Home » Uncategorized

Category Archives: Uncategorized

WAT IS GELOVEN ? 18 november, 2017

 

                                                                                                                          

 

 

 

 

DAMIAAN MEUWISSEN, rechtsfilosoof en hoogleraar, heeft zich ontwikkeld tot algemeen filosoof met als uitgangspunt Hegel en andere Duitse denkers als Kant en Heidegger. Daarin volgt hij o.a. de jezuïet Karl Rahner, vooraanstaand theoloog in de aanloop naar het Tweede Vaticaans Concilie van 1962-’65.

Wat is geloven? Allereerst een dagelijkse handelwijze waar iedereen mee te maken heeft. Je kunt niet zonder. Het is iets voor waar aannemen, ook al betreft het nepnieuws of leugens. Geloven is vertrouwen op iemand, of op een instantie die men voor geloofwaardig houdt. Geloof, fides in het Latijn,  heeft met “fiducie” te maken. We kunnen nou eenmaal niet alles zelf uitzoeken.

Voor het christelijk geloof geldt om te beginnen wat geldt voor bovenstaande. Vervolgens: wat is waarheid? Waarheid in het christendom? We hebben daar intuïtief een idee van. En dan zoeken we uit of de christelijke waarheden kloppen met de feiten, met de werkelijkheid. Neem de verrijzenis van Jezus. Daarin geloven wij op grond van de geloofwaardigheid van de apostelen, de Evangeliën. Dat geloof is specifiek christelijk. Het wortelt in de Goddelijke Openbaring, zoals we die kennen uit de H. Schrift. Hier hebben ongelovigen moeite mee, maar ook voor gelovigen eist het de nodige overdenking.

Binnen het Geloof is een ontwikkeling, die nog steeds gaande is. De wende, de grote keer kwam met het Tweede Vaticaans Concilie van de jaren zestig van de vorige eeuw. Maar daarvoor, in de negentiende eeuw, en begin twintigste eeuw gebeurde er al het nodige dat op het concilie vooruitliep. Om te beginnen, het Eerste Vaticaans Concilie van 1870, dat voortijdig werd afgebroken vanwege de Frans-Duitse oorlog en de invasie van Rome. Twee belangrijke punten kwamen toen aan de orde. Ten eerste, het dogma van de onfeilbaarheid van de paus; en ten tweede, de positie van het Geloof zelf. Dat laatste draait om de stelling  dat de menselijke ratio, of het natuurlijk verstand voldoet om God te leren kennen. Dit, los van de Openbaring! En zo ontwikkelde zich vanuit die stelling een natuurlijke theologie. Die werd heftig aangevochten door de protestanten, door bv. de Zwitserse theoloog Karl Barth.

Vaticaan II, dat de deuren naar de wereld opende, benadrukte het Geloof uitgaande van het vertrouwen op, en bijgevolg de overgave aan God. Theologen als Karl Rahner en Henri Lubac beriepen zich daarbij o.a. op Kant, Hegel en Heidegger. Het Credo heette voor hen geloofwaardig, en het veronderstelde een persoonlijke relatie met Christus.

Een katholiek-protestantse controverse betrof het begrip “genade” (gratia). Voor Luther gold “genade alleen” (sola gratia), naast sola fide en sola scriptura, het geloof en de Schrift  los van de traditie, de overlevering. Onder “genade” verstaan de katholieken echter ook de praktijk van de goede werken. Niet dat protestanten daar vreemd aan zijn, maar gratia zien zij toch vooral als enkel iets van buitenaf. De katholiek ziet de genade eveneens als een gave, maar benadrukt daarbij de vatbaarheid van de ontvanger, het zich openstellen voor, en actief meewerken met de genade. Voor de rest mogen de theologen er hun hoofd over breken.

Gaan we terug naar het leren kennen van God, dan zal men er niet onderuit kunnen dat dit een zoeken veronderstelt bij wie geloven wil, en meer nog een neiging tot liefde. Kennen op basis van liefde opent onze ogen, en laat het licht schijnen in de duisternis.

Geloof en Rede, Fides et Ratio, theologie en wetenschap, religie en filosofie…, wat is de verhouding tussen die twee? Wat die ook is, het is de rede, het verstand dat het initiatief neemt. Het Geloof wordt dan gezien als aannemelijk, als niet onredelijk, als toetsbaar met ons denkvermogen.  Daarentegen ben je onredelijk als je niet gelooft. Niemand kan trouwens bewijzen dat God niet bestaat.

Onze tijd is er een van secularisering. Seculier betekent in wezen: in de tijd, in de ruimte. Dit, op grond van de Incarnatie, de Menswording Gods. De tijd verbonden met de eeuwigheid. Helaas ontkent de huidige tijdgeest  dat er iets is dat tijd en ruimte overstijgt, en daarmee is ieder religieus geloof van de baan. Het boventijdelijke, het bovennatuurlijke of buitenruimtelijke is uit ons opinieklimaat verdreven. Het is als Pilatus die in confrontatie met Jezus Christus zegt: wat is waarheid? Hier botst de heersende houding die zich op de feiten, op de werkelijkheid beroept met de wereld van het onwerkelijk ware: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld”.

In de jaren veertig pleitte de theoloog Dietrich Bonhoeffer, verzetsstrijder tegen het nazisme, in de gevangenis voor een religieus christendom los van de institutionele vorm, dus zonder kerkelijke structuur. Dat vond vooral weerklank onder protestanten. Maar kun je om de kerk heen? Die is immers door Jezus Christus zelf ingesteld. In de sfeer van Vaticaan II klonk bij de theoloog Schillebeeckx, geïnspireerd door de marxistische filosoof Ernst Bloch, de nagalm van de christelijke deugd van de hoop. De hoop op de verrijzenis, in aansluiting op het vierde mariale dogma van haar Ten Hemel Opneming. De dood heeft niet het laatste woord!

de voorzitter

P.S. Damiaan Meuwissen publiceerde in samenwerking met anderen het boek Europa reflexief, een bezinning op de Europese geest, de toekomst en de positie van religies binnen Europa.

RELIGIE EN SECULIER DENKEN 21 oktober 2017

Professor Frank Koerselman

 

Frank Koerselman, professor psychiatrie in ruste, stelt –vanuit psychologisch oogpunt – vast dat de mens van nature in iets hogers wil geloven, iets waaraan hij zekerheid kan ontlenen. Dat hogere zou in onze tijd kunnen doorgaan voor “politieke correctheid”. In zijn boek Wie wij zijn primeert het begrip “identiteit”. Die term hoort men tegenwoordig vaak. Fundamenteel is in elk geval de behoefte aan veiligheid en geborgenheid, die evenwel lastig te rijmen valt met een andere fundamentele behoefte, de expansiedrang. In zijn zucht naar zelfbevestiging zoekt de mens de acceptatie van de groep, maar daarbinnen bevinden zich ook zijn concurrenten.

Religie biedt meer geborgenheid dan secularisme. Psychologisch gezien, verstaat Koerselman onder “religieus” een soort gevoel, stemming, liefde voor schoonheid, maar ook angst en huiver. Het is openstaan voor een soort gewaarwording, zoals men openstaat voor muziek. Je kunt religie ook als bedreigend ervaren. De religieuze mens weet zich in elk geval afhankelijk, in verwondering en in vrees.

Van oudsher is de mens tot het religieuze geneigd, maar daar kan een eind aan komen, zoals bijvoorbeeld in Nederland. Vroeger nam men voor het omgaan met de werkelijkheid zijn toevlucht tot verhalen, tot sprookjes en legenden. Ooit waren mensen levende verhalen. Daarnaast waren er de rituelen, die aan tijd en plaats structuur geven. Ook niet-religieuze mensen kennen rituelen. Cruciaal is dat religie greep probeert te krijgen op het feit van onze sterfelijkheid, de dood, het verlies van dierbaren, het onderscheid tussen wie het voor de wind gaat en wie moeten creperen, de eenzaamheid. Dit alles vond niet alleen een uitweg in het christendom, maar ook daarbuiten. Het perspectief van de hemel waarin eertijds de goden leefden diende als spiegel en ideaalbeeld voor de stervelingen. Opgaan in die bovennatuurlijke wereld gold als doel en werd gezien als voortzetting van het leven in de natuurlijke wereld.

Ondertussen kreeg de mens in zijn sterfelijk bestaan te maken met het probleem van het lijden, dat de orde verstoort. De sterken waren daar beter tegen opgewassen dan de zwakken. Het christendom groeide op te midden van die laatste, onder  armen en slaven en het lage volk. Die hadden het moeilijker in het trotseren van tegenspoed. Het christendom leerde enerzijds de wereld te aanvaarden zoals ie is, en anderzijds uit te zien naar een gelukkig hiernamaals. Daarvoor was de Verlosser nodig.

