VERSLAG  
  SINT NICOLAAS ACADEMIE, 18 april 2009  
         
 

            De Onbevlekte Ontvangenis

           Pater Peter van de Kerckhove

 
           
   

 
         
 

   De Onbevlekte Ontvangenis van Maria was in de XIIIe en XIVe eeuw een strijdpunt tussen dominicaanse en franciscaanse theologen. Zij onttrokken hun argumenten aan uitspraken van kerkvaders en standpunten uit handboeken die op de universiteiten en seminaries verplichte leerstof waren. Men denke aan de "Sententies" van Petrus Lombardus, de "Quaestiones Disputata" en de "Summae", waaronder die van Thomas van Aquino de bekendse zijn.

   Men zocht in de H. Schrift naar aanknopingspunten voor de staat en de positie van Maria. De meest geciteerde plaatsen zijn de Vrouw wier kroost de kop van de slang verplettert uit Genesis 3, de aankondiging door de aartsengel Gabriël met de woorden ‘gezegend zijt gij, vol van genade’, de begroeting door Elisabeth ‘de gezegendste onder alle vrouwen’, het ‘tota pulchra es, amica mea’ uit het Hooglied en de Vrouw met de zon bekleed, de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren rond haar hoofd uit Apocalyps 12. Alleen een zondeloze kan de duivel verslaan, en een met de zon beklede is smetteloos.

   Alle argumenten ten gunste van de Onbevlekte Ontvangenis zijn impliciet. Men sprak in de Middeleeuwen van de ‘heiliging van Maria’, nog niet over haar onbevlekte ontvangenis. Haar pleitbezorgers betoogden dat zij vrij was van de "fomes peccati", de aanzet tot zondige begeerte die iedere mens kenmerkt. De tegenstanders geloofden dat niet, want was ze dan nog wel een mens? In de discussie vroeg men zich af of zij vóór, dan wel ná haar ontvangenis gezuiverd was. Dit gebeurde mede onder invloed van de toenmalige opvatting dat er een tijdsverloop bestond tussen de daadwerkelijke verwekking en de intrede van de ziel in de foetus. Tegenwoordig ziet men die als gelijktijdig. Over het algemeen eindigden de debatten in afwijzing. Heiligen als Albertus de Grote, Bonaventura, Bernardus van Clairvaux, Anselmus van Canterbury vonden een dogmatisering van de "onbevlekte ontvangenis" onwenselijk, ook al waren er argumenten ten faveure. Vroege kerkvaders als de heilige Augustinus en de heilige paus Leo I geloofden niet dat Maria vrij was van de erfzonde. Zij moest er net zo van verlost worden als ieder ander mens. Men vond dus over het algemeen dat Maria verlossing nodig had.

   Toch is het idee van de geslachtsdaad zonder begeerte, en tot meerdere glorie van God, al oud, en bestaand onder de joden. Het was onder Engelse franciscanen in de XIIIe eeuw dat dit idee postvatte. Ten aanzien van Johannes Doper leefde de gedachte dat zijn opspringen in de schoot van zijn moeder Elisabeth bij de ontmoeting met de van Jezus zwangere Maria, hem bevrijdde van de erfzonde. In dat geval moest de moeder van Jezus zeker bevrijd kunnen zijn van de erfzonde. Het moeilijke punt voor de theologen was evenwel hoe Jezus als universeel Verlosser te vieren, als Maria geen verlossing behoefde. Oplossing: voor God is niets onmogelijk. En bovendien: Waren Adam en Eva soms niet zonder zonde voordat zij van de boom van de kennis aten? Maar die eerste mensen hadden in elk geval de zonde in aanleg, de "fomes peccati". En die had de Moeder van God niet. Als Jezus de Nieuwe Adam was, dan was Maria de Nieuwe Eva: de volmaakte prototypen waarvan de eerste mensen onvolmaakte afgietsels waren. Dit idee daagde al bij zeer vroege kerkvaders als de heilige Justinus en de heilige Irenaeus. Maar hoe Maria’s zondeloosheid te rijmen met Paulus’ uitspraak dat alle afstammelingen van Adam kinderen van de toorn zijn? De in de natuur ingebakken voortplanting maakte de mens per definitie debet aan de erfzonde, en dus verlossing behoevend.           

   Ondertussen ging de volksdevotie gewoon haar eigen gang, los van de theologische disputen. De franciscanen stonden daar dichtbij, en zo kon het voorkomen dat het feest van de Onbevlekte Ontvangenis al eeuwen vóór 1854 gevierd werd in bijvoorbeeld Spanje, Sicilië en delen van Engeland. De grootste voorvechter is de Schotse franciscaan Johannes Duns Scotus, die pas in 1993 is zalgverklaard door paus Joannes Paulus II. Die late erkenning is typerend voor de lange strijd die aan het dogma van 1854 vooraf is gegaan. Duns Scotus’ centrale gedachte is de "preventieve verlossing", gelanceerd rond 1300 in Oxford. Maria werd bijvoorbaat voorbehoed voor, of op voorhand gevrijwaard van de erfzonde. In de omschrijving van het dogma door paus Pius IX heette het dat ze nooit de erfzonde gehad heeft, dus nooit verlossing nodig heeft gehad. In hoeverre de gedachte van de "preventieve verlossing" van Duns Scotus zelf kwam, of is ingeblazen door een bisschop van Lincoln (Robert Grosseteste), of door de theoloog Alexander van Hales, weten we niet.

   Maria is in de schoot van haar moeder gezuiverd van de erfzonde, of liever: direct bij haar verwekking. Vanaf het eerste moment van haar ontvangenis, luidt het in de bewoordingen van Pius IX. 

   Het zou beter zijn geweest als de mens niet had gezondigd. Maar dan nog was God mens geworden. De verlossing van de mens maakte de menswording noodzakelijk. Maar de menswording op zich is, aldus Duns Scotus, het oerplan van God: de "Incarnatio Per Se Intenta", de menswording is doel op zich. Gaat men van die gedachte uit, dan ontvouwt zich de mariologie of leer van Maria vanzelf, want niemand is meer bij de menswording betrokken dan zij. En de val van de engelen onder Lucifer is te verklaren doordat zij zich tegen Gods plan om mens te worden, verzetten.

 

de voorzitter

 

 
    Terug