. Een andere uiting van meer vrijheid en democratie waar de jaren 60 op aanstuurden was de rol van de leken. Waar tijdens de jaren 50 in de parochies de pastoor en zijn kapelaans de touwtjes in handen hadden, kregen nu de parochieraden bestaande uit leken steeds meer in de melk te brokken. Hun inbreng werd mettertijd zo groot dat ‘pastorale werk(st)ers’ – een nieuw verschijnsel (leken met priesterfuncties die grote delen van de H. Mis voor hun rekening nemen) – mede konden bepalen hoe een parochie gerund moest worden. Katholieken die een tijd lang niets meer aan hun geloof hadden gedaan, en die op oudere leeftijd naar de Kerk terugkeerden, herkenden de Kerk van hun kinderjaren niet meer. Alles was compleet anders geworden, en daarmee werden de woorden van kardinaal Suenens bewaarheid: zoals de Franse Revolutie Frankrijk en Europa volkomen had veranderd, zo had het Tweede Vaticaans Concilie de Kerk volkomen veranderd. Waar vroeger de priester aan het altaar het offer van Jezus opdroeg met het gezicht naar God en de rug naar de gelovigen, vierde nu de priester of een pastorale werker aan een tafel de maaltijd met het gezicht naar de gelovigen. Waar vroeger aan de communiebank werd geknield om eerbiedig het lichaam van Christus op de tong te ontvangen, kreeg men nu staande de hostie in de hand gedrukt door eventueel een pastoraal werkster. De jaren 50 vertoonden nog het beeld van de Kerk van vóór de oorlog. Het waren de jaren van de naoorlogse wederopbouw, later vaak de ‘gesloten jaren’ genoemd. De katholieken leefden gescheiden van andere gezindten en politieke partijen, in hun eigen zogeheten `zuil’. Dat zij gezegd voor landen waar katholiek en protestant samenwoonden. In katholieke landen lag het natuurlijk anders. Maar ook daar kan men spreken van een gesloten burgerlijke samenleving, hiërarchisch geordend, waar alles draaide om gezin en familie, vaste kerkgang op zondag, veel vrije dagen voor kerkelijke feesten, processies, uitgebreide vieringen en openbare manifestaties in de Heilige Week. In sommige van oudsher katholieke landen is dat laatste nog steeds zo, maar het folkloristische en toeristische staat daarbij nu op de voorgrond, net zoals dat men het nog mooi vindt om in de kerk te trouwen, of zich door de kerk te laten begraven. Dat maakt deel uit van de ‘cultuur’. Kathedralen zijn musea geworden, zoals de Matthaeus Passie van Bach en de Messiah van Händel vooral om hun muzikale kwaliteit waardering vinden. Toch waren er in die gesloten, schijnbaar brave jaren 50 al de kiemen van de revolutie van de jaren 60, nog onzichtbaar voor het grote publiek, maar al voelbaar in kringen van theologen op de universiteiten. Het kritisch historisch onderzoek van de Bijbel en het existentialisme, van respectievelijk protestantse en filosofische huize, waren de collegezalen van katholieke academische instellingen binnengedrongen. Gekoppeld aan het marxisme en de aanstaande studentenopstanden, broeide er een sfeer waarin iedere vorm van autoriteit of leergezag verdacht was. Het maatschappelijk systeem moest op de schop, dus ook het kerkelijke. In de hogere leergangen moesten de ‘klassieken’ wijken voor de ‘modernen’, zoals in de Kerk de dogma’s ter discussie werden gesteld. Eigentijds zijn en aanpassing aan de behoeften van het moment, luidde het parool. Het Tweede Vaticaans Concilie muntte de term ‘aggiornamento’, moderniseren, ‘bij de dag brengen’. De term is van paus Johannes XXIII. Nu is het kenmerkende van de Kerk bij uitstek dat ze boven de tijd wil staan, verticaal, in verbinding met het eeuwige. Het versteende Latijn, de universele mistaal van de Moederkerk en drager van de overgeleverde kerkelijke leer, was daarvan de duidelijkste uiting. Het opgeven van de oude Latijnse Mis onder paus Paulus VI en de invoering van de zogeheten Novus Ordo, waarbij niet alleen de volkstalen in vrije bewerkingen ingang vonden, maar ook veranderingen in de leer, was net zo’n breuk met het verleden als de naam van paus Johannes XXIII. Tot dan toe