Een van de dingen die voor de christenen in de wereld centraal staat is het gezin, een microkosmos waarbinnen de taken verdeeld waren, waarin de man en de vrouw elk een eigen functie hadden, als kostwinner en als verzorgster van de kinderen. In onze postmoderne tijd wordt het gezin niet meer gezien als de nucleus van de samenleving. Alleen op 24 december vullen zich nog de lege kerken. Want dan viert men het ideale gezin, het verhaal van mensen die de moeilijke omstandigheden te boven komen. Het gezin vertegenwoordigt het vermogen om te overleven in een barre wereld. Alleen red je het niet. In onze tijd is het gezin een onderwerp van strijd en verzet. Dat is een gevolg van de anti-religieuze trend sinds de Franse Revolutie, van de opstand tegen het christendom als zijnde onderdrukkend. Revoluties scheppen een nieuwe mens, die ondergeschikt is aan de soort, aan het collectief.  In plaats van tussen gezinsleden, beweegt hij zich tussen “citoyens” en kameraden. Maar het communisme loopt uit op mislukking. Het preekt de gelijkheid en gaat voorbij aan de werkelijkheid van de verschillen. En zo zien we na de val van het staatscommunisme in Rusland de religie weer opbloeien.

Nederland loopt op het punt van seculier denken voorop. De generatie van 1968 wilde uit onder een geborgenheid die ze als beknellend ervoer. De naoorlogse jongeren wilden los van de oude hiërarchische structuren. Het individu moest vooropstaan. Maar ook de vrije en autonome mensen kunnen niet heen om de realiteit van de dood en het kwaad. En hoe moet dat zonder religie? En hoe vanuit de gepropageerde gelijkheid om te gaan met de realiteit van het verschil? Hoe te leven zonder “verticale dimensie”? Wat we bijvoorbeeld zien, is dat er geen rekening wordt gehouden met de minderheid, met ouderen. En ouderen van hun kant, laten zich met “jij” aanspreken omdat “u” te oud klinkt. Men tutoyeert elkaar, men noemt elkaar bij de voornaam. Wat in de nivellering verdwijnt, is het respect. Mannen mogen niet meer. Hun spierkracht is passé. Er is geen verschil meer tussen man en vrouw. En ook de denkkracht dreigt erbij in te schieten.

Het kwaad valt niet te ontkennen. Men neutraliseert het met het argument dat het in jezelf zit, of juist in een ander. Omgaan met de dood blijkt onmogelijk zonder religieuze verklaring. Te vergeefs probeert men de dood te bezweren met de euthanasie. Daarachter zit  een gevoel van woede. Doodsangst is normaal. Maar die overwin je niet door het kunstmatig beëindigen van het leven. Rest nog de realiteit van de eenzaamheid. Daar denkt men maar liever niet aan. De niet-religieuze mens heeft er geen oplossing voor. Alles wat hij nog doet, is keihard schreeuwen, om gehoord te worden, om als slachtoffer te poseren.

De ontkerkelijking en de ontkerstening hebben de generatie van 1968 verweesd achtergelaten. Er zijn maar weinig mensen die erin slagen echt als vrije individuen  te leven. Het komt uiteindelijk aan op het vermogen om te gaan met tegenslagen, aldus Koerselman. .

De beroemde Nederlandse psychiater H.C. Rümke omschreef “ongeloof” als een ontwikkelingsstoornis. Maar dat is al weer enige tijd geleden.

 

de voorzitter

KENT ONZE TOEKOMST NOG MORALITEIT ?

SINT NICOLAAS ACADEMIE, 16 SEPTEMBER 2017

Michiel Hemminga: aan de hand van Alasdair MacIntyre

 

Bestaat er in onze samenleving nog een moraliteit die ons bindt? Die bestaat net zo min als dat er nog een religie bestaat die ons bindt. Onze maatschappij is nadrukkelijk pluralistisch, multicultureel en individualistisch.

Bestaan er, vanuit humanistisch oogpunt, deugden die ons binden, zoals bijvoorbeeld rechtvaardigheid en moed? Wat die inhouden zal voor elke groep, en zelfs voor een ieder anders zijn. Hetzelfde geldt voor waarheid. Die is afhankelijk van elke afzonderlijke beschouwer, zoals ook de werkelijkheid afhangt van ieders waarneming. Op geestelijk vlak houdt niets ons bij elkaar. Alles wat we delen is de fysieke ruimte en de taal die we nodig hebben om nog net voldoende orde te handhaven aangezien we anders, praktisch genomen, niet meer zouden kunnen functioneren. Subjectivisme en relativisme vieren hoogtij.

De Schotse filosoof Alasdair MacIntyre begon als marxist en eindigde als katholiek. Zijn meest bekende werk, After Virtue (1981), omvat een pleidooi voor de heropleving van de deugden. Inspiratie daarvoor zoekt hij bij Aristoteles, die de situatie van de Griekse stadstaat, met name het oude Athene, als uitgangspunt heeft. Het individu is daarin ondergeschikt aan het algemeen belang. Wat goed is voor de gemeenschap, is goed voor de enkeling, en vice versa. Dus over wat rechtvaardigheid en moed inhouden, bestond daar eensgezindheid.

In de christelijke Middeleeuwen worden de deugden aanbevolen: voorzichtigheid, rechtvaardigheid, gematigdheid, moed, aangevuld met geloof, hoop en liefde. Dat alles onder inspiratie van het christendom. Die tijd is voorbij. Na het protestantisme kwam de Verlichting en sindsdien probeerden de filosofen een moraal te gronden op louter het verstand. In onze tijd heeft het verstand het veld geruimd voor het emotionele, voor datgene wat goed voelt.

MacIntyre herinterpreteert Aristoteles met betrekking op zogenaamde praktijken. Praktijken waarin binnen een gemeenschap overeenstemming bestaat over het goede, zoals in een beroepspraktijk waarin het voor alle betrokkenen duidelijk is waaruit vakmanschap bestaat. Denk aan het ziekenhuis of de school.

MacIntyre ziet moraliteit dus in het kader van gemeenschappen die een opvatting delen van het goede. Bij een ziekenhuis is dat duidelijk, want gericht op het genezen van mensen. Omdat mensen in zo’n situatie lid zijn van dezelfde beroepsgemeenschap hebben ze een gedeeld belang, dus wat goed is voor de een, is ook goed voor de ander. MacIntyre voegt er in het geval van bijvoorbeeld een politieke gemeenschap de historische dimensie aan toe en zoekt de eenheid niet alleen in het heden, maar ook door de tijd heen. Deugden hebben een traditie en horen bij elkaar. Rechtvaardig handelen bijvoorbeeld, vereist moed.

We zitten nu in het Westen met het probleem dat we het binnen onze samenlevingen, als we daarvan nog spreken kunnen, geen gedeeld begrip van rechtvaardigheid meer hebben. De uitkeringstrekker en de belastingbetaler zullen het mogelijk niet eens zijn over de herverdeling van geld. Patriottisme bestaat dan ook nauwelijks meer aangezien de overheid niet langer gedeelde opvattingen over het goede vertegenwoordigt. Dus de overheid wordt alleen nog gekenmerkt door regelgeving en het bureaucratisch managen van verschillende groepen.

Een moraal die ons zou binden vereist, Bijbels gezien, allereerst een ontwikkeld geweten, een besef van goed en kwaad, van verantwoordelijkheid om het goede te doen, en een schuldgevoel wanneer men daarin tekort schiet. Maar is een dergelijk besef te verwachten van een samenleving als geheel? Een individu kan ethisch verantwoord handelen. Maar kan een groep, een overheid dat ook? Om van een samenleving zonder God maar te zwijgen. Schaf je God af, dan is het ergste mogelijk, stelde Dostojewski. Nietzsche verklaarde God dood omdat hij zag dat de pogingen van de filosofen om een moraliteit te gronden op de rede, op het nut of op de gerichtheid op geluk niet overtuigden. Zelfs binnen het christendom was moraliteit alleen mogelijk in besloten gemeenschappen, zoals een klooster. Wat rest, zijn de laatste vijf van de Tien Geboden. Daarzonder is het bestaan van een samenleving onmogelijk.

