Home » Uncategorized (Page 2)

Category Archives: Uncategorized

HET HEELAL, EEN ONTDEKKINGSREIS, 17 maart 2018

Dr. Alfred Driessen, emeritus hoogleraar van de Universiteit van Twente, natuurkundige en gelovige, houdt zich al geruime tijd bezig met filosofie en educatieve vorming. Hij neemt ons mee in de ruimte rondom onze Aarde om ons via het zonnestelsel binnen te voeren in het oneindige dat desondanks eindig is. Eindig zoals de tijd, want de tijd had een begin, en zal dus ook een einde hebben.

Bestaat God?  Daar is geen wetenschappelijk bewijs voor, hoewel Hij zich indirect  via de natuurwetten kenbaar maakt. We moeten evenwel de wetenschap strikt gescheiden houden van het Geloof. En we moeten bescheiden genoeg zijn om te beseffen dat wat we nu al weten over honderd jaar nog veel meer zal zijn. We worden op onze reis geconfronteerd met enorme astronomische getallen in een heelal van driehonderd miljard sterren. De wetenschappers gaan er momenteel vanuit dat het heelal veertien miljard jaar geleden is ontstaan. Hoe oud het ook is, het is niet eeuwig.

De Maan van ons zonnestelsel wordt aangetrokken door de Aarde en bevindt zich op een afstand van 380.000 km. Met een vliegtuig zouden we er 380 uur over doen om er te komen. De Zon is de dichtst bijzijnde ster, op een afstand van 16 jaar met een vliegtuig, of 8 minuten met het licht. We zien de Zon telkens zoals ie 8 minuten geleden was, want hij verandert voortdurend. De planeten Mercurius en Venus zijn heet; Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus zijn kouder naar de mate van hun afstand van de Zon. Jupiter en Saturnus zijn heel groot, Uranus en Neptunus zijn klein, en Pluto wordt ook wel de dwergplaneet genoemd. Venus is de Morgenster en de Avondster, die wij gelovigen associëren met Maria als de Vrouw in Apocalyps die met de Zon is bekleed, de Maan onder haar voeten en een kroon van 12 sterren boven haar hoofd.

Onze “buren”, buiten ons zonnestelsel, zijn lichtjaren van ons verwijderd. De eerste vijftig sterren bevinden zich binnen een straal van 16 lichtjaren ver. Een ster is een wolk van moleculen, met vooral waterstof en helium, zoals de Zon. Explodeert een ster, dan ontstaat er een supernova die uit gaswolken bestaat en blijvend een neutronenster wordt. Daarnaast zijn er pulsars, ronddraaiende sterren (als een vuurtoren), bestaande uit een nucleus met een proton, neutron en elektron. Tussen sterren kunnen zich zwarte gaten voordoen. Daar is geen licht meer omdat de zwaartekracht te groot is, en de materie is er verdreven als in een draaikolk.

Onze Melkweg is een spiraalvormige nevel rond een centrum en bestaat uit 200.000.000.000 sterren met een doorsnee van 150.000 lichtjaar. Er zitten honderdduizend zonnen in en miljoenen zwarte gaten. Bij het meten van afstanden in lichtjaren moeten we ons realiseren dat we vanaf nu gemeten zien hoe het 20.000 jaar geleden was. De Melkweg heeft buren, bijvoorbeeld Andromeda, een lokale groep met een doorsnee van tien miljoen lichtjaren.  Andromeda is een nevel met 300 miljard sterren en een doorsnee van 250.000 lichtjaren.