had de traditionele liturgie een organische groei gekend, met in de loop der tijd kleine aanpassingen. De Novus Ordo daarentegen, was een revolutie in de jaren van revoluties. Alom maakten de oude gezagsverhoudingen plaats voor inspraak en medezeggenschap. Meer democratisering, klonk de roep uit veler monden. Het waren de jaren van de seksuele bevrijding, van feminisme en homo emancipatie, terwijl de Kerk worstelde met echtscheiding en de introductie van de anticonceptiepil, later te volgen door abortus en euthanasie. Met zijn encycliek Humanae Vitae van 1968 hield paus Paulus VI vast aan de overgeleverde zedenleer dat seksualiteit en voortplanting onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Er was geen ruimte voor de pil, alleen voor natuurlijke onthouding. Echtscheiding bleef alleen mogelijk in bijzondere gevallen. Later is de grote leegloop in de Kerk vaak toegeschreven aan deze encycliek. De kurk was van de fles, en de Kerk had het nakijken. Want door de democratisering had de paus veel van zijn gezag verloren, en op de werkvloer roerden zich tal van priesters en ook bisschoppen die het niet met de paus eens waren, en daar openlijk uiting aan gaven. Bleef paus Paulus VI op zedelijk gebied vasthouden aan de traditie, op politiek terrein liet hij zich van een progressieve kant zien. Onder zijn pontificaat komt de bevrijdingstheologie van de grond, die vooral in het katholieke Latijns Amerika ruimschoots ingang vond. In die landen had de Kerk van oudsher achter de gevestigde orde gestaan, maar die orde was dictatoriaal en corrupt, en hield een diepe kloof in stand tussen een kleine puisant rijke bovenlaag en verpauperde massa’s. Daartegen was in 1959 de Cubaanse Revolutie uitgebroken, met in haar kielzog het optreden in Bolivia van Che Guevara, en in Colombia van de priester-guerrillero Camilo Torres. Vooral die laatste kreeg veel steun vanuit katholieke instellingen in Europa. Men vond dat de Kerk van Rome openlijk de kant van de armen moest kiezen en niet moest terugdeinzen voor samenwerken met marxistische groeperingen die een totale maatschappelijke omwenteling beoogden. Binnen de Latijns-Amerikaanse landen raakte de katholieke Kerk verdeeld tussen een episcopaat dat overwegend de bezittende klasse steunde en heel wat priesters op de werkvloer die met beroep op Jezus voor sociale rechtvaardigheid streden. Kerk en Staat mochten in Europa gescheiden zijn, in katholiek Latijns Amerika was dat veel minder het geval, en dat hield in dat er slachtoffers vielen. Het meest illustere is de aartsbisschop van San Salvador, Óscar Romero, die in 1980 in zijn kathedraal werd neergeschoten door doodseskaders met verhulde steun van het Witte Huis. Maar dan is het geduld van Rome met de bevrijdingstheologie op. Want inmiddels is paus Johannes Paulus II aangetreden, en die heeft als Pool slechte ervaringen met het marxisme. Samen met de Amerikaanse president Ronald Reagan speelt hij een hoofdrol in het neerhalen van de Berlijnse Muur en de val van de communistische regimes in het Oostblok.
De tijdgeest We mogen concluderen dat het opinieklimaat van de jaren 60 een stempel heeft gedrukt op de veranderingen in de Kerk door het Tweede Vaticaans Concilie. Maar de tijdgeest bestond in het verleden ook voor het Concilie van Trente, van 1545-1563. Dat was er niet geweest zonder de Reformatie, ofwel de protestantse revolutie van Luther en Calvijn. Zo was ook het Eerste Vaticaans Concilie van 1870-71 een gevolg van de liberale revolutie die tot het verlies van de Kerkelijke Staat zou leiden. Insgelijks geldt voor het Tweede Vaticaans Concilie de invloed van de Tweede Wereldoorlog en de democratisering van de jaren 60. De tijdgeest is dus een bepalende factor. Protestantisme, liberalisme en democratie zijn de voornaamste trends die de drie concilies opriepen. Maar er is een groot verschil met de twee voorafgaande concilies. Door de eerste twee werden achtereenvolgens het protestantisme en het liberalisme keihard veroordeeld als strijdig