Dat een algemeen gedeeld zedelijk besef samenhangt met waarheid ligt voor de hand. De vraag van Pilatus tegenover Christus, wat is waarheid?, is ook de vraag van de filosofen van onze tijd. En in hun filosofie heeft sinds Nietzsche met de metafysica, ook het christendom afgedaan. Voor ieder is waarheid iets anders, zoals ieder goed vindt wat goed voelt.

 de voorzitter

 

 

 

MARTELAARSCHAP IN ISLAM EN CHRISTENDOM

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

17 juni 2017

Dominee Huib Klink, predikant te Hoornaar, is een zeer belezen man, vertrouwd met de grote theologen en filosofen, kenner in het bijzonder van Kierkegaard, liefhebber van Plato, bewonderaar van Maarten Luther en de antirevolutionaire voorman Groen van Prinsterer, verbonden met het Conservatief Café te Gouda, frequent bezoeker van Italië en gaat prat op het hebben van katholieke vrienden.

Het begrip “martelaarschap” associeert men in onze geseculariseerde tijd met de islam, zoals het woord God staat voor Allah. De God van de Bijbel – benadrukt de dominee – moet men daar liever van gescheiden houden. En wat moslims en moslima’s onder “martelaren” verstaan, verschilt wezenlijk van wat het christendom daaronder verstaat. Ondertussen heeft de westerse mens een probleem met het verstaan van de revolutie in de jaren 70 in Iran vergeleken bij de Franse Revolutie van weleer. Hoe die eerste te duiden?, vroeg de filosoof Michel Foucault zich af. Of anders gezegd, hoe moet de verlichte adept van de moderniteit de islam begrijpen? Bijvoorbeeld door te wijzen op de armoede, gekoppeld aan ressentiment als verklaring voor de radicalisering van moslims. Uiteraard moeten humanisten als Paul Cliteur niets hebben van godsdienst. Alle godsdiensten zijn volgens hen levensgevaarlijk, want kweekbodem van fanatisme. Als voorbeeld wordt wel eens gewezen op de figuur van Pinechas die in de tijd van Mozes duizenden Israëlieten die zich met vreemde vrouwen hadden afgegeven de dood injoeg. Hij staat model voor de latere ijveraars, die in de tijd van Jezus streefden naar onafhankelijkheid van de Romeinen, desnoods met geweld. Hierover schreef de Duitse theoloog Martin Hengel, hoogleraar in Tübingen, zijn boek “Die Zeloten” (1956), uitgaande van de vraag: hoe verhoudt zich het Evangelie tegenover de Geschiedenis.

Of anders gesteld: is de christen geroepen om eventueel met het zwaard Gods koninkrijk op aarde af te dwingen? En is hij dan, voor geval hij daarbij sneuvelt, een martelaar? Onder de joden van de oude tijd had je de Maccabeeën, die zich met geweld verzetten tegen de vergrieksing van hun leefomgeving, in het bijzonder de ontheiliging van de tempel. Hun opvolgers, de zeloten, wilden de Romeinse bezetters verdrijven. Jezus zou hun koning kunnen worden, maar Jezus had een andere missie. Niet alleen de joden, de mensen in het algemeen hadden verlossing nodig. Zijn missie was niet nationaal, maar universeel. Flavius Josephus, de joodse historicus die aanvankelijk sympathiseerde met de opstand tegen de Romeinen in de periode na de dood van Christus, en die de handelwijze van de sicariërs – extremistische zeloten – beschrijft die zich met dolken onder de menigtes begaven om willekeurig wie overhoop te steken, veranderde uiteindelijk van inzicht. Het messiaanse rijk vestigde je niet door middel van de wapens. Uit de profeet Daniël begreep hij dat het messiaanse rijk als een steen vanaf een hoge berg zou neerrollen om naast en in de wereldse rijken wortel te schieten en tot grote proporties uit te groeien. Dat inzicht leefde mogelijk ook onder de farizeïsche elite in de tijd van Jezus, maar het gewone volk wilde zichtbare resultaten, en daarmee hielden de autoriteiten die door de Romeinen waren aangesteld rekening.

‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’, waren de woorden die Jezus tot Pilatus sprak. En ook de duivel had hij dat eerder duidelijk gemaakt in de woestijn toen deze hem de macht over alles wilde geven. Judas Iscariot, die tot de zeloten behoorde, heeft hem mogelijk verraden omdat hij zich niet als een wereldse bevrijder wilde opwerpen. Jezus’ intocht in Jeruzalem op Palmzondag met het alleluja van de kinderen was niet het soort revolutie waar de zeloten warm voor liepen. Jezus greep niet naar het zwaard. En de enigen die hem aanvoelden waren de geestverwanten van Maria en Jozef, de profeten Simeon en Zacharias. De universele bedoelingen van het messianaat komen het meest naar voren in de Griekse Bijbel, de Septuagint. Het ging niet alleen om Israël. In zijn boek “Judentum und Hellenismus” stelt voornoemde Martin Hengel het rijk van de wereld tegenover het rijk van de hemel. Degene die naast Christus aan het kruis stierf, de moordenaar die vroeg hem te gedenken wanneer Hij in zijn koninkrijk zou komen – en die tegenover de andere moordenaar de Gekruisigde in het midden honend had uitgedaagd zichzelf te redden als hij de Messias was -, had Zijn woorden – ‘Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen’ – begrepen en hoorde als enige de woorden: ‘Nog heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs’.

Geen wraak nemen, dat maakte indruk op de moordenaar aan wie het koninkrijk Gods was beloofd. Het martelaarschap in de zin van Christus bestaat uit wat christenen overkomt, wat ze wordt aangedaan. Het martelaarschap van de extremistische moslims, van de terroristen bestaat uit haat tegen anderen en zoveel mogelijk anderen in de dood willen meenemen.

Moeten christenen dan maar alles over hun kant laten gaan, Gods water over Gods akker laten lopen? Nee. Getuigen is altijd bewonderenswaardig, en alleen al dat kan de woede, de minachting of het doodzwijgen uitlokken vanuit de heersende tijdgeest of de gevestigde orde.

de voorzitter

DE NEDERLANDSE PAUS ADRIANUS VI, 20 mei 2017

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Wees geduldig en houd stand”, luidde de lijfspreuk van Adrianus. Pim Walenkamp is leraar Nederlands, journalist, gids, studeerde geschiedenis, zit in het bestuur van het CRK (Contact Rooms Katholieken) en van het Katholiek Nieuwsblad. Al geruime tijd werkt hij in zijn vrije uren, en onbezoldigd, aan een proefschrift over de Nederlandse paus. Over een jaar of twee hoopt hij daarmee klaar te zijn.

Adriaen Floriszoon Boeyens werd geboren in 1459 in Utrecht. Zijn ouders waren zeer bemiddeld, maar niet van adel. Ze bewoonden een groot stenen huis en behoorden tot de ingezetenen van de stad. Vader overleed toen Adriaen nog heel jong was. Op zijn twaalfde mocht hij gaan studeren, en dat gebeurde op een kostschool waar de lessen de geest volgden van de Moderne Devotie, een beweging in Noord West Europa die inspiratie putte uit het oorspronkelijke christendom en waarvan Geert Groote bekend staat als de belangrijkste vertegenwoordiger. Dat Adriaen priester wilde worden, wist hij al vroeg. De enige opleiding daarvoor in de Lage Landen was de Universiteit van Leuven. Twaalf jaar lang studeerde hij daar, en zijn promotie betrof een commentaar op een deel van het Bijbelboek Spreuken dat is toegeschreven aan koning Salomo. Adriaen benaderde zijn onderwerp op scholastieke wijze en uitgaande van de rede. Zijn priesterwijding viel rond 1489. In Leuven fungeerde hij als docent, en sinds 1493 als rector magnificus.

In het eerste decennium van de zestiende eeuw viel hem een bijzondere taak ten deel, en wel de opvoeding van de in 1500 te Gent geboren prins die weldra koning van Spanje zou worden, keizer van het Heilig Roomse Rijk, alsmede Heer van de Nederlanden. Karel V, zoon van Filips de Schone (Habsburg) en Johanna dochter van Isabel van Castilië en Ferdinand van Aragon. Als vijftienjarige bezocht Karel voor het eerst zijn Spaanse koninkrijk in gezelschap van jonge Vlamingen die in het zuiden op erebaantjes en bezit aasden. Dat leidde tot een conflict met de plaatselijke notabelen van de steden, en zo moest de kersverse koning een opstand onderdrukken om zijn gezag te vestigen, de zogeheten oorlog tegen de “Comuneros”.

