| VERSLAG | |||||
| SINT NICOLAAS ACADEMIE, 18 september 2010 | |||||
|
HET HIERNAMAALSRobert Lemm, voorzitter van de Academie |
|||||
|
|
|||||
|
Proloog "En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars" (1 Korintiërs 12; 28). "Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen. Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen. Want gij kunt alleen één voor één profeteren, opdat allen leren en allen opwekking erdoor ontvangen" (1 Korintiërs 14; 29-31). In deze twee uitspraken staan de profeten een trede hoger dan de leraren. Ze verdienen dat de gemeente naar ze luistert en van ze leert. In 2 Korintiërs 12;1-4 vertelt Paulus over iemand die tot in de derde hemel werd opgerukt – in het lichaam, of daarbuiten, dat weet hij niet – en dat hij daar, in het paradijs, onuitsprekelijke dingen heeft gehoord, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken. Paulus zelf blijkt ook zulke ervaringen te hebben gehad, maar daar wil hij zich niet op beroemen. In Kolossenzen 3;1-2 spoort de apostel ons aan de dingen te zoeken die boven zijn, waar Christus is gezeten, aan de rechterhand Gods. In Efeziërs 2;6 staat dat Christus de wederverwekten plaatsen heeft gegeven in de hemelse gewesten. Hoe die hemelse gewesten eruit zien, en hoe men zich de wederverwekten kan voorstellen, is wat profeten ons vertellen. Door de profetie brengt God nadrukkelijk bepaalde dingen naar voren, waar we anders misschien aan voorbij zouden gaan. Vervolgens mogen de leraren of theologen bepalen of het naar voren gebrachte of geziene in overeenstemming is met de kerkelijke leer. De bedoeling is dat profetie en theologie hand in hand gaan. Dat hoeft niet per sé. Het boek "Dood en eeuwig leven" bijvoorbeeld, van kardinaal Joseph Ratzinger, laat de profetie buiten beschouwing. Daarin lezen we: ‘wij kunnen ons geen voorstelling maken van het hiernamaals’. Toch zijn er mensen geweest, of we ze profeten noemen of niet, die daar wèl voorstellingen van geven. Hoe komt het dat er in de Kerk weinig gesproken wordt over het hiernamaals? Een belangrijk deel van de verklaring schuilt in het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Met het zogeheten aggiornamento, de opening naar de wereld, richtte de Kerk de aandacht op de aarde en op wat daar te verbeteren valt. Het oude ‘wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel te komen’ week voor de solidariteit. Het medemenselijke, de waardigheid van de mens, de mensenrechten en het streven naar sociale rechtvaardigheid kwamen op de voorgrond. De christen moest zich engageren met politieke bewegingen en programma’s die de vooruitgang van het mensdom centraal stellen. De Kerk was met andere kerken "samen op weg" naar een menswaardige toekomst op aarde. Er zijn in de geschiedenis van het christendom eerder vergelijkbare verschuivingen geweest. In wat men later de Renaissance heeft genoemd, kwamen de mens en de wereldverbetering op de voorgrond nadat de God-gerichte Middeleeuwen sterk het memento mori (gedenk dat gij zult sterven) en de contemptus mundi (wereldverachting) hadden benadrukt. Het optimisme van Vaticaan II wordt nu, na een halve eeuw, getemperd door een terug naar de traditie waarbinnen bezinning op onze sterfelijkheid en het leven na de dood weer aandacht krijgen. We gaan immers allemaal dood, en het is inherent aan het wezen van het christen-zijn om ons daarop voor te bereiden. ***
Aan angst voor het niets en het niet begrijpen van de dood hebben vele godsdiensten hun oorsprong te danken. Alle godsdiensten beloven beloning voor wie goed, en straf voor wie slecht leeft. Aldus ontstond het geloof aan hemel en hel. De enkel nieuwsgierige mens koppelt het geloof aan het hiernamaals los van de deugd. In het contact met de geesten van overledenen ziet hij zijn voortbestaan verzekerd. De godsdienstige mens - dat is degene voor wie geloof en deugd onlosmakelijk verbonden zijn - gaat het om zijn lot of bestemming in het hiernamaals. De duivel en de boze geesten - redeneert hij - geloven immers ook in het eeuwige leven. Spiritisme is voor de religieuze mens een vorm van louter nieuwsgierigheidsbevrediging. Veel mensen compenseren hun doodsangst of angst voor het niets met een wereld van licht en liefde na het aardse bestaan, of ze troosten zich met de gedachte van reïncarnatie. Om het oordeel dat zijn uiteindelijke bestemming bepaalt, lijkt hij zich minder te bekommeren. Het vage gevoel van iets moois na de dood is hem genoeg. Hebben niet talloze geesten beweerd hoe heerlijk het aan gene zijde is vergeleken met het sterfelijk bestaan? En ook al beweren sommige geesten dat ze zich in een ongelukkige staat bevinden, voor de spiritist gaat het er voornamelijk om dat het leven doorgaat, dat met de dood niet alles ophoudt. De spiritist en de parapsycholoog zoeken wetenschappelijk bewijzen voor een objectief bestaande werkelijkheid buiten onze zintuiglijke waarneming. Wie aan het hiernamaals gelooft, komt al gauw in de sfeer van New Age. Net als de "ziel" en "God" en de "Duivel", behoort ook het "hiernamaals" tot de onderwerpen waar de zogenaamd verlichte en verstandige mensen hun schouders voor ophalen. Men denkt daar hoogstens voor zichzelf aan, of men praat erover met mensen die men vertrouwt. Stel je voor dat een leraar op school of een professor op de universiteit daar serieus over zou doceren; hij zou meteen ontslagen worden, of op de vingers getikt; men zou hem snel aan zijn verstand brengen dat zulke onderwerpen ongeschikt zijn voor het wetenschappelijk onderwijs (waar men wèl over het "milieu", de "identiteit van minderheden", "seksualiteit", "informatica", etc... praat, alsof zulke onderwerpen boven iedere subjectiviteit verheven zouden zijn.) De moderne mens gelooft in proefondervindelijk onderzoek en in de statistiek; het probleem is alleen dat wat bewijsbaar is nooit het "wezenlijke" van de mens raakt, nooit antwoord geeft op de levensvragen, het waarom van de wereld, het lijden, de zin van het bestaan et cetera...Het gevolg is dat degenen die verder willen denken door de Kerk aan hun lot zijn overgelaten, zelf op zoek moeten. En dat betekent dat ze zich buiten het officieel en algemeen aanvaardbare moeten begeven. En zo komt men in de schemering van occultisme en esoterisme, daar waar het gezonde verstand door de knieën gaat voor allerlei mysterieuze krachten die ons zouden beheersen en in het doorgronden waarvan ons lot of geluk besloten zou liggen. De markt heeft gretig op de behoeften van al die zoekers en nieuwsgierigen ingespeeld. Als een soort stille kracht sluipen ontelbare boeken over het hiernamaals door de huiskamers van mensen die een paar decennia geleden nog trouw naar de kerk gingen. Ervaringen via mediums van overledenen, herinneringen aan vroegere levens, gesprekken met van ginder teruggekeerden, kortom: alles wat is opgeschreven om het hiernamaals aan te tonen voor mensen die daaraan twijfelen, er nog niet aan geloven en er graag aan zouden willen geloven, verspreidt zich als een olievlek. De sceptici en agnostici mogen voor die lichtgelovigheid hun neus optrekken, maar zo lang