Het licht is steeds langer onderweg, want de dingen verwijderen zich steeds meer van ons. De Belgische priester Georges Lemaître heeft in 1933 vastgesteld dat het heelal een uitdijend beginpunt heeft gehad, een dag zonder gisteren. Het heelal moet 10 tot 20 miljard jaren oud zijn. De hypothese van de oer-atoom, ook wel de Big Bang, wordt door de wetenschappers geaccepteerd, en stemt overeen met het godsdienstige idee dat er een begin was, een Fiat Lux. Dat begin kunnen we ons voorstellen als oerknal, als een vuurbol die snel explodeerde en geleidelijk afkoelde. Het begin valt samen met de Schepping, inclusief de mens. De leeftijd van het heelal is berekend op 13.7 miljard jaar. Vermeld moet nog worden dat er ook quasars zijn, afzonderlijke sterren, steeds moeilijker zichtbaar, met duizenden keren meer straling dan ons melkwegstelsel. Op 17 augustus 2017 werd in de Verenigde Staten en Italië een botsing van twee neutronensterren gemeten, waargenomen door zestig verschillende onderzoeksgroepen. Ruimte en Tijd bepalen het heelal. De Aarde begon ongeveer vier miljard jaar geleden.

Wat zegt de Bijbel? In het begin schiep God de onzichtbare Hemel en de zichtbare Aarde. In het Evangelie van Johannes lezen we: In het begin was het Woord, en het Woord was bij God. Het Woord is in het Grieks de Logos, wat rede of redelijkheid betekent. De schepping verliep dus redelijk, niet chaotisch. Paulus zegt dat wij de Schepper kunnen kennen door de schepping. In Efeziërs 1;4 lezen we dat ieder mens belangrijker is dan het hele heelal. En in Psalm 8 horen we dat de hemel de uitdrukking is van God.

de voorzitter

 

 

HET LIBERALISME ALS KETTERIJ en DE DICTATUUR VAN HET GELD

17 februari 2018

Liberalisme in onze tijd wordt vooral vertegenwoordigd door Amerika. Volgens professor John Mearsheimer (met dank aan Azad Zeeman) exporteert zijn land de liberale democratie met mensenrechten en wereldvrede over de hele planeet, met steun aan vrijheidslievende groeperingen in “foute” landen, desnoods met militaire inzet, zoals in 2003 in Irak. Wat goed is voor Amerika – heet het -, is goed voor ieder land. Men doet er verstandig aan zijn licht op te steken bij Mearsheimers redevoering op https://www.youtube.com/watch?v=ESwIVY2oimI. De kritiek van de professor mogen de liberalen zich aantrekken. De wortels van de specifieke dwaling als gevolg van hun denken blijven echter buiten beschouwing.

“Ieder voor zich, en God voor ons allen”, luidde ooit het liberale devies: Het individualisme naast een deïstisch idee. Dat is iets anders dan “God beminnen, en je naaste zoals je zelf” (woorden van Jezus). Volgens de vooruitziende anti-revolutionair Joseph de Maistre (begin 19e eeuw) was de Reformatie een politieke ketterij. Volgens de katholieke reactionair Juan Donoso Cortés was het liberalisme een theologische ketterij. In zijn cruciale essay over het Katholicisme, Liberalisme, Socialisme (1850) stelt deze in Parijs gestationeerde Spaanse markies en diplomaat dat het wezen van die ketterij wortelt in de gedachte dat de mens van nature deugt. Met als gevolg dat je dan alleen nog maar de juiste instituties hoeft in te voeren om de mensheid naar een hoger plan te heffen en gelukkiger te maken. Vandaar, het geloof in de Vooruitgang. Paus Pius IX inspireerde zich op Donoso Cortés bij zijn Lijst van Dwalingen (Syllabus Errorum) uit 1864. Een halve eeuw later kwam paus Leo XIII met zijn encykliek De rerum natura om het socialisme de wind uit de zeilen te nemen.

Wat was er gebeurd? Door de Franse Revolutie (1789) waren de domeinen van Kerk en Adel onteigend en via speculanten beland in handen van de liberale bourgeoisie. Dat betekende dat degenen die op die domeinen werkten en leefden, rechteloos werden. Ziedaar het opkomend proletariaat. Toen Donoso Cortés zijn essay publiceerde, verscheen eveneens Het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels. Het socialisme deelde met het liberalisme dat het eveneens uitging van de natuurlijke goedheid van de mens, met als verschil dat het liberale systeem moest verdwijnen om plaats te maken voor een nieuwe wereld, het paradijs op aarde. Economie gold zowel voor liberalen, als voor socialisten als het heersende principe.