Adrianus was meegetrokken naar Spanje, en kreeg te maken met de opstand. Verwacht werd van hem dat hij hard optrad in zijn functie als bisschop en kardinaal van Tortosa. Daarin onderscheidde hij zich van andere verantwoordelijken doordat hij de gebruikelijke wreedheden vermeed en voor het bestraffen van opstandelingen eerst harde bewijzen eiste. Hij betoonde zich een rechtvaardig mens. Dat mag eveneens worden gezegd van zijn broodheer en voormalige leerling koning Karel. Diens werk was allesbehalve gemakkelijk. Hij was jong en bevond zich in een land dat hij niet kende. Zijn moeder Johanna leefde opgesloten in een kasteel aangezien men haar ontoerekeningsvatbaar achtte en ongeschikt om de regering namens haar zoon waar te nemen. Wie aan de touwtjes trok was kardinaal Cisneros, primaat van Spanje, stichter van de Universiteit van Alcalá waar geleerden werkten aan de publicatie van de Polyglot Bijbel (met naast elkaar het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn), een staaltje waar geleerd Europa, inclusief Erasmus, van opkeek. De kardinaal was behalve met de pen, ook bedreven met het zwaard getuige de inname van het islamitische kapersnest Oran (in Noord Afrika), dat hij inlijfde bij zijn bisdom Toledo.

Adrianus volgde Cisneros in 1517 op als Groot Inquisiteur, een ambt dat in de latere geschiedenis berucht is geworden door Torquemada, biechtvader van Isabel en Fernando. Rond de Spaanse Inquisitie hangt een zwarte legende die in omloop is gebracht door achtereenvolgens de protestanten, de achttiende-eeuwse encyclopedisten, de negentiende-eeuwse romantici en de marxistische historici van de twintigste eeuw. In werkelijkheid beschermde de Inquisitie de geestelijke gezondheid van het volk tegen ketterijen; en de straffen met eventueel de brandstapel zijn in de hardnekkige legende schromelijk overdreven. Adrianus stelde in zijn taak de rechtvaardigheid voorop. Hij voorzag eerder dan de meeste anderen de opkomst van Luther.

In 1521 overlijdt paus Leo X. Het conclaaf in Rome duurde twee weken, en in de laatste verkiezingsronde kwam Adrianus uit de bus als de nieuwe paus. Men wilde in elk geval een goede theoloog met het oog op het protestantisme. Interessant is dat Adrianus het conclaaf niet had bijgewoond, en zo geldt hij als de laatste paus die gekozen werd in absentia. Hij zei meteen ja op 31 augustus 1522. Maar hij bleef ook verantwoordelijk voor Spanje, terwijl Karel in Brussel zat. In zijn eerste schrijven, of bula, stelt hij als prioriteit de bekering van de ongelovigen in Amerika, een taak die hij opdroeg aan de missionarissen van de bedelorden. Zielen redden en het land ordenen, luidde de opdracht die hij gaf. Wel zei hij erbij dat ze geen dwang mochten gebruiken bij hun bekeringswerk.

Zijn reis vanuit Spanje naar Rome nam enkele weken in beslag. In Barcelona scheepte hij zich in. Onderweg droeg hij aan boord dagelijks de H. Mis op, iets waar men in Italië verbaasd over stond. Maar de sacramenten lagen hem zeer na aan het hart. In Rome bereikte hem de roep om hulp van de Maltezer ridders die het Griekse eiland Rhodos dreigden te verliezen, en ook inderdaad verloren, aan de Ottomanen. Daarbij speelde de Franse koning Frans I een verraderlijke rol; in het geheim steunde hij de moslims omdat hij Karel niet kon uitstaan en zich door Habsburg bedreigd voelde.

In Rome gedroeg paus Adrianus VI zich beduidend anders dan zijn voorgangers en de pausen die na hem kwamen. Hij ergerde zich aan de kunsten die in Italië heidens aandeden, met overtollig bloot en veel antieke mythologie. In hoeverre zijn strengheid op dit punt is ingegeven door zijn nuchtere noordelijke karakter, is een interessante vraag, mede gegeven de houding in dezen van Erasmus. Ook de in zijn ogen overdreven aandacht voor rijkdom onder de kardinalen maakte hem niet populair. ‘Verzamelt liever geestelijke schatten’, pontificeerde hij. Een toonbeeld van soberheid was hij. Speciale bescherming bood hij aan de orde van de theatijnen, voorlopers van Ignatius van Loyola, die hij een paar keer heeft ontmoet. Zo mag men Adrianus VI ook beschouwen als vooruitlopend op het Concilie van Trente dat het christendom herdefinieerde tegen het protestantisme en waarin de jezuïeten het voortouw namen. Hij erkende dat Rome zich schuldig had gemaakt aan excessen die de opstand van Luther verklaarden en waarvoor hij zich verontschuldigde.

Kortom, paus Adrianus VI mag worden beschouwd als een genadig bestuurder, engelachtig en deugdzaam, een oprecht man die zich niet liet omkopen. Ook was hij goed van vertrouwen, om niet te zeggen goedgelovig. Hij was op al deze punten beslist uitzonderlijk voor zijn tijd en voor de positie die hij bekleedde. Hij stierf in Rome in 1523, na slechts anderhalf jaar paus te zijn geweest.

de voorzitter

P.S. Onlangs verscheen het boek “De Nederlandse paus Adrianus van Utrecht” van de hand van Twan Geurts, Uitgeverij Balans.

KERK EN STAAT IN HET OTTOMAANSE RIJK

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

KERK EN STAAT IN HET OTTOMAANSE RIJK
22 april 2017
De verhouding tussen die twee was, in een woord, pragmatisch. Dat is de conclusie van Dr. Alexander de Groot, turkoloog die doceerde aan de Universiteit van Leiden, auteur van het in 1978 verschenen “The Ottoman Empire and the Dutch Republic: a history of the earliest diplomatic relations, 1610-1630” en “Nederland en Turkije 600 jaar politieke, economische en culturele contacten” (1986). Bijzondere omstandigheid is dat dr. De Groot zijn lezing geeft in de Sint Agneskerk, waar de relikwie van de “heilige doorn” (uit de doornenkroon van Jezus Christus) wordt bewaard die afkomstig is uit Constantinopel en die door de familie Testa naar Amsterdam is gebracht.

Hoe verging het de christenen onder de islam? Niet anders dan hoe het de joden verging. Zij werden getolereerd als volken van de Bijbel, maar de Koran had met de verbeterde versie van de openbaring de Bijbel naar het tweede plan verwezen. Joden en christenen hadden in het Ottomaanse Rijk een eigen plaats en genoten bescherming van de overheid. Wel moesten ze extra belasting betalen. Van de vijftiende tot en met de achttiende eeuw gold christelijk Europa als vijand. In de negentiende eeuw besefte Constantinopel dat een verovering van Europa er niet meer in zat, dus sindsdien werden de diplomatieke betrekkingen uitgebreid.
Het gedogen van de christenen door de eeuwen heen hield o.a. in dat er kerkgebouwen mochten zijn, dat die gebouwen gerestaureerd mochten worden, maar nieuwe kerken bouwen kon niet, en als de bestaande werden afgebroken kwamen er moskeeën voor in de plaats. De tolerantie ging terug op het recht van de Islam, de protectie (DHIMMA) van Joden en Christenen, die verwoord is in een legende, volgens welke kalief Omar, de tweede opvolger sinds de profeet Mohammed, een pact met de christenen zou hebben gesloten, en als gevolg daarvan mocht de oudste christelijke kerk in Arabië toegewijd aan Sint Catharina in de Sinaï woestijn blijven bestaan. De toekomstige vorsten van de islam hielden zich aan die legende.
Het rijk van de Ottomaanse sultans was het langst durende uit de geschiedenis en omspande een periode van 1300 tot 1923. In dat laatste jaar maakte Atatürk aan het Ottomaanse kalifaat een eind. Eerder had in de dertiende eeuw het

binnenvallen van de Mongolen onder Djenghis Khan een eind gemaakt aan het Arabisch kalifaat van de Abbasiden. Hun Mongoolse opvolgers vonden alle godsdiensten even goed en gebruikten de islam vooral om de politieke macht voort te zetten. Iets later, onder de Osmanen, werd de islam dominant en evolueerde de tolerantie tot systeem. Dat hield in dat de verschillende godsdienstige groeperingen een persoon als aanspreekpunt kregen waarmee de sultans het contact onderhielden. In 1453 namen de legers van sultan Mohammed II Constantinopel in. Met Selim I in de zestiende eeuw groeide het sultanaat uit tot een wereldrijk met de veroveringen van Syrië, Egypte en de heilige plaatsen Mekka en Medina. De veroveraar Selim sloeg zijn tenten op bij Jeruzalem, maar respecteerde de viering van Kerstmis.