zij geen antwoorden aandragen voor de levensvragen die de mensen bezighouden, hebben de zwevers even veel recht van spreken. Zoals niet onomstotelijk en voor iedereen kan worden vastgesteld dat er een wereld van geesten bestaat, kan evenmin worden bewezen dat die wereld niet bestaat. Het blijft kennelijk een persoonlijke zaak. Ieder gelooft wat hij wil geloven. Vroeger, gedurende ongeveer de eerste vijftien eeuwen van onze jaartelling, geloofden alle mensen in het hiernamaals en was de agnosticus een uitzondering. Maar dat geloof was toen niet vrijblijvend. Het steunde op deugdbeoefening en vertrouwen in het kerkelijk gezag. Speculeren over het hiernamaals werd doorgaans niet op prijs gesteld, want de gevestigde theologie stelt dat men over wat er na de dood gebeurt niets met zekerheid kan weten. Men moest ervan uitgaan dat men na een goed leven automatisch deel kreeg aan de gelukzaligheid, de hemel. Wie slecht geleefd had, en vóór zijn dood niet tot inkeer kwam, ging naar de hel. Voor wie nog het een en ander had goed te maken bestond het vagevuur, een tijdelijke loutering ter voorbereiding op de hemel. De voorstelling die de dichter Dante geeft van de drie staten waarin de zielen na het afleggen van hun lichamen terechtkomen mag een poëtische verbeelding zijn, ze spoort in essentie met de officiële leer van de katholieke Kerk. Dantes verbeelding is streng gebonden aan Jezus’ uitspraak over de scheiding van bokken en schapen. Geloof zonder "werken", zonder naastenliefde, stelt niets voor. Met het protestantisme begint de voorstelling te veranderen. Luther leert dat de mens door het "geloof alleen" is gerechtvaardigd. De "werken van barmhartigheid" zouden voor God geen beslissende rol spelen. Het "vagevuur" zou een verzinsel van de katholieke Kerk zijn waarvoor geen bijbelse grond bestaat. De mens heeft geen "vrije wil" en is van meet af aan voorbeschikt voor hetzij de eeuwige gelukzaligheid, hetzij de eeuwige verdoemenis. De deugdbeoefening kwam daarmee op de helling, want als de mens geen vrije wil heeft en is voorbeschikt, hoeft hij zich ook niet bijzonder in te spannen. Hij hoeft slechts te "geloven" in een God die, buiten hem om, uitmaakt wie Hij wil; op die goddelijke willekeur heeft zijn persoonlijke doen en laten geen enkele invloed. En Calvijn leert onomwonden dat God enkelen uitverkiest en de meerderheid aan het eigen lot overlaat; de meesten gaan onvermijdelijk naar de vlammen. De protestant moet zijn relatie met God maar zelf uitzoeken. Kerkelijke bemiddeling, geestelijke hiërarchie, voorspraak van heiligen, tussenkomst van Maria, bidden voor de overledenen, biecht helpen niet. De mens is honderd procent voor zichzelf verantwoordelijk. Een goed woord van anderen haalt bij God niets uit. Het spreekt vanzelf dat binnen die hoogst persoonlijke relatie met God van de protestant ook de onzekerheid, de twijfel en zelfs het wantrouwen en de wanhoop de kans krijgen om zich openlijk te manifesteren. De protestantse kerken hadden niet het gezag, de controle, de inquisitie om het Geloof zuiver of rechtzinnig te houden. En zo is het niet verwonderlijk dat juist in die landen waar het protestantisme wortel schoot het "vrije denken" zijn oorsprong vindt. In het Engeland dat zich van Rome had afgescheiden kon een Francis Bacon de godsdienst van de wetenschap scheiden; in het Holland dat zich van het Roomse Spanje had los gevochten, mocht Descartes zijn weg vervolgen van alles zelf verifiëren, en niets op gezag aannemen. De wetenschap leidde tot systematische twijfel, want uit hetgeen wetenschappelijk vastgesteld kon worden vloeide geen God voort, geen ziel, geen hiernamaals. Al die dingen waren onbewijsbaar. Het Geloof bleef ook voor de vrije filosofie na Descartes onbewijsbaar. Dan maar de Deugd, stelde Spinoza, die vond dat mensen blij moesten zijn om wille van de blijheid zelve, goed om het goed. En niet om de beloning, om de hemel. En zo ontstond de vrije deugdbeoefening, los van het Geloof. Maar met welke hoop houdt de mens zich in goedheid staande als de wereld of het leven zich van hun wrede kant laten zien? Met welke hoop houdt men zich te midden van rampspoed staande? Wat is de zin van het lijden? Sinds de achttiende eeuw is het geloof in de vooruitgang niet meer weg te branden. De filosofen van de Verlichting legden de natuurwetten bloot en ontwierpen plannen om de wereld te verbeteren. De mens kreeg rechten, de Staat moest door een redelijk afspraak het geluk voor iedereen garanderen, en niet slechts dat van een paar bevoorrechten, zoals in de tijd van Descartes en Spinoza. Men moest deugdelijk zijn om de gemeenschap te dienen, maar wat men geloofde - met betrekking tot God, de ziel en het hiernamaals - mocht iedereen voor zich zelf uitmaken. Men hoefde niets te geloven, als men zich als burger maar fatsoenlijk gedroeg. Met de Revolutie van 1789 kwam er een einde aan de macht van de katholieke Kerk en haar leergezag. De vrijheid van godsdienst stond alle sekten toe zich openlijk te manifesteren; het katholicisme werd een van de vele. God, de ziel en het hiernamaals werden onderwerpen van de speculatieve literatuur. Met de orthodoxie hoefden de beschouwers geen rekening meer te houden. De deugdbeoefening ging onder in burgerlijke braafheid met hoop op tijdelijke beloning of in sociale aangepastheid uit vrees voor represailles van de Staat. Het zijn de wereldlijke straffen die men vreest en daarom houdt men zich aan wetten en regels; het is de wereldlijke erkenning die men najaagt en daarom doen we wat de maatschappij onder de gegeven omstandigheden van ons verwacht. De staatsdienst heeft de godsdienst verdrongen. En zo gaat de godsdienst ondergronds. De negentiende eeuw geeft een opleving van de religie te zien die te verklaren is als een reactie tegen de goddeloze en gevoelloze Rede en uit onvrede met de uit de Revolutie voortgekomen liberale Staat. Een andere verklaring schuilt in de eeuwige vragen van de mens waar de seculiere orde geen antwoorden op heeft. De mens voelt dat een goed burger zijn niet voldoende is, en de verzwakte Kerk kan hem niet bevredigen. Interessanter zijn de nieuwigheden die de Romantiek met zich meebrengt, met name in Duitsland waar de godsdienst niet de doodklap heeft gekregen die de filosofen van de Verlichting haar in katholiek Frankrijk toebrachten. Het Duitse piëtisme, een vorm van ondogmatische godsdienstigheid, stond open voor esoterische avonturen. De Duitse protestanten misten de verbeelding en de mystiek die het katholicisme van oudsher met zich meebracht en gaven zich in hun zucht naar het hogere of oneindige over aan een mozaïek van denkbeelden en bijgeloven ontleend aan het christendom, het neoplatonisme, het pantheïsme, de oosterse filosofie. Dat Duitse idealisme of transcendentalisme had grote invloed op sommige Engelse en Noordamerikaanse romantici, en zo groeit er in de loop van de negentiende eeuw een nieuwe vrije godsdienstige gevoeligheid waarin van alles mogelijk wordt. Het is in die sfeer waarin het spiritisme opdoemt, als reactie tegen het geestdodende rationalisme van de achttiende eeuw.