Waar kwam dat principe vandaan? Het begon tijdens de Renaissance in de Italiaanse stadstaten, met het verschijnen van geldwisselaars en privé banken die rente vroegen. De kerkvaders zagen het economisch denken als een vorm van hebzucht, gevolg van de zondeval. Ze hadden een afkeer van geldhandel,  het kopen en verkopen, de wet van vraag en aanbod, en met deugdzaamheid had handel niets te maken. De oudste christenen (Handelingen 2;44-45) leefden in gemeenschap van geld en goederen. Om de privé bankiers, die rente vroegen en winst maakten, te bezweren stimuleerde de Kerk de zogeheten monti di pietà, pandjeshuizen of banken van lening zonder winstoogmerk. Woeker gold als een doodzonde, zoals door de dichter Dante geïllustreerd in de Hel.

In de zestiende eeuw maakten Engeland en Holland zich los van het Roomse Lichaam. Dat betekende daar het einde van de sociale leer van de Kerk. Gewinzucht was het gevolg. Holland adopteerde de leer van Calvijn, volgens wiens Institutio Christiana (1559) tot 6 % rente vragen mocht zonder het zielenheil op het spel te zetten. De V.O.C. en de W.I.C. waren kaapcompagnieën, en Hugo de Groot gaf De Haag het recht op piraterij vanwege de oorlog met het Spaanse imperium. De kaapvaart floreerde, de overzeese wingewesten werden leeggehaald, Amsterdam vierde haar Gouden Eeuw. Een eeuw later voelde de katholieke monarchieën – met name Spanje en Frankrijk – dat ze een economische achterstand hadden opgelopen vergeleken met de zeemachten Engeland en Holland. Ze waren te protectionistisch, en het kapitaal viel onder de Kroon. Pas na de Franse Revolutie en het dagen van de liberale burgerij begon ook in Parijs het kapitaal te bewegen, en hoefde het niet meer geïnvesteerd te worden in het eigen grondgebied. Het economisch denken is duidelijk de vrucht van het liberalisme.

De marxist rebelleert tegen het menselijk tekort alsof de erfzonde niet bestond. Die ziet hij als een uitvinding van de uitbuitende klasse om de armen onder de duim te houden, aldus de katholieke Franse schrijver Georges Bernanos in de jaren twintig van de vorige eeuw. Anderzijds constateert Bernanos dat de Kerk de erfzonde kan misbruiken om structurele onrechtvaardigheid en onderdrukking door de vingers te zien met als troost dat de slachtoffers compensatie wacht in het hiernamaals. Een typerende kritiek van de liberalen op het christendom is dat de gelovigen niet leven volgens het armoede ideaal van hun stichter. Dat laatste is o.a. te horen in de Legende van de Groot-Inquisiteur van Dostojewski in De Gebroeders Karamazov (1880). Daarin verwijt de Inquisiteur (personificatie van de paus) Christus dat diens leer maar voor heel weinigen te volgen is. Verreweg de meeste mensen geven weinig om vrijheid en willen vooral zekerheid, brood op de plank, een gerust geweten, amusement en wonderen.  Daarvoor zorgt de Kerk, dus Christus is verder niet nodig. Dostojewski heeft de legende in de mond gelegd van de liberaal Iwan Karamazov om zijn religieuze broer Aljosja aan het wankelen te brengen.

Oswald Spengler – geen vriend van de socialisten –  constateert in De Ondergang van het Avondland (1917) dat de christenen van de eerste eeuwen leefden als in een soort kloostergemeenschap, en dat het socialisme een voortbrengsel van het christendom is. De latere christenen, na de verbinding van het Evangelie met de Staat, verwijt hij meer op heidenen te lijken. De Nederlandse filosoof Menno ter Braak werkt die visie op zijn manier uit in zijn Van oude en nieuwe christenen (1937). Alleen de oude waren de ware christenen. De nieuwe hebben de ongelijkheid geaccepteerd en zich met de liberale burgerij verbonden. De kerkelijke hiërarchie staat daardoor tegenover de priester-arbeiders die de kant van de socialisten hebben gekozen. Ter Braak komt zelfs tot de uitspraak dat het socialisme het christendom overbodig heeft gemaakt. Nietzsche, ten slotte, oordeelde rond 1900  dat God dood is aangezien hij had geconstateerd dat er geen hoogleraar meer was die nog in God geloofde.