Nadat in de achttiende eeuw onder Abdul-Medjid I, de hervormer, alle onderdanen gelijk werden gesteld, moslims en niet moslims, brak in de tweede helft van de negentiende eeuw een tijd aan waarin conservatief en modern samengingen met als specifiek kenmerk de opkomst van het nationalisme. En dat pakte niet goed uit voor de christenen. Want om door te gaan voor burger van het Rijk diende je Ottomaan te zijn. In feite bleven Grieken zich Grieks en Moslims zich Turks voelen. Naast het Griekse nationalisme kwam er ook een Turks nationalisme zodat niet-moslims zich niet meer loyaal gedroegen aan het Ottomaanse regime.
Onder de verschillende religieuze gezindten in het Rijk waren de Grieks orthodoxen de meest zichtbare. Zij vormden immers al het merendeel van de bevolking voordat Constantinopel in handen van de moslims viel. De sultan benoemde een pro-Ottomaanse priester als Oecumenisch Patriarch. Deze was dus een religieuze topambtenaar of een civiele kerkvorst die uit naam van de sultan de Griekse gemeenschap bestuurde, waaronder ook de patriarchen van Antiochië, Jeruzalem en Alexandrië vielen, alsmede de Grieks orthodoxen in Bulgarije, Roemenië, Walachije, Servië , Albanië en Arabieren . Zij mochten grond bezitten en soms zelfs nieuwe kerken bouwen. Anderzijds werden er ook kerkgebouwen onteigend, te beginnen in 1453 met de belangrijkste christelijke kerk, de Aya Sofia. Daar werd een moskee van gemaakt nadat het gebouw was opgeschoond, totdat het in 1934 in een museum veranderde.
Verdeel en heers is een oud principe, en dat gebruikte de sultan door de verhouding tussen de Grieks orthodoxen en de Rooms katholieke Latijnen moeilijker te maken dan ie al was. Want die Latijnen waren verbonden met het vijandige Westen, met de paus en vooral met wereldmacht Spanje (denk aan Lepanto 1571).

Eind 18e, begin 19e eeuw zien we, zoals eerder aangestipt, het nationalisme opdoemen, o.a. bij de Grieken. Dat uitte zich in hun streven naar een eigen staat middels een opstand in 1830. Er kwam een klein koninkrijk Griekenland tot stand, maar de meeste Grieken bleven in Constantinopel wonen, ook wel “de stad” genoemd. De stad waar de Grieken in nostalgie naar verlangen, en dat nu vooral het centrum van hun handel was. Het Ottomaanse Rijk maakte zelfs een proces van vergrieksing door. De onrust als gevolg daarvan verergerde toen aan het eind van de Balkanoorlog in 1912, toen drie miljoen moslims werden verdreven uit Europa. Na Wereldoorlog I deden de Grieken in 1919 met instemming van de Gealliëerden, Engeland en Frankrijk een inval in Klein-Azië . Onder Atatürk sloegen de Turkse nationalisten terug door de Grieken die Klein Azië waren binnengevallen hardhandig terug te drijven naar Europa, en uiteindelijk resulteerde het met vele wrede voorvallen gepaarde proces in een uitwisseling. Daarbij trokken alle moslims (“Turken “)uit Griekenland weg naar Turkije, terwijl alle Christenen (“ Grieken “) Turkije wegtrokken naar Griekenland. Wat van de Griekse gemeenschap restte in Constantinopel, bedraagt nu nog maar zo’n 4000 man. Met aan het hoofd een patriarch voor een piepkleine minderheid.

Ook de Armeense christenen hadden een vertegenwoordiging in het Rijk, met een door de sultan aangestelde patriarch. Daaronder vielen behalve Armeniërs, ook Georgiërs, Syriërs, Kopten en Nestorianen, groeperingen die als monofysieten bekend staan (= één natuur in Christus aannemen). De meeste Armeense christenen waren de handel toegedaan, zodat ze een belangrijke economische factor vormden voor het Ottomaanse Rijk. Vooral in de negentiende eeuw bereikte hun economische bedrijvigheid een hoogtepunt. In 1915 kwam er een tragisch einde aan hun aanwezigheid onder het bewind van de Jong Turken.
Voorts had je er protestanten, uitvloeisel van de Amerikaanse zending. Wat de joden betreft, waren er zowel Azjkenaziem, als Sefardiem. Die laatsten waren de nazaten van de Spaanse joden die vanaf 1492 vanwege de Inquisitie naar het Ottomaanse Rijk waren uitgeweken. Van de bevolking van Saloniki,was 68% Joods waarvan sommigen nog de sleutel bewaarden van hun huizen in Toledo. Ze bleven Spaans (Ladino) spreken en er waren er onder hen die in Constantinopel invloed uitoefenden en tot hoge status waren gestegen omdat ze vanwege hun kennis van aartsvijand Spanje bruikbaar waren voor de politiek van het sultanaat. Aan hun aanwezigheid in de voormalig Ottomaanse Balkan kwam in 1940 een eind doordat de Duitsers ze deporteerden naar de concentratiekampen. In Constantinopel zelf handhaafden zich nog Ladino sprekende Sefardische joden, die je kunt tegenkomen in de Grote Bazaar van de stad. In het moderne Turkije zijn officieel geen scholen van een godsdienstige signatuur omdat er de strikte scheiding van Kerk en Staat bestaat. Wel zijn er scholen die door katholieke Fransen of Italianen worden geleid, en die de reputatie genieten tot de beste van het land te behoren.

De bovengenoemde scheiding hield ookafschaffing in van de sharia. Voorheen was het aan de Koran ontleende recht aan het Ottomaanse Rijk aangepast, en dus allesbehalve fundamentalistisch . De sultan, tevens kalief, vertegenwoordigde alle islamieten. Hij ging door voor plaatsbekleder van Allah, ook in de hoedanigheid van wetgever, waardoor men wel spreekt van het sultansrecht. Hij bepaalde ook welke rechten de christenen hadden. De Westers Latijnse aanwezigheid in de stad Constantinopel was van oudsher het duidelijkst zichtbaar in de wijk Galata aan de noordelijke kust van de Gouden Hoorn. Hier huisden aanvankelijk de Genovezen. Doordat zij zich bij de verovering van 1453 vrijwillig onderwierpen, kregen ze privileges van de veroveraars, en werden ze bevoorrechte onderdanen van de sultan. Ze moesten als katholieken weliswaar extra belasting betalen, maar hun gunstige handelspositie maakte dat ruimschoots goed. Voorts had je er Franken, zelfs Hollandse “lutheranen” (want wat calvinisten waren, wist de Turkes overheid niet). Latijnse christenen kwamen ook voor in ministaatjes verdeeld over de Griekse archipel, maar aan die staatjes kwam in 1537 een eind. De Venetianen die op Kreta en Cyprus zaten, waren ook duidelijk in het Rijk vertegenwoordigd als zijnde de oudste handelspartners van de Osmanen met speciale voorrechten.

Tot op de dag van vandaag bestaat er een Latijnse hiërarch waaronder de bisschoppen ressorteren. De Fransen zijn onder de katholieken het meest dominant, een positie die teruggaat tot de 17e eeuw toen Parijs opkwam als rivaal van Spanje. Minderbroeders van voornamelijk Franse en Italiaanse origine kregen het beheer over de heilige plaatsen in Turks Palestina. Constantinopel rond 1580 telden de Latijnen ongeveer 3600 man. De katholieke kolonie werd in 1682 door Rome onder het beheer gesteld van de Congregatie van de Propaganda Fide. Tot1927 bestond er een Latijnse kanselarij. Zelfbestuur kregen de christenen niet, en ze moesten toezien dat kerkgebouwen die niet meer te restaureren waren, moskeeën werden. Van oudsher gold de paus als vijand, en later als autonoom staatshoofd.
Galata had drie katholieke kerken, toegewijd respectievelijk aan Maria, aan Petrus en Paulus en aan Antonius die onder Franse bescherming vielen, en sinds 1905 onder Italiaanse bescherming. Onder de buitenlandse missionarissen kwam rivaliteit voor, bijvoorbeeld wanneer het over het beheer van de heilige plaatsen ging. De bloei van de Latijnen in de 19e eeuw houdt gelijke tred met het geleidelijk verval van het Ottomaanse Rijk, door de Britten “de zieke man” genoemd. Daaraan kwam, zoals gezegd, met de Eerste Wereld Oorlog een eind, en in 1923 bleef over de nationalistische Turkse Republiek met de nieuwe hoofdstad Ankara. Sindsdien heerst het secularisme, zowel voor moslims als andere religieuze groeperingen. In Ankara zetelt een pauselijke nuntius, zoals bij
de H. Stoel een Turkse ambassadeur. Ook zijn er nog Armeense katholieken (geünieerden), Maronieten, en rooms-katholieken met Byzantijnse ritus. Ze hebben allemaal hun eigen kerken. Over het algemeen moet geconcludeerd dat de Latiniteit een aflopende zaak is. Nog wel zijn er Franstalige, Duitstalige en Italiaanse scholen die prestige genieten.