De natuurkundige Emanuel Swedenborg - die midden in de achttiende-eeuwse Verlichting leefde - een spiritist of fantast noemen, zou te simpel zijn. Zijn uitgebreide beschrijving van de geestelijke wereld is echter wel een bron van inspiratie geweest voor spiritisten, romantici en gecanoniseerde literaire kunstenaars als Goethe, Browning, Emerson, Strindberg, Baudelaire. Wellicht had niemand zich sinds Dante zo uitvoerig uitgelaten over het aanzien en de aard van het hiernamaals. Het mag waar zijn dat bij Swedenborg de nadruk niet valt op de klassieke rijtjes van deugden en doodzonden zoals bij zijn middeleeuwse voorganger Dante, maar in tegenstelling tot latere onderzoekers maakt Swedenborg duidelijk onderscheid tussen goede en boze geesten, hemel en hel; zelfs het vagevuur - merkwaardig voor een uit het lutheranisme voortgekomen theoloog - is in de vorm van een "tussenstaat" in zijn voorstelling van het hiernamaals aanwezig. Nieuw is dat bij Swedenborg de mens zelf zijn staat in het hiernamaals vorm geeft en dat die staat dynamisch is. De nadruk valt minder op de straffen, die Dante zo plastisch beschrijft, dan op de inwendige gesteldheid van de zondaars, op hun eigen onwil hun zondigheid in te zien. Swedenborgs hel lijkt daardoor minder afschrikwekkend dan die van Dante. In wezen is er echter geen verschil. Het zelfde geldt met betrekking tot de hemel. Bij Dante zijn de heiligen hiërarchisch gerangschikt op vaste plaatsen. Swedenborgs heiligen en goede geesten zijn voortdurend in beweging en in ontwikkeling. De reis naar God is een eindeloze fascinatie, een constante verwondering, een voortdurende ontdekking. Maar zijn hemel is concreter dan Dantes "Paradiso" en neemt soms het uiterlijk van een geïdealiseerde aarde aan. Hoewel Swedenborg zich zelf een dienaar van Christus noemt en zich zijn hele leven met de diepere, verborgen betekenis van de H. Schrift heeft beziggehouden, hoewel hij er geen twijfel over laat bestaan dat de weg van Christus de enige ware is, geldt bij hem niet - zoals bij Dante - dat het doopsel de absolute voorwaarde is om in de hemel te komen. Ook de goede mensen uit andere religies kunnen de reis naar de God van Abraham, Isaak en Jakob aanvangen, zij het na enige bijscholing door de engelen. Anderzijds acht Swedenborg vele zogenaamde christenen - of ze nu tot de Kerk van Rome, of tot het protestantisme behoren - ongeschikt voor de reis naar God.
Swedenborg werd door zijn tijd niet serieus genomen. De officiële christelijke kerken moesten net zo weinig van hem hebben als de filosofen. Een van zijn eerste ontdekkers was de vroeg romantische Engelse dichter William Blake. Blake hief Swedenborgs scheiding van hemel en hel op en maakte van het hiernamaals een schemerwereld bevolkt met bizarre wezens die meer aan prehistorische reuzen of de helse scharen van Milton doen denken dan aan de geesten die de orthodoxe gelukzaligheid en de vlammen bewonen. Blake is voornamelijk dichter; de theologische onderbouw interesseert hem niet. Voor hem, en voor vele romantici met hem, gaat het om de fascinatie van het mogelijke, de schittering van het onbegrijpelijke. De klassieke reeksen van deugden en hoofdzonden vervelen de romanticus; het traditionele onderscheid tussen goed en kwaad ervaart hij als achterhaald. Het geniale is het enige wat telt. De kunstenaar staat boven de moraal. Braafheid is goed voor de burger, niet voor de geniale geest. En zo ging de literaire fantasie of kunstzinnige verbeelding een eigen leven leiden, eventueel geschraagd door een vaag poëtisch christendom, eventueel gevoed door natuurmystiek, occultisme, oriëntalisme. Het dogmatische christendom met zijn eschatologie, zijn biechtspiegel, zijn godsbeeld en zijn zielenbeeld raakte bedolven onder een lawine van opvattingen, geloven, veronderstellingen die heterodoxe antwoorden boden voor de wezenlijke vragen die de mens van oudsher heeft gesteld, vragen waar de zuivere wetenschap of kritische rede geen antwoorden op had gevonden, en waarschijnlijk ook nooit zal vinden. "God", de "ziel" en het "hiernamaals" blijven onbewijsbaar. Het geloof blijft een mysterie. Wie niet aangeraakt wordt door de Geest, wie niet "herboren" wordt - zei Christus tot Nicodemus - kan het hemelse niet begrijpen, en niemand weet vanwaar de wind van de Geest waait. Het geloof is dus een persoonlijke openbaring, een genade, een gave. Een gave die de apostelen door het doopsel overdroegen, maar die van de ontvanger een bepaalde geestelijke gesteldheid vraagt, een wil, een verlangen. En het aldus ontvangen geloof - schrijven de apostelen Jakobus, Petrus en Johannes - behoeft "werken". Zonder de liefde stelt het geloof niets voor. Daarmee bedoelden zij niet burgerlijke braafheid en aangepast sociaal gedrag, want die komen slechts voort uit een zucht naar tijdelijke beloning of uit vrees voor tijdelijke straf. Het deugdzame leven dat de apostelen hun volgelingen aanpreken is onbaatzuchtig en ingetogen. Het zoekt geen applaus, het is geen opzichtige filantropie. "Wonderen" zijn geen garantie om gelovig te worden. De meesten worden hoogstens even overdonderd, maar vervolgen daarna hun gewone gang. Wonderen zijn bevestigingen voor wie al geloofden, vooral voor de onaanzienlijken."Zalig zij die niet zien, en toch geloven", zei Christus tot Thomas. Toegepast op het spiritisme: het contact zoeken met geesten - ongeacht of zulks mogelijk of wenselijk is - maakt van niemand een volgeling van Jezus Christus. En aangezien dat zo is, heeft het ook geen zin om spiritistische séances te bezoeken, waarzeggers te raadplegen, horoscopen te trekken of naar bewijzen van een wereld buiten de zintuiglijk waarneembare te speuren. Als geesten zich willen openbaren, zullen ze de weg naar de stervelingen wel weten te vinden, dan zullen ze daar een bedoeling mee hebben, een bedoeling die – mag men aannemen - persoonlijk zal zijn. Wie zijn geloof van zulke contacten laat afhangen, mist de geestelijke instelling die de apostel Paulus waarnam in de heidenen die door hem tot het christendom kwamen: een natuurlijke goedheid en een diep ingeworteld verlangen naar de uiteindelijke overwinning op het kwaad, op een door boze machten beheerste wereld. Paulus was een farizeeër, wat wil zeggen: iemand die in engelen en geesten geloofde, en in de opstanding van het lichaam. Onderweg naar Damascus was hij met blindheid geslagen door een verschijning die zijn medereizigers niet waarnamen; ze zagen hem wel spreken, maar ze zagen niet met wie hij sprak. Het betrof een persoonlijke openbaring, het begin van zijn bekering tot Christus. Die verschijning veranderde zijn leven radicaal, maar nooit heeft hij van die gebeurtenis, dat "fenomeen", iets interessants voor anderen gemaakt. Hij is geen spiritist geworden, geen parapsycholoog. Paulus wilde zich niet beroemen op visioenen en mystieke verrukkingen, zoals hij in "Korinthiërs II, 12" schrijft. Het contact met de bovennatuurlijke wereld was voor hem niet de voorwaarde om te geloven; hij geloofde al, en de verrukking beschouwde hij als een extra, een persoonlijke genade, zoals de apostel Johannes - getuige zijn "Apocalyps" - met buitengewone openbaringen werd bedeeld. De christen accepteert dat er verschillende niveaus van verlichting zijn en dat ieder naar eigen mate inzichten ontvangt. De wederopstanding van het lichaam daarentegen, werd mettertijd een algemeen geloofspunt, vastgelegd in het Credo van Nicea. Hoe de verrijzenis precies in zijn werk gaat, blijft giswerk, maar dat eens de goeden van de kwaden zullen worden gescheiden, dat de eersten de hemel en de anderen de hel wacht, gelooft iedere christen.