met het leergezag. Protestantisme en liberalisme werden gezien als niet alleen religieuze, maar vooral ook politieke ketterijen. Tijdens het laatste concilie werd daarentegen, de woorden van paus Johannes XXIII indachtig, de barmhartigheid van kracht. De protestanten waren ineens geloofsbroeders, het liberalisme was geen gevaar meer en de scheiding van Kerk en Staat, nog op het Eerste Vaticaans Concilie in 1870 verworpen als tegen de wil van de Kerk opgedrongen door de liberalen, werd ondertekend door de concilievaders van 1962-65 als zijnde een goed. Alleen op zedelijk gebied deed Rome haar best om voet bij stuk te houden. Maar het missionaire karakter week voor de dialoog, ook al wordt dat door de paus niet officieel toegegeven. Het katholicisme heeft politiek en sociaal gezien zijn impact verloren, en in plaats van daarover te treuren, of het boetekleed aan te trekken, ziet men de Kerk op heel wat terreinen achter de tijdgeest aanlopen. Vooral op het terrein van het humanisme. Ideeën als mensenrechten, waardigheid van de mens en afschaffing van de doodstraf zouden de concilievaders van het Eerste Vaticaans Concilie niet hebben begrepen. De gangbare en meeste gehoorde opvatting in het midden van de Kerk is dat het Tweede Vaticaans Concilie geaccepteerd moet worden. De standaardopvatting luidt dat het concilie goed bedoeld was, maar dat er misbruik van gemaakt is. Dat laatste is gezegd tegen de modernisten, ofwel tegen een overdreven optimisme ten aanzien van de wereld of de tijd. Het modernisme werd in het eerste decennium van de twintigste eeuw met duidelijke argumenten weerlegd door paus Pius X. De modernistische theologen wilden, tegen het gangbare thomisme, van het geloof een kwestie van de persoonlijke ervaring maken en vonden dat godsdienst en wetenschap twee gescheiden gebieden zijn. Deze trend bleef evenwel nog beperkt tot het academisch circuit. Het neo-modernisme dat zich via het Tweede Vaticaans Concilie kenbaar maakte, raakte ook het midden en ten slotte de onderkant van de Kerk. Het pleit o.a. voor afschaffing van het celibaat en vrouwelijke priesters. Dat laatste heeft het niet gehaald, maar de mogelijkheid is groot dat bij een eventueel Derde Vaticaans Concilie het celibaat optioneel wordt en er getrouwde en vrouwelijke priesters komen. Dat zou neerkomen op een nog verder doorgevoerd modernisme. Het ene uiterste roept altijd het andere uiterste op. Op actie volgt reactie. En zo is het tweede gevaar dat volgens het midden de Kerk bedreigt, het zo genoemde traditionalisme. De middengroeperingen in de Kerk beschuldigen wat zij de ‘traditionalisten’ noemen ervan terug te willen naar de negentiende eeuw en zich te beroepen op het concilie van Trente, de anti-liberale Syllabus errorum van paus Pius IX en de anti-modernisten eed van paus Pius X, alsof – betogen de nieuwe theologen - de tijden niet waren veranderd, alsof gedane zaken geen keer namen, alsof de klok kon worden teruggezet. De traditionalisten willen dat Rome vasthoudt aan het adagium dat er buiten de Moederkerk geen redding is. Voorts zijn ze, in weerwil van de maatschappelijke veranderingen, tegen de acceptatie van de scheiding van Kerk en Staat, de vrijheid van godsdienst en de dialoog met de protestanten en de andere godsdiensten. In plaats van dat laatste benadrukken zij de missie. De meest uitgesproken traditionalistische groepering is de Priesterbroederschap St. Pius X, in 1970 gesticht door de Franse aartsbisschop Marcel Lefebvre en in 1988 door paus Johannes Paulus II in de ban gedaan vanwege bisschopsbenoemingen door Lefebvre. In 2009 werd door paus Benedictus XVI de ban voor de vier Pius X bisschoppen opgeheven. Sindsdien zijn er gesprekken gaande tussen het Vaticaan en de Broederschap, maar het is onwaarschijnlijk dat die spoedig tot resultaten zullen leiden. Het Vaticaan eist van de Broederschap dat zij het Tweede Vaticaans Concilie onderschrijft, en dat zal ze niet doen voor zover het niet te rijmen is met de Kerk van de afgelopen 450 jaar.
