| VERSLAG | |||||
| SINT NICOLAAS ACADEMIE, 19 november 2011 | |||||
|
KATHOLIEK ZONDER VATICANUM II? dr. P.W. F. Hamans |
|||||
![]() |
|||||
|
Het antwoord op die vraag is nee. Om het te illustreren begint dr. P.W. F. Hamans, kerkhistoricus en pastoor in het bisdom Roermond, met uiteen te zetten wat onder het begrip “concilie” verstaan wordt, en vooral onder “oecumenisch”, want Vaticanum II (1962-’65) was het 21ste oecumenisch concilie in de geschiedenis van de Kerk. Het gaat om een rechtsgeldig bijeenroepen van het wereldepiscopaat. Daaraan namen in het laatste geval rond 5000 bisschoppen deel. De uitspraken van een oecumenisch concilie zijn bindend voor de hele Kerk, voor de hele christenheid, maar beslissend is de ondertekening van die uitspraken door de paus. Het gaat daarbij niet om het laten gelden van de meeste stemmen. En er zijn in het verleden ook concilies geweest die niet, of maar gedeeltelijk, door de paus zijn ondertekend. De paus kan bovendien, op grond van de onfeilbaarheid, bindende uitspraken doen waarvoor geen concilie nodig is. De bisschoppen mogen standpunten innemen, maar willen ze bindend zijn dan moet de paus ze goedkeuren. En de paus vertegenwoordigt het leergezag, dat algemeen geldend is. Niet alle uitspraken door een concilie zijn gelijkwaardig. Er zijn bestuurlijke of disciplinaire zaken, en er zijn zaken die het Geloof betreffen, soms van dogmatisch karakter. De constitutie “Gaudium et Spes” bijvoorbeeld, is een zeer tijdgebonden tekst die de verhouding tussen de Kerk en de wereld behandelt. Deze tekst heeft veel minder waarde dan de constitutie “Lumen Gentium”, die de leer raakt. Ook op zaken betreffende de zedelijkheid dragen conciliaire uitspraken een bindend karakter. Was Vaticanum II louter een “pastoraal” concilie? Die mening hoort men vaak in traditionalistische kringen. Dat zou dan betekenen dat vele zaken voor discussie vatbaar zijn, of naast zich neergelegd mogen worden. Dr. Hamans stelt dat het concilie wel degelijk, ook, leerstellige kwesties aan de orde stelt. Moeilijk te beantwoorden is de vraag waar dat leerstellige of dogmatische begint, en waar de interpretatie halt moet houden. Zuiver dogmatisch in de zin van ex-cathedra is Vaticanum II niet geweest. Het laatste echte dogma, de Ten hemel Opneming van de Heilige Maagd Maria, dateert van 1950. Leerstellige kwesties of dogma’s komen aan de orde omdat daarover in de periode voorafgaand aan een concilie twijfels bestaan. Zo werd in 1870, op Vaticanum I, de pauselijke onfeilbaarheid afgekondigd. Bij zo’n dogma is de inhoud belangrijker dan de vorm of wijze van formuleren. Bindende concilie-uitspraken gaan terug op Jezus, op de Openbaring. Jezus heeft zich niet uitgelaten over zedelijke kwesties, maar op grond van het oudtestamentische gebod “gij zult niet doden” kan de Kerk zich uitspreken tegen abortus. Op grond van de traditie spreekt de Kerk zich ook uit tegen vrouwen in het priesterambt. Op het laagste niveau kunnen concilies opinies behandelen waarover men kan verschillen. Van kerkbedienaren wordt per eed gevraagd zich te houden aan alles wat de Kerk op het punt van geloof en zedelijkheid leert. En zij horen loyaal te zijn aan de paus. Van ketterij is sprake indien men hardnekkig vasthoudt aan onjuiste standpunten en meent dat men de enige is die het juist ziet. Tijdens de vragen door toehoorders komt o.a. aan de orde: waarom de Kerk zo weinig gedaan heeft om het concilie uit te leggen, vooral daar er in de pers allerlei meningen over verschenen die de gelovigen in verwarring brachten. Een andere vraag, die al eerder is gesteld, was: zijn de teksten van het concilie niet opzettelijk dubbelzinnig, waardoor men er verschillende kanten mee op kan. En hoe zit het met de liturgie? Mag men de Tridentijnse Ritus, sinds enige jaren door paus Benedictus XVI vrijgegeven, beschouwen als een buitenbeentje door van “buitengewoon” te spreken, als betrof het iets tweederangs? En in hoeverre is paus Paulus VI op sleeptouw genomen door een progressieve factie binnen het Vaticaan toen hij de Novus Ordo doorvoerde? Op alle vragen gaf dr. Hamans uitvoerig antwoord, meestal tot bevrediging van degenen die ze stelden.
de voorzitter
|
|||||
| Terug | |||||