De dood van God is wellicht de voornaamste oorzaak van de ondergang van het Avondland. Spengler heeft het op het eind van zijn klassieke werk over de Dictatuur van het Geld.  Het geld is niet meer een middel, maar een doel, omgeven door een soort mystiek. Het is maatstaf geworden van wat waar, goed en schoon is. Kwantiteit is bepalend geworden voor kwaliteit. Het liberalisme is van die ontaarding de diepste oorzaak.  Het geloof in de natuurlijke goedheid van de mens is zeer zwaar gelogenstraft door de Geschiedenis, vooral ook door de vorige eeuw van genocides. De liberaal heeft geen antwoord op het bestaan van het kwaad, het lijden en de dood. De scheiding van Kerk en Staat schiep een hiaat waardoor in onze tijd de islam naar boven komt. Want waar het christendom is opgegeven, komt een ander geloof op de voorgrond. Want die normen en waarden waar de liberalen mee zwaaien zijn te vaag om de multiculturele mix van onze tijd te binden. Religie is altijd het enige cement geweest dat werkt. En rond het Geloof ontstond een Cultuur en daaromheen een Beschaving waaraan Europa haar opkomst en glorie dankte.

Wat thans de Europese Unie heet is veeleer een lijk in ontbinding. Pessimisme? Niet voor de gelovige, want de wereld mag dan niet deugen – om met de filosoof Schopenhauer te spreken – , maar eind goed, is al goed, om met Chesterton en Shakespeare te spreken. De liberalen die klagen over het marxisme moeten niet vergeten dat het er niet was geweest zonder het liberalisme. Vrijheid is een luxe artikel; Gelijkheid is in strijd met de werkelijkheid (de talenten en de posities zijn niet gelijk verdeeld) en met de Natuur (zoals in het menselijk lichaam en in het universum) die hiërarchisch is. Broederschap ten slotte (Alle Menschen werden Brüder, lied van de EU) bestaat niet buiten het Evangelie, of eventueel het klooster. Mensenrechten bestaan alleen op papier, en de Vrijheid van Meningsuiting geeft de onzin even veel recht als de waarheid en schept daardoor de geestelijke chaos. Juan Donoso Cortés concludeert dat er geen betere basis voor een volk is dan het katholicisme: “In dit duistere dal moet de mens het najagen van onmogelijk geluk bekopen met het verlies van het beetje geluk dat hij had.”

Robert Lemm

Programma Voorjaar 2018

zaterdag 17 februari: HET LIBERALISME ALS KETTERIJ en de Dictatuur van het Geld door Robert Lemm, auteur, historicus en vertaler, voorzitter van de Sint Nicolaas Academie.

 

 zaterdag 17 maartHET HEELAL, EEN ONTDEKKINGSREIS. Had het heelal een begin? Wat zegt de wetensschap, en wat de Bijbel? Prof. Dr. Alfred Driessen is theoretisch natuurkundige en filosoof.

 

zaterdag 21 april: HET SPEELGOED VAN JEZUS en de symbolische betekenis daarvan in de beeldende kunst door Gyula Somos, Hongaars kunstschilder wiens werk in hoge mate wordt gekenmerkt door aan het katholicisme ontleende motieven.

 

zaterdag 19 mei: EEN LEVEN VOOR DE FILOSOFIE over Jeroen Buve, grondlegger van de Geert Grote Universiteit door diens zoon drs. Sybrand Buve, historicus, universiteitssecretaris en hoofdredacteur van “De Nieuwe Merkuur”.

 

zaterdag  16 juni: HET EXORCISME EN HET KWAAD IN ONZE TIJD door de priester Nars Beemster. Hij studeerde landbouwtechniek, werkte in de machinebouw, was enige jaren rector van het Mariaheiligdom te Heiloo en is hulpexorcist van het bisdom Haarlem-Amsterdam.