Turkse imams worden zeer gedegen opgeleid, pragmatisch, en niet theologisch. Daarom zijn zij vanuit EU perspectief de beste imams die je binnen Europa kunt hebben.
de voorzitter

DE HOLOCAUST OVERLEVEN 18 MAART 2017

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De heer ERNST VERDUIN overleefde vijf concentratiekampen. Hij was dertien jaar toen in januari 1943 – het was een ijskoude winter – de laarzen van de SS of de Gestapo voor de deur stonden van het onderduikadres in Bussum. Zijn ouders en zus en hijzelf waren verraden door de Schalkhaarders – Nederlandse politiemannen met nazi sympathieën die 7,50 beurden voor het aangeven van een jood. Het gezin kwam via de Hollandse Schouwburg als eerste joodse transport uit Amsterdam terecht in het aanbouw zijnde kamp Vught. Daar werden voornamelijk criminelen naar toegestuurd. Mannen en vrouwen werden gescheiden in aparte barakken. In het kamp Vught leerde de jongen door goed uit zijn ogen te kijken hoe hij zich in de volgende kampen moest gedragen om te overleven. In de zomer werden alle kinderen met ouders via Westerbork naar het Poolse Sobibor gestuurd. ‘Wij wisten’, zegt Ernst Verduin, ‘dat ze daar zouden worden vermoord’.

Al voordat de oorlog in 1940 uitbrak, wist de jongen dat er zo’n vijftien kampen bestonden in de veengebieden tussen Drente en Groningen, en over de grens in Duitsland. In die zogeheten “veenkampen” hadden ze in de jaren dertig rond 150.000 Duitse politieke tegenstanders van Hitler vermoord. Bekend was ook dat er al veel eerder door de “Euthanasie Aktion” in Duitsland invaliden en gehandicapten, waaronder oorlogsinvaliden uit de Eerste Wereldoorlog, aan hun eind kwamen. Bovendien functioneerden er al gaskamers in het noorden en zuiden van Duitsland.

Ernst Verduin was geboren in Amsterdam. Zijn vader had een dameshoedenfabriek met honderden personeelsleden en zijn moeder was boekhoudster. Later verhuisde het gezin naar Bussum. Ernst en zijn zus werden streng opgevoed. Toen de oorlog uitbrak hadden ze kunnen vluchten naar Amerika of Engeland, maar dat wilden zijn ouders niet omdat ze dan te veel familieleden hadden moeten achterlaten. Zijn vader zou spoorloos verdwijnen, zijn zus werd in Auschwitz met tyfus besmet en vermoord, zijn moeder overleefde twee en een half jaar concentratiekamp en belandde via een uitwisselingsprogramma in Zweden van waaruit zij naar Nederland kon terugkeren. Sommige neven en nichten overleefden, andere kwamen nooit meer terug, zoals evenmin de grootouders.

In Vught verrichtte Ernst allerlei hand- en spandiensten voor de SS-ers, en in de omgang met ze leerde hij Duits en deed hij een ervaring op die hem later van pas kwam. Van Westerbork herinnert hij zich het prikkeldraad en de wachttorens. In september kwam het gezin aan in Auschwitz-Birkenau. De mannen werden gescheiden in rijen die naar werkkampen gingen en rijen met bestemming de gaskamers. Ernst wist van het bestaan daarvan, maar het was levensgevaarlijk om daarover te praten. Het lukte hem om ingedeeld te worden bij de werkers. Na aankomst in de barakken werd je geschoren, genummerd en in kleren gehuld waarin je tot slavenarbeid was veroordeeld. In het subkamp Monowitz kreeg je drie maal per dag eten. Werd je ziek, dan wachtte de gaskamer. Bij een arbeidsongeval lapten ze je op om aan de eisen van de industrie te voldoen. Ernst werkte soms in de tuinderij van de SS, waar hij groenten, tomaten stal. De zware arbeid eiste zijn tol, zodat hij eens in coma raakte, maar dan bedacht hij hoe gevaarlijk het was om ziek te blijven, met het oog op de gaskamer. Om daaraan te ontkomen bezorgde hij zichzelf een bedrijfsongeluk, met als gevolg dat hij administratief werk kreeg en als tolk werd ingezet. Eind maart 1944 kreeg hij tyfus en belandde hij in de ziekenbarak, wat betekende dat hij op 22 april “op papier stierf”.

In januari 1945 bevrijdden de Russen Monowitz. Daarop volgden de zogeheten dodenmarsen naar het Westen, want de SS kreeg geld voor de gevangenen. In het nabij gelegen Gleiwitz stond een kolentrein klaar met bestemming Buchenwald. Die moet ik hebben, dacht Ernst. Aangekomen in Buchenwald werd hij opnieuw ontsmet en geschoren. Ze deelden hem in bij Waldarbeit, wat in elk geval drie maal eten per dag opleverde. Er waren SS-ers van wie hij sommigen kende. Op 8 april vond er een scheiding plaats tussen joden – wie een duister lot wachtte – en gevangenen die dwangarbeid moesten verrichten. Ernst wendde zich tot een hem bekende SS-er, tot wie hij zei dat hij geen jood was. Daarvoor moest hij zijn broek laten zakken, en toen bleek dat hij niet was besneden. Zijn ouders hadden dat niet nodig gevonden omdat ze geen enkele band voelden met de joodse godsdienst. En zo overleefde hij de Holocaust. Toen de Amerikanen Buchenwald bevrijdden, waren de hooggeplaatste SS-ers al verdwenen. Voor het crematorium stonden nog stapels met lijken die ze niet meer hadden kunnen verbranden. Ze werden met Amerikaans geld begraven.

Terug in Nederland, verscheen op 1 augustus 1945 zijn moeder. Ernst ging gewoon weer naar school, het lyceum, en werkte daarna korte tijd in de hoedenfabriek van zijn vader. Maar de zaak bleek praktisch te zijn leeggestolen, zodat in 1954 het faillissement werd aangevraagd. Vervolgens begon hij te studeren en te werken, o.a. als chauffeur in Amsterdam. Hij trouwde, kreeg twee kinderen, hij reisde veel en sprak aardig wat talen. In 2015 publiceerde hij bij Uitgeverij Verbum zijn boek “Over leven: Vught, Auschwitz, Buchenwald”.

***
– Wat maakte de Holocaust uniek?… Het fabrieksmatige van de moorden.
– Hoe na Auschwitz nog in God geloven?… Ik heb nooit in God geloofd. En als er een God zou zijn, hoe had dit dan kunnen gebeuren?
– Nie wieder?… Heel vaak gebeurde het weer. Ruanda, Cambodja….
– Hoe de joden die het overleefd hadden in Nederland werden ontvangen?… Niet goed. Mijn moeder moest nog belasting betalen.
– Na de oorlog vrijuit over alles praten?… Ja, alleen kinderen kun je niet alles vertellen.
– Kan ik nog in het goede van de mensen geloven?… Ja, want ook in de kampen, onder de Duitsers, had je goede mensen.

de voorzitter

FATIMA 1917 – 2017

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

18 februari 2017
Pater Peter Klos

Niets is actueler dan Fatima, want het bestrijkt de bijbelse profetie vanaf Genesis tot en met de Apocalyps. De pijnlijke uitstoting uit het Paradijs ging gepaard met de belofte dat eens de kop van de slang, veroorzaker van de menselijke ellende, door de Vrouw of haar kroost zou worden verpletterd. Wat met de oude Eva misging, zal door de nieuwe Eva worden hersteld. In de Apocalyps, het laatste bijbelboek, zien we de Vrouw met de zon bekleed, de maan onder haar voeten en een krans met twaalf sterren rond haar hoofd. Zij staat op het punt een kind te baren en de draak, de oude slang, achtervolgt haar, maar ze krijgt een veilige plaats in de woestijn. De aarde verzwelgt de draak, en daar mee neemt het rijk van Christus een aanvang.

De Apocalyps blijft actueel. In 1967 had paus Paulus VI het over een groot teken, Signum Magnum, dat wijst op de triomf van Maria. Haar apocalyptische verschijningen begonnen in 1830, in de Parijse Rue du Bac. Daarna kwamen La Salette (1846), Pontmain (1870), Fatima (1917) en de Vrouwe van alle volkeren (1945-1959). Het zijn stadia in een plan die de verlossing beloven dankzij de onbevlekte harten van Jezus en Maria. De terugkeer van Jezus zal plaatsvinden in een wereld waar het heidendom regeert. De Kerk is verduisterd en verraden, wat blijkt uit de massale, nooit eerder geziene geloofsafval.