Paus Benedictus XVI In 1975 maakte de toenmalige Joseph Ratzinger, vooraanstaand Duits theoloog die aan het Tweede Vaticaans Concilie had deelgenomen en de vernieuwingen met enthousiasme had begroet, de balans op van tien jaar na dato. Van zijn aanvankelijk optimisme is niets meer over. ‘Wat de Pausen en de Concilievaders verwachtten’, erkent hij ‘ was een nieuwe katholieke eenheid. Men had gehoopt op een nieuw elan, men had verwacht een stap naar voren te doen… en men zag zich geplaatst tegenover een voortschrijdend proces van verval…De Kerk had verzuimd zich af te wenden van dwalingen… Maar zowel de progressieve, als de conservatieve vleugel’, waarschuwt hij ‘dienen op afstand te worden gehouden. Die laatste wijst het concilie aan als oorzaak van het verval, als afval van het Eerste Vaticaans Concilie en het Concilie van Trente. Tegenover zowel progressief als conservatief moet echter op de eerste plaats worden vastgesteld dat Vaticanum II gedragen wordt door dezelfde autoriteit als voornoemde concilies. Wie dat concilie afwijst, negeert het gezag waarop beide andere concilies berusten, en maakt ze daarmee los van het fundament. En dit geldt voor het zogenaamde traditionalisme’ (Katholieke Stemmen, september 1987). Tien jaar later - Ratzinger is achtereenvolgens kardinaal en prefect voor de Congregatie van de Geloofsleer geworden - verschijnt zijn boek Zur Lage des Glaubens, een interview met journalist Vittorio Messori. Het verval is nog verder toegenomen, maar de traditionalisten krijgen geen gelijk. Er is geen terug naar wat voorbij is. Er bestaat daarentegen, een continuïteit. De progressieve groeperingen acht de prefect voor de Geloofsleer minder gevaarlijk dan de conservatieven: ‘De afdwalingen naar links vertegenwoordigen weliswaar een brede stroom van het huidige denken en handelen in de Kerk, maar zij hebben nergens een gemeenschappelijke, juridisch grijpbare vorm aangenomen. De beweging van Aartsbisschop Lefebvre is weliswaar in getallen uitgedrukt veel minder breed, maar zij heeft een duidelijk afgebakende juridische ordening, seminaries, kloosters, enz. Het spreekt voor zich dat alles gedaan moet worden om te voorkomen dat deze beweging in een schisma terechtkomt, wat het geval zou zijn als Mgr. Lefebvre zou besluiten over te gaan tot een bisschopswijding’…(Katholieke Stemmen, oktober 1987). De prefect van de Geloofsleer, kardinaal Ratzinger, vervolgt: ‘Het tweede Vaticaans Concilie had gelijk met te wensen dat de relaties tussen Kerk en wereld zouden worden herzien. Er zijn inderdaad waarden die, ook als ze buiten de Kerk zijn ontstaan, hun plaats – zij het gezuiverd en rechtgezet – in de kerkelijke kijk op de dingen kunnen vinden.’ Ratzinger zegt niet welke die waarden zijn. Wel moet hij constateren dat niet de christenen zich tegen de wereld keren, maar dat de wereld zich tegen de christenen keert, en daarom vindt hij het tijd geworden om ‘de moed tot het non-conformisme weer te ontdekken’ Waar die moed uit blijkt, en wat er van de wereld kon deugen om aanvankelijk via het concilie de deuren naar de wereld te openen, wordt niet nader omschreven. Maar de prefect troost zich met de gedachte dat de ‘ware betekenis van het Tweede Vaticaans Concilie nog niet is begrepen’ en dat die pas in de toekomst zal blijken. Hij spreekt van een ‘restauratie vooruit’. Maar – waarschuwt hij - de christen moet ‘realistisch’ zijn en de ‘fase van onrealistische euforie’ en de ‘sfeer van optimisme en vertrouwen in de vooruitgang’ achter zich laten. ‘Het gebed van Paus Johannes dat het Concilie voor de Kerk een sprong vooruit zou zijn, is niet verhoord’ (Katholieke Stemmen, november 1987). Die laatste uitspraak is veelzeggend. Het optimisme van paus Johannes – geeft kardinaal Ratzinger twintig jaar later toe – was nergens op gebaseerd. Maar lag dat, naïeve, optimisme dan niet ten grondslag aan het Tweede Vaticaans Concilie als medebepaald door de euforische jaren 60? De prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer ziet liever lichtpunten, en dat zijn de charismatische bewegingen, zoals het Neo-katechemunaat, Cursillo, Focolare, Communione e Liberazione…, jonge mensen met een ongedwongen keuze voor het hele geloofsgoed. Minder positief beoordeelt