Op de Atheense Areopagus werd Paulus door de Grieken uitgelachen toen hij over de opstanding van de lichamen begon. Een van de toehoorders die naar hem bleef luisteren was Dionysius, ook wel Dionysius de Areopagiet genoemd. Van deze Dionysius is een geschrift bekend over de "hemelse hiërarchie". Een feit is dat de hemelse hiërarchie van deze Dionysius de grondslag vormt voor de christelijke voorstelling van het hiernamaals in later eeuwen. Thomas van Aquino verwijst in zijn systematisering van het Geloof herhaaldelijk naar Dionysius. Die voorstelling bestaat uit negen koren van engelen; de eerste drie (serafijnen, cherubijnen en tronen) zijn contemplatief en naar God toegekeerd; de tweede drie (heerschappijen, machten en krachten) zijn actief; de derde drie (vorstendommen, aartsengelen en engelen) zijn degenen die zich bezighouden met de mensen, sommige met hele volkeren, andere met individuen. De hemelse hiërarchie bestaat ook - als in een microcosmos - in iedere engel en in iedere mens afzonderlijk. Als engelen zich aan mensen voordoen - schrijft Dionysius -, dan doen ze dat op een wijze die voor de betreffende mens begrijpelijk is, aangepast aan zijn bevattingsvermogen, wat van mens tot mens kan verschillen, zoals de ene meer van de Heilige Schrift begrijpt dan de andere. Het verstaan van de Schrift is een weg, en de reiziger, de pelgrim, wordt afhankelijk van zijn innerlijke staat in de geheimen ingewijd. Ook alle uiterlijke tekenen en rituelen bij de liturgie hebben verborgen betekenissen, die niet door iedereen in gelijke mate begrepen hoeven te worden. De diepte van het inzicht – zegt Dionysius - hangt af van de graad van heiligheid. Engelen - schrijft hij - moet men zich niet lichamelijk, naar aardse maatstaven voorstellen; hun ware aard ontgaat ons, maar hun ontgaat van de mensen niets. Anderzijds moet men niet denken dat onze aardse lichamen na ontbinding door de dood verdwijnen, en daarbij wijst Dionysius op Christus die lichamelijk aan zijn apostelen is verschenen. Het is fout - vervolgt hij - om te veronderstellen dat zielen andere lichamen krijgen dan de lichamen die ze op aarde hadden; want dat zou onrechtvaardig zijn jegens degenen die op aarde een heilig leven hebben geleid. Omgekeerd, is het ook fout om zich de hemel voor te stellen als een aards geluk, in de trant van een geïdealiseerde aarde. Iedere afgestorven goede is in de hemel herkenbaar in zijn heelheid, zoals hij was bedoeld. God is een ontoegankelijk licht waarvan wij op aarde alleen maar een afstraling kennen, maar waarin de hemelingen, ieder naar eigen graad, delen. In de hemel van Dante, duizend jaar later, vinden we niet alleen Dionysius - in de vierde hemel, op de Zon, temidden der kerkleraren -, maar ook Dionysius' hiërarchie - de negen engelenkoren - in het Primum Mobile, vlak onder het Empyrium, waar de Mystieke Roos wordt gepresideerd door de Maagd Maria omgeven door de hoogste heiligen. Daar gaan de ogen van de bevoorrechte dichter open voor het hoogste mysterie, de Drieëenheid. Dante heeft zijn "Paradiso" niet alleen bevolkt gezien met bekende en onbekende personages, maar wilde zijn reis naar het ontoegankelijke Licht tevens een weg laten zijn naar het begrijpen van het Geloof. Uitgangspunt is de vrije wil, het individuele verlangen naar God. Het is een misverstand – legt Dantes leidsvrouwe Beatrice uit - om te denken dat zielen na de dood uit hun lichamen automatisch, vanzelf, naar God gaan. Dante wordt het inzicht deelachtig dat Gods Menswording, de afdaling van de Zoon naar de tijdelijkheid, het grootste en centrale feit is van de lange opeenvolging der mensengeslachten, ook wel de Geschiedenis genoemd. De dichter leert te hopen, te geloven, lief te hebben; hij hoort de oordelen van de hemelingen over de gebeurtenissen op aarde, hun treurnis en verontwaardiging over het verval van de kerk; hij komt tegenover de Adelaar te staan, Gods Rechtvaardigheid in de gezichten van de heilige heersers die op aarde de kwade machten tijdelijk konden onderdrukken; ten slotte komt hij bij de contemplatieven, degenen die zo door God in beslag worden genomen dat ze niet meer onder het lagere lijden. Dante heeft de hemel van Dionysius tekst en uitleg en lichaam gegeven, in verband gebracht met de sterren, de planeten en de geschiedenis van de mensheid. Met de Reformatie komt er, zoals eerder gezegd, een eind aan het hemelbeeld van Dionysius en Dante. Calvijn noemt Dionysius een beuzelaar, verantwoordelijk voor het "roomse bijgeloof". Het hele netwerk van bovennatuurlijke krachten tussen het ontoegankelijke Licht en de aardse duisternis verdwijnt, en ervoor in de plaats komt de louter fysieke ruimte van Copernicus en de eenzame relatie van wat losse uitverkorenen met God. De Franse wetenschapsman Blaise Pascal, die in de zeventiende eeuw leefde, schrok zo van de door de wetenschap ontdekte "oneindigheid", van dat verloren zijn in de eindeloze ruimte, dat hij de ogen naar binnen sloeg, in een wanhopige poging om het oude godsbeeld terug te vinden. Hij werd een afvallige van de Wetenschap, maar daardoor allerminst een steun voor de Kerk, want de Kerk was al met haar tijd meegegaan. Het Geloof was verwereldlijkt. Onderwijl keerde de Wetenschap de metafysica de rug toe en verwerd tot puur materialistische natuuronderzoek. In de protestantse landen, waar de mystiek door het lutheranisme ondergronds moest gaan, kreeg Pascal gevoelsgenoten in schrijvers als Johann Valentin Andreae, Angelus Silesius en Jacob Böhme. De filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz ontwierp een systeem dat het oude scholastische wereldbeeld van Thomas van Aquino in herinnering roept en Christian Wolff entte daarop, halverwege de achttiende eeuw, een nieuw christelijk wijsgerig systeem, maar dat systeem overtuigde noch de Wetenschap, noch de zich als kenner van het christendom opwerpende Emanuel Swedenborg.