Maria verklaart de ontwikkelingen van haar tegenstander. Het nummer 666 verwijst naar een historische periode waarin voor het eerst zich de Antichrist manifesteert. Dat heeft te maken met de opkomst van de islam, waarin de Drie-eenheid en de godheid van Jezus worden ontkend. 1232, twee maal 666, is het jaar waarin de Antichrist het “rationalisme” invoert. Het geloof wordt onderworpen aan het verstand, en daardoor verwoest. 3 x 666 is 1998, dat is het jaar waarin de satan de valse kerk opricht, ofwel de bestaande Rooms-katholieke kerk van binnenuit ondermijnt. Kon de islam in de vroege middeleeuwen door de verspreiding van het christendom in Europa worden ingedamd; vormden rond 1232 de Eucharistische wonderen een tegenwicht tegen het rationalisme, dat kon niet verhinderen dat vanaf 1517 door de Reformatie de valse kerk de christenheid zou splijten.

Een zeer zware strijd staat ons te wachten, aldus Maria, maar – zegt ze – “mijn hart zal zegevieren”. Alleen God weet hoe erg het met kerk en wereld is gesteld. In 1717 kwam de eerste vrijmetselaarsloge van de grond in Londen, en de vrijmetselarij is gericht op het bederf van de christelijke moraal. Dat bederf vindt ingang in de kerk, doordat het Vaticaan ruimte geeft aan wetenschappers en opiniemakers die het bevolkingsvraagstuk mogen bespreken, met op de achtergrond de gruwel van de abortus. En dat, ondanks het duidelijke pro-Life standpunt van paus Johannes Palus II. Ook het huwelijk staat op de helling, doordat er binnen Rome nieuwe richtlijnen verschijnen die echtscheiding en hertrouwen niet langer als een overtreding veroordelen, en het sacrament van de communie in zulke gevallen niet uitsluiten met het argument “als je jezelf maar goed voelt.”

In 1917 zag de later heilig verklaarde Maximiliaan Maria Kolbe in Rome een grote optocht van de vrijmetselaars, met een eerbetoon aan het standbeeld van Garibaldi. Daartegen richtte hij het Ridderschap van de Onbevlekte op, een militie van de Immaculata als tegenwicht. De invloed van de duivel in de kerk is in onze tijd duidelijk zichtbaar. Paus Franciscus bracht niet zo lang geleden een bezoek aan Lund in Zweden, bakermat van het lutheranisme. Nu, in 2017, lijkt in de katholieke Kerk het idee post te vatten dat Luther een gelijke is van Ignatius van Loyola en Francisco de Borja. Men streeft oecumenisch naar de “eenheid onder de christenen” (ut unum sint), en zo is het nu mogelijk om de stichter van de Lutherse kerk te zien als een “getuige van het Evangelie”. Daartegen verhief zich pater Athanasius Schneider uit Kazakstan door aan te tonen dat in deze ontwikkeling de kerk “objectief dwaalt”. Luther heeft de christenheid beschadigd door de traditie of overlevering tot aan 1517, het gedachtegoed van de kerkvaders, de hele Middeleeuwen, naast zich neer te leggen. En bovendien ontkent hij het primaatschap van de paus. Om maar te zwijgen van zijn aanval op het hart van de kerk: de Eucharistie. We kunnen hem op geen enkele manier “een getuige van het Evangelie” noemen.

Het 3e Geheim van Fatima werd, tegen de bedoeling, niet in 1960 onthuld, maar pas in het jaar 2000. Wat waren de overwegingen? Het eerste geheim geeft een blik in de Hel waar velen naar toe gaan omdat geen mensen voor hen bidden. Het tweede geheim gaat over het voortschrijden van het communisme. Het 3e Geheim is niet geheel onthuld. Het geeft de bestijging van een berg te zien waar de paus wordt neergeschoten en waar engelen bij een kruis het bloed opvangen van de martelaren. Wat ontbreekt is de verklaring die Maria gewoonlijk geeft. In een recente film, Marie et le troisième secret, vindt op het slot een gesprek plaats met Vassula over La Salette en Akita, de Japanse tweelingverschijning van de Amsterdamse Vrouwe van alle volkeren. Akita is destijds door de plaatselijke bisschop Ito erkend. Vanuit de Congregatie voor de Geloofsleer stelde haar prefect, kardinaal Ratzinger, dat Akita overeenkomt met het 3e Geheim van Fatima.

De Vader zal de mensheid straffen als ze zich niet bekeert. Een groot vuur zal de hardnekkige mensen treffen. Maria wijst op de Rozenkrans als wapen tegen de verkeerde geest die de wereld in haar greep heeft. Want kerken en altaren zullen geplunderd worden, en die situatie hoort bij het 3e Geheim. Daarom weigerde de kerk het volledige geheim in 2000 bekend te maken. De grootste aanval zal de afschaffing van het Misoffer betreffen, en dat dreigt in het Lutherjaar 2017 realiteit te worden.

In Fatima drong Maria aan op de toewijding van Rusland aan haar Onbevlekt Hart. Dat is niet gebeurd. In plaats daarvan wijdde paus Johannes Paulus II de hele wereld daaraan toe, maar Maria had expliciet gevraagd om Rusland. De paus heeft wel gewaarschuwd tegen het culturele marxisme dat voortwoekerde na de val van de Muur in 1989. En Rusland heeft inderdaad enige uitwassen die West Europa in de greep kregen, vermeden, zoals de gendertheorie. En ook abortus is in het Rusland van nu verboden, terwijl het na de Revolutie van 1917 echtscheiding en abortus op grote schaal mogelijk maakte.

De huidige paus staat onder druk, zoals zijn voorgangers, van foute ontwikkelingen, om bijvoorbeeld een oecumenisch soort Mis in te voeren. Daarom moeten wij dagelijks voor hem bidden. Jezus heeft beloofd dat de poorten der hel de Kerk niet zal verzwelgen. En Maria zegt dat Zij zal triomferen, en dat de kerk zal herrijzen.

de voorzitter

HET DOOPSEL

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

HET DOOPSEL door pater Martin Knudsen fssp
17 december 2016

Het Doopsel is het eerste van de zeven sacramenten. Een sacrament is een uiterlijk teken dat genade geeft aan onze ziel en ons verbindt met het bovennatuurlijk leven. In het geval van het eerste sacrament gebeurt dat door het uitgieten van water over het hoofd, waarbij de bedienaar de woorden spreekt: ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest. De bedienaar kan een diaken zijn, een priester of kapelaan, of een bisschop; in noodgevallen kan het een leek zijn, liefst een religieuze of gelovige. Zelfs een niet gelovige kan het doopsel toedienen, want de uiterlijke handeling is waar het om gaat. De ingestorte genade valt ons onverdiend te deel door toedoen van Jezus Christus met het oog op ons eeuwige leven. Het is een heilig- makende genade die noodzakelijk is voor onze redding en voor onze aanname als kinderen van God. De relatie met God was door de zonde van de eerste mens verloren gegaan, en daarom is het nodig om gedoopt te worden. Door dit eerste sacrament worden we leden van de Kerk en kunnen wij vervolgens de andere sacramenten ontvangen en toenemen in heiligheid door verdiensten en goede werken. Behalve de heilig- makende genade, bestaat er nog de “genade van bijstand” – die onze geest verlicht en onze wil op het goede richt.

Gods genade wordt ons niet opgelegd, maar vrijwillig ontvangen door ons ervoor open te stellen. Dat laatste geldt de ouders namens het kind. God geeft de geestesziel op het moment van de conceptie al het hoogste beginsel dat ook het lichaam van de dopeling heiligt. Bij oudere of volwassen dopelingen worden, afgezien van de erfzonde, alle bestaande zonden uitgewist. Met moet zijn status van gedoopte leven met de Kerk, door volledig aan de kerkelijke gang en de andere sacramenten deel te nemen. Mensen die zich alleen laten dopen, en verder buiten de Kerk blijven zijn dode leden. Het is daarom heel ernstig wanneer een gedoopte zich van de Kerk afkeert.

In onze tijd worden er nog maar weinig kinderen gedoopt. Sommige ouders doen het bij zich thuis en maken er een “naamfeest” van, als een soort voortzetting van een oud gebruik. Ze vieren daarbij het “leven”, maar dat is iets anders dan het “bovennatuurlijk leven” dat de Kerk geeft. Dat het doopsel in onbruik is geraakt ligt voor een deel ook aan de Kerk zelf. Er wordt te veel geïmproviseerd, met gedichten, of door met de dooprite te knoeien. Wij worden door het doopsel niet binnenskamers in een gezin geboren, maar in de kerk krijgen wij een andere familie van broeders en zusters in het Geloof.