hij het kerkbegrip van de na-conciliaire periode. Velen blijken de Kerk niet nodig te vinden, of beschouwen haar als een puur menselijk bouwwerk, en dan wordt ten slotte ook het geloof een kwestie van willekeur. Het Tweede Vaticaans Concilie introduceerde het begrip van Kerk als ‘Volk van God’, onderweg. Het begrip van de Kerk als Lichaam van de Heer werd minder voelbaar. ‘Maar’, benadrukt Ratzinger, ‘ de Kerk van Christus is geen partij, geen vereniging, geen club; haar diepe en niet op te heffen structuur is niet democratisch, maar sacramenteel, en bijgevolg hiërarchisch’ (Katholieke Stemmen, december 1987). In 2000 stelde kardinaal Ratzinger, prefect van de Geloofsleer, een aantal moderne gebruiken in de na-conciliaire liturgie aan de kaak. Zo uitte hij in zijn werk De Geest van de liturgie, een Inleiding, zijn misnoegen over de viering van de H. Mis door de priester met het gezicht naar het volk, alsmede de nadruk op het maaltijdkarakter. Voorts bepleit hij de communie op de tong, geknield, en noemt hij de sinds de jaren 60 ingevoerde vredesgroet tijdens de H. Mis storend (Katholieke Stemmen mei-juni 2000). Helaas heeft de democratisering, zoals eerder gezegd, het gezag van een paus danig uitgehold. En zo is het onwaarschijnlijk dat aan de voorgestelde ‘restauratie naar voren’ op grote schaal gehoor zal worden gegeven. Zo is ook het toestaan van de traditionele eredienst sinds het motu proprio van juli 2007 alleen op heel kleine schaal ingewilligd. De meeste bisschoppen voelen er niets voor, en bisschoppen laten doorgaans het oor hangen naar hun staven en naar de meerderheid. Al Johannes Paulus II had via een indult en een motu proprio in respectievelijk 1984 en 1988 de Tridentijnse Mis niet alleen toegestaan, maar er bij de bisschoppen op aangedrongen om in dezen ruimhartig te zijn. Het verzoek van de Heilige Vader werd niet noemenswaardig ingewilligd. Eens te meer wreekt zich hier het idee van democratie. Als Paus Benedictus XVI probeert Joseph Ratzinger in het midden te blijven en tegelijk de traditie tegemoet te komen. En aangezien het om veel meer gaat dan alleen de liturgie, heeft hij wat hij noemt een ‘hervorming van de hervorming’ op zich genomen, wat erop neerkomt dat hij de teksten van het concilie van 1962-1965 tegen het licht van de traditie houdt ten einde de moderne interpretaties van die teksten uit te zuiveren. De paus wil niet dat het Tweede Vaticaans Concilie gezien wordt als een breuk met het verleden van de Kerk, en hij doet zijn uiterste best om de continuïteit te handhaven. Dat wil zeggen dat hij er alles aan doet om het concilie van 1962-65 in te passen in de tweeduizendjarige geschiedenis van de Kerk. Hij gaat dus niet mee in de vergelijking van het Tweede Vaticaans Concilie met de Franse Revolutie door kardinaal Suenens.
Conclusie Democratie, optimisme en humanisme zijn strijdig met de Kerk van alle tijden. Tegenover democratie staan hiërarchie, orde en gehoorzaamheid aan het leergezag. Tegenover het optimisme staat de wereldafzwering of wereldverachting. G.K. Chesterton, de laatste kerkvader, zei het, met beroep op Paulus, kernachtig: de christen is pessimistisch te aanzien van het tijdelijke of de wereld en optimistisch ten aanzien van de uiteindelijke afloop, daarmee doelend op onze lotsbestemming in de eeuwigheid. Het humanisme ten slotte, is wellicht het gevaarlijkste. Het lijkt in een aantal opzichten goed te sporen met het Evangelie. Jezus Christus is inderdaad een vredevorst, maar hij is ook het zwaard komen brengen. Hij is niet alleen een lam, maar ook een leeuw, zoals heel goed is begrepen en getoond door C. S. Lewis, de grootste apologeet van het christendom van (nog net) de tweede helft van de twintigste eeuw.
Bibliografie - Johannes XXIII, Geestelijk Dagboek (Il Giornale dell’Anima), Lannoo, Tielt/Den Haag, 1965 - Gaudium et Spes, Nederlandse vertaling, uitgave Katholiek Archief, De Horstink, Amsersfoort, 1965 - Lumen Gentium, Nederlandse vertaling, uitgave Katholiek Archief, De Horstink, Amersfoort, 1965 - Het Tweede Vaticaans Concilie, balans na 50 jaar, Communio. Internationaal Katholiek Tijdschrift, 2011 - Katholieke Stemmen, sep., ok., nov., dec. 1987, mei-juni 2000
de voorzitter
|
|||||
| Terug | |||||