Na Dionysius en Dante, levert Swedenborg het derde grote hemelbeeld. Onverstoorbaar, zonder zich om het scepticisme en de spot van zijn tijd te bekommeren, schreef deze Zweedse ziener, in droog Latijn, het laatste complete hiernamaals van het Westen: "De coelo et eius mirabilibus et de inferno", uitgegeven in Londen in 1758. Evenals Dionysius, schrijft Swedenborg voor ingewijden, voor diegenen die behagen scheppen in de kennis der geestelijke waarheden, voor hen die waarheid zoeken en van waarheid houden. En daaronder verstaat hij de onbaatzuchtigen, zij die de "wereld" - eer, reputatie, eigenliefde - afzweren. Het kenmerk van de hel is de eigenliefde, de zelfzucht; de hemel daarentegen, wordt gekenmerkt door liefde tot God en liefde tot de naaste. De hemel - betoogt Swedenborg - moet men zich niet zozeer voorstellen als een "plaats", maar als een "staat", een "gesteldheid". Voorts zijn tijd en ruimte - die de sterfelijke aarde bepalen - de hemelingen vreemd. Afstand bijvoorbeeld, bestaat voor de geesten en engelen niet. Ze worden bewogen door gemoedsaandoeningen en bevinden zich steeds in het gezelschap van gelijkgestemden. Men kan zich de hemel voorstellen als een engel; omgekeerd correspondeert alles in de mens en op aarde met hemelse oerbeelden. Het hart en de longen bijvoorbeeld, en alle andere lichaamsdelen bestaan in gesublimeerde vorm in de hemel, zoals ook de wil en het geheugen en het verstand in gesublimeerde vorm in de hemel bestaan". Het zelfde geldt voor de dingen, de mineralen, de planten, de dieren: alles correspondeert met hemelse archetypen. Alles wat in het zintuiglijke, sterfelijke leven uiterlijk herkenbaar is, verinnerlijkt in de hemel, zodat de hemelingen alles in wezen begrijpen, een juist inzicht hebben in wie zij zelf zijn en wie de anderen zijn. Er bestaat geen "schijn" meer, waardoor op aarde de mensen omtrent zich zelf, anderen en hun omgeving in de waan verkeren. Vandaar dat Swedenborg concludeert dat de aarde onwerkelijk is vanuit hemels gezichtspunt. De hemel van Swedenborg is hiërarchisch, net als die van Dionysius en Dante. Er zijn "hemelse engelen", "geestelijke engelen" en "goede geesten". Die laatsten houden zich bezig met de zorg voor de stervelingen op aarde, terwijl de eersten volledig in beslag worden genomen door God. De hiërarchie heeft haar weerspiegeling in de mens zelf, die op het laagste niveau als de dieren is en op het hoogste als de engelen. Zoals Christus zei dat er in het huis van zijn Vader vele plaatsen zijn, en zoals Paulus van verschillende hemelen sprak, zo ziet ook Swedenborg een onnoemelijke verscheidenheid aan hemelse gezelschappen; iedere engel houdt zich aan zijn eigen groep, maar personifieert tevens de hele hemel en de volmaakte mens. Men moet zich engelen voorstellen als mensen, met een lichaam, maar dat lichaam is onstoffelijk en onsterfelijk; ze kunnen evenwel niet worden gezien met sterfelijke ogen, maar alleen met de ogen van de geest. Engelen zijn niet altijd in de zelfde staat, maar deze varieert naar gelang de intensiteit van hun liefde, een liefde die uit een wil voortkomt die even vrij is als die van de mens. Engelen zijn substantiële geesten, met zintuigen zoals mensen die hebben; hun zintuigen werken echter veel verfijnder en intenser dan de menselijke. Ze doorzien direct alles waarvoor mensen vele jaren nodig hebben. Ze kunnen in één enkel woord uitdrukken waar mensen hele boeken voor nodig hebben. Als engelen aan mensen verschijnen - wat ze nooit zonder reden doen, en alleen op uitdrukkelijke wil van God - dan passen ze zich zo aan de geestelijke vermogens van de betreffende mens aan dat ze vanuit het geheugen van die mens spreken en in de taal van die mens. Die mens heeft dan het gevoel dat hij met zichzelf spreekt. Zouden de engelen die voorzorg niet nemen, zouden zij vanuit hun eigen wezen spreken, dan zou de mens denken dat wat hij hoort van een ander komt en bijgevolg aan zijn eigen geheugen toeschrijven wat niet tot zijn eigen geheugen behoort. In oude tijden - schrijft Swedenborg - is het voorgekomen dat engelen met mensen spraken vanuit hun eigen zelf, hetgeen tot verwarring leidde, hetgeen bij die mensen tot de veronderstelling leidde dat zij naar de aarde zouden terugkeren, of reeds eerder op aarde hadden gewoond, aangezien zij zich dingen herinnerden die zij voor hun eigen verstand niet aan hun eigen geheugen konden toeschrijven. En daarom verbiedt God de engelen en de geesten om met mensen in contact te treden, tenzij dat om de een of andere reden absoluut nodig is. De boze geesten trekken zich van Gods gebod niets aan en daarom heeft de Voorzienigheid hen omtrent het bestaan van de mensen in het ongewisse gelaten, ten einde te verhinderen dat ze de mensen kwalijk zouden beïnvloeden en hun vrije wil zouden aantasten. Goede geesten - verduidelijkt Swedenborg - werken daarom op de mens niet vanuit hun eigen wil en hun eigen geheugen, maar vanuit de wil en het geheugen van degene tot wie zij zich richten. Toch moeten mensen niet denken dat zij vanuit zichzelf leven en op eigen kracht tot inzicht komen; zij worden allemaal beïnvloed, hetzij ten goede, hetzij ten kwade. Beïnvloeding neemt echter de vrije wil niet weg, want de mens kan zelf kiezen welke invloeden hij toelaat. Het ongeloof in het bestaan van engelen van de kant van de mensen verklaart Swedenborg onder andere uit het feit dat de meeste mensen menen zelf te denken en vanuit zichzelf - en voor zich zelf - leven. Dat ongeloof in de hemel komt zelfs in de christelijke kerken, zowel onder de bedienaren als onder het "gelovige" volk, veel voor. Er zijn vele goeden buiten het gevestigde christendom die dichter bij de hemel staan, maar zonder de kennis van Gods Woord, het Evangelie van Jezus Christus, kan men niet rechtstreeks in de hemel komen. De liefde blijft het fundamentele, maar het ware geloof is noodzakelijk. De goeden die buiten het geloof hebben geleefd zullen daarom in het hiernamaals worden onderricht door engelen die zelf eens als mensen op aarde woonden en de omstandigheden van de mensen kennen. Swedenborg neemt geen Laatste Oordeel aan in de zin van een totale, collectieve ineenstorting van de kosmos. Zijn laatste oordeel is een geleidelijk proces dat ieder na zijn dood individueel doormaakt, of dat in groepsverband plaatsvindt, of als de afsluiting van een generatie of een periode. Wie uit de dood in het eeuwige leven ontwaakt, wordt met zich zelf geconfronteerd te midden van verwanten of gelijkgestemden. Al naar gelang men hetzij in zelfzucht, hetzij in naastenliefde heeft geleefd gaat men richting hel of hemel. De heiligen gaan rechtstreeks naar de hogere sferen. Velen belanden tijdelijk in het vagevuur, waar men uitboet wat men op aarde niet heeft afgemaakt. De geesten der afgestorvenen nemen direct hun immateriële lichaam aan en blijven herkenbaar zoals ze op aarde zijn gekend, maar dan zoals ze werkelijk zijn geweest. Alles wat in het sterfelijke leven verborgen was achter de schijn wordt in het hiernamaals onthuld; niemand kan meer door niemand bedrogen worden omtrent zijn ware innerlijk. Niets van wat op aarde wezenlijk was gaat in het hiernamaals verloren, alleen wordt alles daar duidelijk; zo duidelijk dat het tijdelijke vanuit de eeuwigheid een onwerkelijke droom wordt. Waarom de hemel zich niet aan de aarde geopenbaard heeft? Het antwoord van de engelen luidt dat de mensen zo gehecht zijn aan het aardse dat geen verschijning hun kortzichtigheid kan doorbreken; wonderen fascineren hen slechts voor even. Wie het verlangen naar waarheid mist, wordt door geen opwekking van Lazarus van zijn scepticisme genezen. De ergste scepticus is hij die het "geweten" ontkent, waardoor het zondebesef verdwijnt, en met de verdwijning daarvan is iedere mogelijkheid tot zelfkennis uitgesloten; vandaar - schrijft Swedenborg - dat "ketterij" veel funester is dan "gewone zonden", want door het geweten of een deel daarvan te ontkennen kan het kwaad niet meer worden afgeschud. Wat Swedenborg zo bijzonder maakt, zo aanstekelijk, is - op het eerste gezicht - zijn consistentie, zijn redelijke taal, zijn analytisch vermogen, zijn definiërende kracht. Hij blijft, conform zijn tijd, "een man van de rede", van de logica en de wetenschap. Zijn kalme stijl staat ver af van de Duitse en Engelse romantici en heeft niets van de dweepzucht, niets van de natuurmystiek en het oriëntalisme dat de ongebonden religieuze dichters van de negentiende eeuw kenmerkt. Geen poëtisch christendom à la Chateaubriand, Coleridge, Novalis, geen wereldverbetering, geen fanatisme, geen hang naar fantasie of idealistisch grijpen van het hogere. Al die romantische neigingen zijn de koele, nuchtere, haast droge Zweed vreemd. Met zijn pruik op en vertrouwd met de adel van zijn tijd, is Swedenborg een man van de Verlichting, ook al moest die Verlichting niets van hem hebben. De filosoof Immanuel Kant, die de Rede van de Godsdienst scheidde, beschouwde hem als een oncontroleerbare visionair. Swedenborg trok zich van de kritiek niets aan en bleef rustig doorschrijven; hij publiceerde zijn boeken op eigen kosten in Londen en Amsterdam, want de lutherse en de katholieke wereld stonden vijandig tegenover zijn inzichten. Zijn werk moest wachten op de Romantiek, op de revolutie van het Gevoel tegen de Rede, maar het Gevoel stoorde zich aan zijn leerstelligheid en bijbelgebondenheid, terwijl de orthodoxie met de visionaire kant van zijn werk geen raad wist. Swedenborg kreeg echter verborgen bewonderaars, onder wie niet de geringsten: Dostoievski, Emerson, Balzac, Baudelaire, Strindberg, William James, Ezra Pound, Unamuno, Borges; en in Nederland, Willem Bilderdijk en Frederik van Eeden.