De dooprite, de woorden die uitgesproken worden veronderstellen de jaren des verstands en een enkele persoon die ze uitspreekt. Bij een ongeluk met mogelijk of schijnbaar dodelijke afloop is het, onder voorwaarde dat de persoon in kwestie nog leeft, altijd zaak om tot dopen over te gaan, ook al kan een stervende zijn wil niet kenbaar maken. Dat is iets wat de heilige Moeder Teresa van Calcutta vaak deed, ondanks de kritiek, want stervenden moeten onmiddellijk voor God verschijnen. Kinderen hoort men liefst zo snel mogelijk te dopen; vroeger gebeurde dat binnen acht dagen, tegenwoordig binnen drie maanden. Het is een zware zonde als ouders hun kind niet laten dopen, aangezien ze het daarmee het eeuwig leven onthouden. Heeft het de leeftijd van zes, zeven of acht jaar bereikt, of ouder, twintig et cetera, dan moet de dopeling het geloof belijden en berouw (minstens een onvolmaakt berouw of spijtbetuiging) tonen over de voorheen begane zonden. Het sacrament blijft anders weliswaar geldig, maar dan zonder genade. Het doopsel is absoluut nodig voor onze redding.

In bepaalde gevallen is ook redding zonder het doopsel mogelijk. In het geval van martelaren geldt het vergoten bloed als doopsel. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de Onnozele Kinderen die door Herodes werden vermoord. Maar ook bij volwassen martelaren die het Geloof hadden aangenomen en die door machthebbers werden gedood eer zij het doopwater konden ontvangen. Een bekend geval in dezen speelde zich af in Afrika in de negentiende eeuw. Voorts bestaat er nog het zogeheten “doopsel van begeerte”, dat van kracht is wanneer men onderweg naar de doopvont een ongeluk krijgt. En, tot slot, kan ook een uiting van volmaakte liefde tot God op het sterfbed gelden. Ongeacht de situatie die zich voordoet, cruciaal blijft het geloof in één God. Zonder erkenning van het Hoogste Wezen is geen redding mogelijk.

De doop is gekoppeld aan de geloofsbelijdenis, aan de verplichting de wet van Jezus Christus en de zedenleer van de Kerk te onderhouden. Tijdens de belijdenis verzaakt men aan de duivel. De duivel zijn de ijdele werken, de zonden, behagen aan de wereld. Dat alles is strijdig met het Evangelie. Wij leven in een tijd waarin secularisme, liberalisme, socialisme hoogtij vieren. Ons is de opdracht gegeven om te strijden tegen de wereld door het Geloof uit te dragen, en het niet te beperken tot de huiskamer.

Op het Doopsel volgt het Vormsel, het tweede sacrament. Het uiterlijk teken daarbij is de zalving van het voorhoofd met het chrisma, een mengsel van olijfolie en balsem. De olie symboliseert de overvloed van genade; de balsem bewaart tegen het geestelijk bederf. Door het vormsel krijgen wij de zeven gaven van de H. Geest: wijsheid, verstand, raad, sterkte, wetenschap, godsvrucht en de vreze des Heren. Bij elkaar: de geestelijke wapens om tegen de wereld te strijden. De wereld schenkt hoogstens tijdelijk geluk, en in vele gevallen depressiviteit ten gevolg van de zonden. Het vormsel wordt toegediend door de bisschop, die de geest inblaast bij de vormeling en hem de handen oplegt. Gewoonlijk vond het vormsel plaats in het zesde of zevende levensjaar, een leeftijd waarop op het voorhoofd nog spontaan vanwege zonden vrees of schaamte kan verschijnen. Een peter of meter begeleidt de vormeling en legt zijn of haar hand tijdens de toediening op diens schouder. Degene die het sacrament ondergaat krijgt daarbij de naam van een heilige die tot voorbeeld dient om zelf een heilig leven te leiden.

de voorzitter

DE BIECHT

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

19 november 2016

Pastoor Cor Mennen uit Oss staat bekend om zijn no-nonsense aanpak. Zijn uiteenzetting over wat tegenwoordig het sacrament van de verzoening heet, is daar ook een duidelijke demonstratie van. Na een korte inleiding over het ontstaan en de ontwikkeling van dit sacrament tot in de Middeleeuwen komt hij al snel te spreken over wat hij de grote crisis noemt van de afgelopen halve eeuw. Alle kerkelijke documenten uit de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie (1963-’66) vertonen tekenen van zwakte. Paus Johannes Paulus II moet in 1984 constateren dat het zondebesef over het algemeen veel te wensen overlaat. Men vindt dat voor vergeving kerk en priester overbodige bemiddeling zijn, en dat men rechtstreeks met God kan onderhandelen. Dat Jezus zijn apostelen ooit de macht tot vergiffenis van zonden schonk, en dat zulks ook geldt voor hun opvolgers, schijnt uit het geheugen te zijn gewist. Degenen die dan nog wel de biechtstoel betreden, beschouwen het sacrament als een routine handeling, zonder blijk te geven van overgave. Wat we zien, is een verduistering van het geweten. Of anders gezegd, het geweten is gereduceerd tot een persoonlijk gevoel. Verdwenen is de algemene normering van buitenaf. De gevoelsmens vertrouwt roekeloos op Gods barmhartigheid, zonder rekening te houden met Gods rechtvaardigheid. De aldus geschetste mentaliteit werkt ook door in een gebrekkige catechese en in een prediking waar liever niet wordt gerept van zonde. De gelovigen hebben bemoediging, schouderklopjes nodig. De jaren zestig liepen over van optimisme. De wereld was zo slecht nog niet, de mens deugde.

“Doodzonde” was het allerlaatste wat spoorde met aanpassing aan de “moderne tijd” . Dat God ook straft, verdrong men. Hel en vagevuur gingen door voor achterhaalde begrippen. Paus Johannes Paulus II stelt in 1993 (in zijn encycliek Veritatis Splendor) dat men niet om de Geboden heen kan, dat de priesters ze moeten voorhouden, ook al lopen de mensen weg. De christelijke leer dient in haar geheel te worden aanvaard. Barmhartigheid en rechtvaardigheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Nog later, in 2012, benadrukt de paus dat de (noodzakelijke) verlossing van de zonden gelijk staat aan bevrijding uit hun slavernij. Je kunt het niet zelf met God regelen. Vergiffenis kan alleen via de priester, via de Kerk.

Drie vereisten kenmerken een goede biecht: berouw, belijdenis en penitentie. Berouw impliceert om te beginnen afschuw van de zonden; een volmaakt berouw komt voort uit liefde, uit verdriet jegens Gods goedheid te kort te zijn geschoten; een onvolmaakt berouw komt voort uit vrees voor straf. Belijdenis houdt in dat men persoonlijk al zijn zonden en tekortkomingen erkent, met naam en toenaam en frequentie en omstandigheden (dus geen vaagheid of algemeenheden). De penitentie is het weer goed maken van de overtredingen in geval anderen daar schade van hebben ondervonden; wanneer het alleen de eigen persoon betreft, volstaat uitvoering van de opdracht die de biechtvader oplegt, vanaf het opzeggen van gebeden tot en met het volgen van de kruisweg, afhankelijk van de zwaarte van de zonden. Strafvermindering, in geval van zeer ernstige vergrijpen, kan gepaard gaan met kwijtschelding middels aflaten, bv. pelgrimage, of een geldelijke schenking. De aflaat kan ook dienen tot verzachting van het lot van zielen in het Vagevuur, maar niet voor nog levende personen.

De doodzonde, ofwel wat intrinsiek slecht is (abortus, tegennatuurlijke seks…), veronderstelt dat men die willens en wetens begaan heeft, in volledige vrijheid, zonder dwang. Daardoor verliest men de heiligmakende genade, ofwel de staat van genade. Doodzonden biechten is verplicht, en liefst zo snel mogelijk. Dagelijkse zonden veroorzaken geen breuk met God; ze regelmatig biechten biedt hulp op weg naar de volmaaktheid.

Biechten hoort men minstens 1 x per jaar, en wel om de verplichte paascommunie te kunnen ontvangen.

“Gedeeltelijk biechten” is onzin. Samenhokkers, homoparen, gescheiden hertrouwden leven in een zondige staat, en die staat accepteren en van daaruit incidentele mankementen belijden, geldt niet.

Biechten doet men liefst in kerk of kapel tegenover een priester, en niet in een kamer of ergens anders, tenzij in noodgevallen. De biecht is geen pastoraal gesprek, maar een sacrament ten behoeve van gewetensvorming.

Om het geweten te onderzoeken is de zogeheten Biechtspiegel een voortreffelijk hulpmiddel. Daarin komen alle zonden met hun denkbare variaties en nuances aan de orde, gespiegeld aan de Tien Geboden, de Geboden van de Kerk, de Zeven Hoofdzonden en de Plichten in verband met beroep en status.

de voorzitter