| VERSLAG | |||||
| SINT NICOLAAS ACADEMIE, 21 januari 2012 | |||||
|
KATHOLIEKE SCHRIJVERS IN DE JAREN DERTIG André Kersten |
|||||
|
|
|||||
|
André Kersten, chroniqueur van het katholieke Nijmegen en redder van bij het vuilnis gedeponeerde katholieke bibliotheken, maakt aan de hand van een paar voorbeelden duidelijk hoe de kerkelijke hiërarchie niet altijd even blij was met wat katholieke schrijvers in hun tijdschriften naar buiten brachten. Zijn aandacht richt zich vooral op de schrijvers rond “De Gemeenschap” en “Roeping”. Het eerste, in 1925 opgerichte tijdschrift, stelde zich onafhankelijk van de Kerk en de Rooms-Katholieke Staatspartij op. De dichter Jan Engelman, de schrijver van korte verhalen Albert Kuyle, de architect Willem Maas en later de coryfee Anton van Duinkerken vormden de kernredactie. Het blad hield zich bezig met kunst in de meest ruime zin van het woord, levensbeschouwing en politiek. Het volgde nieuwe bewegingen in het algemeen, het stond open voor niet-katholieken en het schonk ook aandacht aan auteurs uit andere landen. Het non-conformistische karakter vond waardering bij niet alleen katholieke schrijvers als Albert Helman en de Vlaamse expressionisten, maar ook bij invloedrijke buitenstaanders als Hendrik Marsman, Menno Ter Braak en E. du Perron. “De Gemeenschap” begon met 250 abonnees en groeide tegen eind jaren dertig uit naar 1700. In 1941 hield het blad op te bestaan. In 1934 verliet Albert Kuyle wegens rechtse sympathieën de redactie om “De Nieuwe Gemeenschap” op te richten. De gemoederen in de jaren dertig waren ernstig verdeeld over zaken als het Italiaanse fascisme, de opkomst van het nationaal socialisme in Duitsland en de Spaanse Burgeroorlog. Toen de dichter Gerard Wijdeveld in “De Gemeenschap” een hekeldicht publiceerde tegen het lakse missiebeleid in Nederlands Indië, en daarmee de RK Staatspartij voor het hoofd stootte, kreeg het blad een waarschuwing van kardinaal De Jong. “Roeping”, opgericht in 1922 door doctor Moller, de stichter van de Katholieke Leergangen in Tilburg (voorloper van de Katholieke Universiteit), was van een ander gehalte. Schoonheid vormde het uitgangspunt, bewijs van de openbaring van God. “Roeping” sloot aan bij het Rijke Roomse Leven. Religieuze lyriek en een neo-thomistische inslag kenmerkten dit blad, dat vele redactiewisselingen kende en dat in 1924 leidde tot een kortstondige afsplitsing van het tijdschrift “De Valbijl”, waarin zich de gebroeders Gerard en Henri Bruning manifesteerden. De zeer talentvolle Gerard stierf jong, Henri leefde tot ver na de oorlog. Beiden waren tegenstanders van de democratie en juichten de staatsgreep van Mussolini toe. Henri Brunings boek “Verworpen christendom” van 1937 mag gelden als de belangrijkste katholieke publicatie in Nederland. In hetzelfde jaar verschenen “Van oude en nieuwe christenen” van Menno ter Braak en “Verscheurde christenheid” van Anton van Duinkerken. Ter Braak had het christendom afgeworpen en betoogde, in navolging van Nietzsche, dat de nieuwe christenen niet meer in hun eigen Geloof geloofden. Wat hij waardeerde in Bruning was diens bestorming van het triomfalisme van de Kerk – waarin hij een vervalsing van het Evangelie zag. Bruning werd geïnspireerd door Léon Bloy, die in Frankrijk de katholieke Kerk de spiegel voorhield van de profeten en de Maagd Maria verschenen te La Salette. Bloy was de peetvader van de bekeerling Pieter van de Meer de Walcheren, die met zijn publicaties een grote rol speelde tijdens het interbellum. De ontvangst van Bloy’s werk in Nederland stuitte op kritiek van officiële zijde van de Katholieke Kerk, maar werd bewonderd door de priester-schrijver Wouter Lutkie, redacteur van het tijdschrift “Aristo”. Aparte vermelding verdient Gerard Knuvelder, die al snel Moller verving in de redactie van “Roeping”, maar de kritiek moest verduren van Van Duinkerken. Knuvelder ontwikkelde zich in de jaren dertig tot uitdrager van de sociale leer van de Kerk – via de encyclieken De rerum novarum (1891) en Quadragesimo Anno (1931), het neo-thomisme in de theologie, de studie over de Middeleeuwen van Nicholas Berdjajew. Hij beschreef het achtergebleven katholieke Brabant, over de fabrieksarbeid van meisjes en vrouwen, over Indië onder Nederlands bestuur, maar zijn naam vestigde hij vooral als auteur van de katholieke literatuur in Europa (1934) en de Nederlandse letterkunde (1937-’39). Gerard Knuvelder was evenals Anton van Duinkerken lid van het Comité Waakzaamheid (tegen het dreigende nationaal-socialisme). Albert Kuyle en Henri Bruning daarentegen, sympatiseerden met het fascisme en het nationaal-socialisme. Door zijn lidmaatschap van de Kulturkammer tijdens de bezettingsjaren is het werk van Henri Bruning na 1945 in de verdomhoek geraakt. Een baanbrekend boek over Katholiek Nederland dat Henri Bruning rehabiliteert, met ook veel aandacht voor Léon Bloy, Pieter van der Meer de Walcheren, Wouter Lutkie en het christendom versus de uitdaging van Nietzsche is van de hand van Henk van Gelre, “Mijn herwaardering van waarden”, 2005, Aspekt, Soesterberg.
de voorzitter
|
|||||
| Terug | |||||