De verwatering van het christendom gedurende de laatste eeuwen en de komst van oosterse denkbeelden naar het westen hebben het traditionele hiernamaals verdrongen. Het idee van reïncarnatie bijvoorbeeld, dat de westerse mens vroeger vreemd was, telt momenteel onnoemelijk veel - openlijke of verborgen - aanhangers. In de vierde eeuw had kerkvader Augustinus met het idee van "zielsverhuizing" (waarin Pythagoras en Plato geloofden) afgerekend. Het leven van de christen was een lijn, geen cirkel. Maar in de negentiende eeuw keerde met Nietzsche's "Ewige Wiederkunft" de oude kringloopgedachte in een deel van de denkende mensheid terug. De vicieuze cirkel van een eeuwigdurende aardse komedie beviel de mens in zijn doodsangst kennelijk beter dan de oude buitenaardse hemel. De angst voor het niets bracht de mensen, die nergens meer houvast aan hadden, tot bijgeloven die wellicht altijd bestaan hebben, maar die zich nu, bij gemis van geestelijk gezag, openlijk uitten. In de babylonische geestesverwarring gedijde ook het spiritisme, de zucht om het bestaan van een buitenzintuiglijke wereld wetenschappellijk aan te tonen. Alsof de engelen zich zouden inlaten met de kinderachtige spelletjes en de nieuwsgierigheid! Alsof het niet veeleer de boze en ongelukkige geesten waren die de mensen wilden verwarren! Van de andere kant, lijken de zoetsappige, sentimentele, klapwiekende engelen van het romantische christendom weinig op de engelen van Dionysius, Dante en Swedenborg. De nuchtere middeleeuwer wist dat het maar om een voorstelling ging. Hij begreep heel goed het verschil tussen het letterlijke en het figuurlijke, het uitgebeelde en wat ermee bedoeld werd. Het is juist de calvinist die, uit geloofstwijfel, tegen het uitgebeelde fulmineert; anderzijds is het de materialist die niet verder kijkt dan de beelden. De voorstelling van de hel als een griezelhuis en van de hemel als een saaie concertzaal zijn typisch producten van ongelovigen, karikaturen van sceptische kunstenaars bedoeld voor de gretige massa. De angst voor de dood en het niets zal altijd blijven, en daarom zal men zich altijd voorstellingen blijven maken van het leven na de dood. Voor de godsdienst blijft die voorstelling gekoppeld aan de deugd, aan wat de sterveling tijdens zijn leven op aarde aan goeds kan doen voor God en zijn medemens. "Gij zult de Heer Uw God beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel en geheel uw verstand en gij zult uw naaste beminnen als u zelve", zei Jezus tot de farizeeërs op hun vraag wat het grootste gebod van de Wet was. Maar tot de sadduceeërs - die in tegenstelling tot de farizeeërs niet in de opstanding van de doden en niet in de engelen geloven - zei Jezus dat de "God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob niet een God van doden is, maar een God van levenden". Over de engelen en de hemel en over hoe en wanneer de doden opstaan liet hij zich niet in bijzonderheden uit. Aan de liefde en het simpele geloof in de God der levenden hadden zijn volgelingen genoeg. De apocalyptische beelden van Johannes, de hemelreis van Paulus, de engelenhiërarchie van Dionysius zijn het werk van de Heilige Geest, de ontluikende openbaring voor de Kerk in het verloop van de tijd, in de tijd van het oordeel, het laatste oordeel dat al lang begonnen is en dat men zich niet als een verre toekomstige explosie van het heelal moet voorstellen, maar hier en nu, op elk moment, in ieder individueel mensenleven. De aanhangers van de reïncarnatie troosten zich met het geloof dat ze naar de aarde terugkeren in een ander lichaam. En de aarde, leerde Plato, is een strafgevangenis; en de Kerk spreekt van een tranendal. Dionysius, Dante en Swedenborg hebben het over een hemel waar iedereen niet alleen voor eeuwig gelukkig is, maar ook herkenbaar zoals eens op aarde. Maar hoe diegenen te herkennen die op aarde in opeenvolgende lichamen hebben geleefd? Ieder wordt wie hij wil en krijgt wat hij wil, ongeacht hoe lang iemand erover doet om te weten wie hij is en wat hij wil. Het blijft een mysterie waar de wind van de Geest waait; wie wel, en wie niet wordt aangeraakt. Laten we blij zijn dat er een Dionysius, een Dante en een Swedenborg zijn geweest om ons te stimuleren over het hiernamaals na te denken.
Drie voornoemde profeten behoren tot de oude tijd. Sinds het positivisme van de negentiende eeuw interesseert ons het proefondervindelijk onderzoek. Toen, bijvoorbeeld, Maria aan Bernadette verscheen, wilde men dit wetenschappelijk controleren en zo onderwierp men de zieneres aan proeven van fysieke en psychologische aard. Dat was in 1858. Bij eerdere Maria-zieneressen, zoals Catharina Labouré (1830) en Mélanie Calvat (1846) was dat nog niet gebeurd. Die werden wel of niet geloofd, maar niet wetenschappelijk getest, zoals met bijvoorbeeld Lijkwade van Turijn, of de tilma van de Mexicaanse Guadalupe. Insgelijks geschiedt met mensen die indrukken hebben opgedaan in het hiernamaals. De Zwitserse arts Elisabeth Kübler-Ross deed twintig jaar onderzoek naar bijna-doodervaringen. Ontelbare uren bracht ze bij stervenden door. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw publiceerde ze haar bevindingen. Ze komt tot de conclusie dat men het woord "dood" zou moeten vervangen door "overgang". Vroeger, schrijft ze, geloofde ik in het eeuwige leven. Nu niet meer, nu weet ik het. De ziel is als een vlinder die uit cocon en rups opstijgt. Na het lichaam te hebben verlaten, nemen de zielen in het hiernamaals een "etherisch" lichaam aan waarin ze herkenbaar blijven zoals op aarde. Ze worden opgewacht door verwanten en bekenden die ze aan het eeuwige leven doen wennen. ‘Hetgeen de kerk aan kleine kinderen vertelt over hun engelbewaarder, berust ook op waarheid’, schrijft Kübler-Ross, ‘want het is eveneens bewezen dat elk mens van de wieg tot het graf door onstoffelijke wezens wordt begeleid.’ Het zien van Maria is mede afhankelijk van of men in het katholiek geloof is opgegroeid. ‘Het is overbodig erop te wijzen dat een joods kind Jezus niet zal ontmoeten en dat een protestants kind Maria niet te zien krijgt.’Iedereen krijgt de hemel die hij zich voorstelt, en het is niet mogelijk om in het aardse lichaam terug te keren. Christus bevindt zich in een wit licht, en in het afschijnsel van dat licht zien degenen die overgegaan zijn hun aardse leven aan zich voorbijgaan. ‘Wij leggen daar dat etherische lichaam af en nemen weer de gedaante aan die wij bezaten voordat we op aarde werden geboren – zoals we oorspronkelijk waren bedoeld -, die wij eeuwig zullen bezitten.’ Kübler-Ross heeft ook verschijningen gehad van wie al in het hiernamaals waren en die haar op aarde een bepaalde boodschap moesten overbrengen. (Elisabeth Kübler-Ross, "Over de dood en het leven daarna", Ambo, 1985) Naast het positivisme, nam vanaf medio negentiende eeuw ook het spiritisme een hoge vlucht. Het blijkt een onomstotelijk feit te zijn dat bepaalde mensen contact kunnen maken met overledenen, en ook daaruit mogen we de conclusie trekken dat iedereen na de dood voortleeft. In een boek getiteld "Het leven na de dood" uit 1920, geschreven door de wiskundige Sir Oliver J. Lodge, een gelovig man, horen bezorgde ouders in Engeland hoe het hun in de Belgische loopgraven omgekomen jongens – de oorlog van 1914-1918 – in het hiernamaals vergaat. Via mediums horen de ouders dat hun te vroeg gestorven en betreurde zonen in het eeuwige geluk zijn en zich in het gezelschap bevinden van familieleden en vrienden. Het hiernamaals dat we hier voorgeschoven krijgen is niet bepaald etherisch. Er zijn huizen van steen, tuinen, dieren en nog veel meer dat aan de aarde doet denken. Sommige jongens leven nog met hun gedachten bij de oorlog. Andere laten zich door hoge geesten meevoeren naar hogere, gelukkigere regionen. Aan een van de in de loopgraven omgekomen jongens wordt gevraagd of Christus door iedereen gezien zal worden. ‘Niet geheel op dezelfde wijze als jij Hem hebt gezien’, luidt het antwoord. ‘De hypothese dat een voortgezet bestaan in een andere reeks toestanden, en dat gemeenschap over een grens heen mogelijk zijn, is niet willekeurig bedacht ter wille van geruststelling of troost, of uit tegenzin tegen het denkbeeld van uitblussing -, zij heeft zich langzamerhand bij schrijver opgedrongen ten gevolge van de strenge dwang van bepaalde ervaring’, besluit de wiskundige, nuchtere Lodge. Meer bij de katholieke traditie passen de "Gesprekken met arme zielen" van Eugenie von der Leyen uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Deze Beierse dame van adel beschrijft hoe zij op haar kasteel regelmatig bezoek krijgt van zielen uit het vagevuur. Ze zoeken steun bij haar, voorspraak, gebed, opdat er in hun toestand verbetering komt. Veel van die ervaringen zijn ronduit beangstigend. Sommige zielen verschijnen voor haar als dieren of monsters. Ze overvallen haar op de meeste ongelegen momenten, dreigen haar lichamelijk schade toe te brengen, maar uiteindelijk bedwingt zij ze met wijwater. Bovendien proberen ze bij haar in de gunst te komen, zodat ze missen voor ze laat opdragen in de kapel van het kasteel. Ze vertellen haar waar zij zich op aarde aan bezondigd hebben, zodat Eugenie von der Leyen hun ellendige situatie begrijpt. De meeste zielen die haar bezoeken lijken uit de onderste sferen van het vagevuur, of uit het grensgebied met de hel te komen. Ze lijken veeleer op de gevallen zielen die de kinderen van Fatima tien jaar eerder zagen dan op bijvoorbeeld de zielen die de heilige kerklerares Catharina van Siena in de Middeleeuwen zag, en die al dicht bij in het goddelijk licht leefden. Hier openbaart zich het verschil tussen de zielen onderaan het begin en hogerop naar de top van Dantes Louteringsberg. Weer een ander geval zijn de visioenen van Sadhoe Soendar Singh, een tot het protestante christendom bekeerde hindoe wiens ervaringen met het hiernamaals destijds grote indruk maakten op koningin Wilhelmina. Eveneens uit de jaren twintig. Hier lezen we over de "tussentijd" die de zielen in het hiernamaals doormaken totdat ze met hun stoffelijk lichaam verenigd worden, conform de leer van de Kerk. Niemand, zegt Soendar Singh, is met het stoffelijk lichaam de hemel binnengegaan, behalve Christus. Voor een protestant, dus kennelijk ook niet Maria. Toch zijn in de hemelse samenleving allen herkenbaar zoals ze op aarde waren, dus een soort lichaam moeten ze hebben, of we dat nou etherisch of substantieel of geestelijk noemen. Elia en Mozes werden in elk geval door drie apostelen van Jezus op de Berg Tabor herkend, en ook de rijkaard en Lazarus herkenden elkaar in het hiernamaals. De voorstellingen van Soendar Singh vertonenen overigens buitengewoon veel overeenkomsten met die van Swedenborg, wat in mindere mate trouwens ook geldt voor Lodge en Kübler-Ross. Fundamenteel is het verschil tussen hemel en hel, tussen beloning en straf, met de aantekening dat men zichzelf straft. ‘God werpt nooit iemand in de hel, maar de mens schept voor zichzelf de hel’, schrijft Soendar Singh. Belangrijk is voorts dat men de uitspraak van Jezus onthoudt dat er in het rijk van zijn Vader vele woningen zijn (Johannes 14;2). Er is in de hemel een even oneindige verscheidenheid als in de hel.
In het dagblad Trouw van 12 december 2009 komt een dominee aan het woord, Rob Visser uit Apeldoorn, die toejuicht dat mensen zich voorstellingen maken van de dood en het leven daarna. Na uitvoerig Swedenborg te hebben geciteerd als de uitvoerigste voorstelling die wij van het hiernamaals kennen, roept hij in herinnering dat de filosoof Immanuel Kant een boekje tegen Swedenborg schreef dat erop neerkomt dat wij ons van het hiernamaals geen voorstelling kunnen maken. Joseph Ratzinger, die wij aan het begin noemden, sluit hierbij aan. De dominee concludeert: ‘Het beeld van de hemel is nu helemaal versnipperd. Aan de ene kant heb je de mensen die net als Kant niet willen speculeren, aan de andere kant mensen die overal hun inspiratie vandaan halen; die behoefte zie je toenemen op momenten dat men met de dood wordt geconfronteerd. Bij begrafenissen hebben mensen behoefte aan concrete beelden van de hemel. Zelf’, besluit Visser ‘hou ik mij aan de Bijbel als enige bron van kennis over de hemel. Sommigen laten zich wel erg meeslepen door vreemde theorieën, Maar dat velen het rationalisme voorbij zijn en weer durven praten over de hemel, vind ik winst.’
‘Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook niet geloven wanneer er iemand uit de doden opstaat’, lezen we bij Lucas (16:19-31) in de parabel over de rijkaard en de arme Lazarus. Wie wèl naar Mozes en de profeten luisteren, vinden in de uit de dood opgestane Jezus Christus de grond van hun geloof. Zo’n vijfhonderd mensen zijn van Zijn verrijzenis ooggetuigen geweest, en velen van hen hebben ook de opwekking uit de dood van Lazarus door Jezus meegemaakt. Dat wij na onze dood voortleven, is dus gemeengoed onder de gelovigen. De opstanding van Jezus op Pasen is voor de christenen een historische gebeurtenis, die werkelijk heeft plaatsgevonden. De Verrijzenis is geen mythe. Ze is evenmin uitsluitend binnen de perceptie van de waarnemers. Wèl is er een relatie tussen de waarnemers en de Waargenomene. Heeft Bernadette in Lourdes Maria gezien, of is Maria in Lourdes aan Bernadette verschenen? Er is een verschil! In het eerste geval bestaat Maria in de perceptie of verbeelding van Bernadette, in het tweede geval komt Maria bovendien uit een andere wereld die werkelijk, objectief bestaat. Jezus Christus verschijnt niet aan de joodse autoriteiten en de Romeinse keizer. Want voor hen en voor de meeste mensen gelden de woorden uit de parabel, dat teruggekeerden uit de dood het geloof in het hiernamaals niet bewijzen. Toch wordt geprobeerd het leven na de dood wetenschappelijk te bewijzen. Een populair boek in onze tijd is "Eindeloos bewustzijn" (Ten Have, 2007) van Pim van Lommel. Deze medische wetenschapper zegt in feite niets wat we al niet wisten uit vroegere publicaties, zoals die van Lodge en Kübler-Ross. Het nieuwe is alleen de naam "bijna-dood-ervaring", overgenomen uit het Engels: "near-death-experience", in 1975 geïntroduceerd door Raymond Moody ("Life after Life", 1975). De bijna-dood-ervaring, kortweg BDE, heette vroeger visioen, uittreding of droom. Volgens de schatting zouden rond 25 miljoen mensen in ons tijdsgewricht een dergelijke ervaring hebben gehad. Vaak door een hartstilstand, in coma, tijdens een zware operatie of bij een ernstig ongeluk. De ervaringen komen er, kort gezegd, op neer dat men voor even in een andere wereld verkeert, en daar in aanraking komt met overleden familieleden, vrienden of bekenden. Meestal zijn die ervaringen vreugdevol, en is terugkeer in het aardse leven iets treurigs. In een kleiner aantal gevallen is de BDE negatief. Christenen kunnen daarbij denken aan helse versus hemelse belevingen. Maar Van Lommel, alsook Bob Coppes ("Bijna-dood-ervaringen en wereldreligies", Aspekt, 2008), benadrukken sterk de ervaring van "licht". Een gelukkigmakend en onbeschrijflijk licht. Coppes verduidelijkt dat de lichamen van de BDE-ers zich los, als van gas, voortbewegen in een tijdloze wereld en in contact treden met wezens die ooit mensen op aarde waren. Het universum heeft dimensies waar wij geen weet van hebben. En ook al heeft de wetenschap het bestaan van God en de hemel niet kunnen bewijzen, feit is dat miljoenen zich in een wereld van licht hebben gewaand die niet onze aarde is, en ook niet uitsluitend bestaat binnen ons eigen bewustzijn. De BDE-wetenschappers gaan niet uit van de christelijke leer, maar zijn daar ook niet mee in tegenspraak. Ze erkennen dat er zowel positieve als negatieve ervaringen zijn, en dat lijkt te wijzen op het onderscheid tussen hemel en hel. Ook het "oordeel" komt bij de wetenschappers op de proppen in de zin dat BDE-ers hun leven aan zich voorbij zien gaan. Wie het goede heeft nagelaten, kan daar spijt van krijgen, en volgens de studies komt het veel voor dat teruggekeerden hun leven beteren, of het gevoel hebben dat ze nog een en ander hebben af te maken. De gebruikelijke angst voor de dood is bij de BDE verdwenen. Het geloof in het hiernamaals is een weten geworden. De term "vagevuur" kwam al niet meer bij Swedenborg voor, en in plaats daarvan heeft de Zweedse ziener het over een "tussenstaat" waarin beslist moet worden of een afgestorvene naar hetzij een hemelse, hetzij een helse sfeer zal gaan. Bij de BDE vinden we die tussenstaat bevestigd. De opvatting dat de hel weliswaar zou bestaan, maar dat er niemand in zou zitten, zoals gesuggereerd door de katholieke theoloog Hans Urs von Balthasar, is moeilijk te rijmen met de vrije wil van de mens. De visionaire dichter Dante ziet Judas in het diepst van de hel. Of die hel eeuwig is, is een ander punt van speculatie. De gangbare katholieke leer is dat de hel eeuwig is, maar er zijn theologen die dat betwijfelen. Het zou niet sporen met Gods barmhartigheid. Het vagevuur is binnen de katholieke leer de logische voorbereiding op het aanschouwen van God. Die leer gaat ervan uit dat de meeste mensen bij het sterven nog een en ander hebben uit te boeten en goed te maken. De oosterse reïncarnatie stoelt op hetzelfde idee, al is de uitwerking radicaal verschillend. Wij komen niet terug in een ander lichaam, maar worden in zielstoestand in het hiernamaals gezuiverd. Hoe het vagevuur bijvoorbeeld ervaren is door iemand die uit een coma ontwaakte, lezen we in het boek "Hongerende zielen, verschijningen uit het vagevuur" (De Boog, 2008) van Gerard J.M. van den Aardweg. Net als de BDE-ers uit de boeken van Van Lommel en Coppes ervaart de Oostenrijkse industriële manager Hellmut Laun in 1929 tijdens zijn korte verblijf in het hiernamaals een Licht, maar dit keer is dat licht afkomstig van een Zon, en daarin is God of het goddelijke. Precies ditzelfde beeld vonden bij Swedenborg. De ziel voelt zich onweerstaanbaar aangetrokken tot dat Licht, maar het vorderen daarheen is afhankelijk van haar geestelijke staat. De aanname van het bestaan van het vagevuur in de Kerk gaat o.a. terug op de in het katholieke Oude Testament opgenomen joodse boeken der Maccabeeën, waarin offers worden opgedragen voor de overledenen. Hoewel sommige kerkvaders het vagevuur in theorie behandelen, is volgens Van den Aardweg de nadere uitwerking van het idee vooral te vinden bij vrouwelijke heiligen, zoals de martelares Perpetua – die haar broer rond 202 in een vagevuur-achtige staat zag, en verder bij bijvoorbeeld Gertrudis van Helfta, Birgitta van Zweden, Catharina van Genua, Margarethe Maria Alacoque, Anna Katharina van Emmerich, de kinderen van Fatima, Faustina Kowalska en Pater Pio.
Kardinaal John Henry Newman, een van de grootste lichten die de Katholieke Kerk heeft voortgebracht en wiens oeuvre, dat de hele negentiende eeuw omspant, zowat alle aspecten van de godsdienst raakt, heeft ook een werk over het leven na de dood geschreven. "De Droom van Gerontius", beroemd vanwege het muziekstuk dat de componist Edward Elgar er aan wijdde, verhaalt de overgang van een ziel naar de eeuwigheid. Een Nederlandse vertaling ervan verscheen in de Dietsche Warande van 1923. Bij het sterven ziet de ziel in één oogwenk haar aardse leven aan zich voorbijgaan. Ontwakend in een nieuw bewustzijn ziet zij hoe zijzelf en het heelal van elkaar scheiden. Er is geen tijd en er is geen ruimte meer. Een engel begeleidt de ziel naar een bijzonder oordeel dat een voorspel is op het laatste oordeel. De duivelen proberen de ziel naar zich toe te trekken door in te spelen op dingen die in de mens wonen. Al onze gedachten worden naar hun oorsprong teruggevoerd om noodgedwongen alleen op ons zelf, op wat in ons wezenlijk is te teren. Door droombeelden worden wij ons geleidelijk bewust van onze nieuwe staat. Het vagevuur vangt aan, de zuivering die nodig is om God te zien. Ieder heeft een engelbewaarder die ons beschermt tegen het kwaad. Engelen zijn geesten, mensen zijn mengingen van geest en stof. Engelen kennen geen tijd en ruimte. De ziel krijgt van hen te horen dat ze in een wereld van symbolen heeft geleefd, maar dat ze nu op zichzelf is teruggeworpen. Pas op de Dag des Oordeels zal alles worden hersteld. De ziel moet dus los van het lichaam op die Dag wachten. ‘Doch hoe reeds nu de heiligen in de glorie Gods aanschijn zien, mag ik u niet verklaren’, zegt de engelbewaarder tot de ziel. De ziel mag de Heer voor een enkel ogenblik aanschouwen alvorens ze het vagevuur ingaat. Het vagevuur is de schaamte Hem niet te mogen zien omdat men niet zuiver genoeg is. De staat van de ziel is bepaald door het leven op aarde, en voor de meesten geldt dat ze de dunk van de wereld meer beminnen dan de goedkeuring van Hem. En droom, zegt Newman, is geen verzinsel, maar een werkelijke geestestoestand.
de voorzitter
|
|||||
| Terug | |||||