 

De Sint Nicolaasacademie komt elke 3e zaterdag van de maand bijeen in de Sint Agneskerk, Amstelveenseweg 163 Amsterdam. De lezing begint om 11.00, met voorafgaand voor belangstellenden de Tridentijnse H. Mis om 10.00.

DE DICTATUUR VAN HET RELATIVISME, 16 december 2017

Eerwaarde Antoine Bodar, priester en kunsthistoricus, auteur van tientallen boeken en woordvoerder in de media van het katholicisme in Nederland, gaf op 8 december tijdens zijn Huizinga lezing in de Leidse Pieterskerk een weinig vleiend beeld van wat tegenwoordig doorgaat voor “cultuur”. In zijn lezing Leven alsof God bestaat haalde hij uit naar het atheïstisch humanisme en de arrogantie van de wetenschap. In het huidige opinieklimaat heerst, voor zover het aan de denkende elite ligt, het relativisme.  De vraag naar de waarheid, die Pilatus aan Christus stelde, is vandaag nog even actueel als toen. Waarheid is in onze postmoderne tijd afhankelijk van iedere waarnemer afzonderlijk. En ook de moraal, de deugdenleer, heeft geen wortel meer in de Tien Geboden. De vraag is dan: wat bindt ons nog?

Psychologen en filosofen zijn nog wel bereid om het Geloof nuttig te vinden voor onze veiligheid en geborgenheid, maar dat voldoet niet. Het Geloof is in eerste instantie een uitvloeisel van Gods Openbaring, via de Heilige Geest in de Kerk. Bodar verwijst naar zijn boeken Romeinse Brieven en Uit de eeuwige stad in verband met het onderwerp dat hij aan de orde stelt. Daarbij baseert hij zich op gedachten van paus Benedictus XVI. Deze paus waarschuwt tegen de verlokkingen van het relativisme, en de daarmee samenhangende cultus van het eigen ik. Het ware humanisme is in Gods Zoon, in wie waarheid en liefde met elkaar zijn verbonden. Het relativisme is alleen in schijn bescheiden, maar komt in werkelijkheid neer op onverschilligheid. De vraag naar de waarheid – constateert de theoloog en bisschop Joseph Ratzinger, later paus  – wordt niet meer gesteld. De filosofen hebben het zoeken opgegeven. De filosofie is wetenschap geworden, en wetenschap erkent alleen wat wij met onze zintuigen kunnen waarnemen.

Paus Johannes Paulus II maakte in zijn encycliek Fides et Ratio duidelijk dat  Geloof en Rede niet kunnen zonder elkaar. De academische wijsbegeerte omvat hoogstens kennisleer, logica, zijnsleer en toepassing op een bepaald vak, geschiedenis bijvoorbeeld. Wat echter aan de orde zou moeten komen zijn de levensvragen en de groei naar wijsheid. De vraag naar de waarheid is daarbij cruciaal. Wat we echter zien, is dat men die vraag irrelevant vindt, want anti-democratisch. Alsof waarheid zou afhangen van de meerderheid. En zo heeft men een moraal die afhangt van louter afspraken, en die dus verandert met de tijd, zoals de mode verandert. Ten aanzien van abortus bijvoorbeeld, heeft men het over de hoeveelheid maanden bij de zwangerschap. De leer van de Kerk is glashelder: al bij de bevruchting is het nieuwe leven gegeven, dus abortus is een schending van de natuur.

Zonder God verziekt alles. De waarheid geneest, want ze is de werkelijkheid van God. En de Kerk heeft tot taak de mens in contact te brengen met Hem. Helaas heeft de Kerk veel van haar geloofwaardigheid verloren. Het kwaad is in haar binnengedrongen. In een gesprek dat Antoine Bodar een tijd geleden had met de Belgische kardinaal Danneels hoorde hij bemoedigende woorden over de populariteit van new age, waarin deze kerkvorst de behoefte aan iets hogers bespeurde; en daaruit zou men dan de conclusie mogen trekken dat mensen op zoek zijn, om misschien nog eens bij de Kerk terecht te komen. Maar ja, Chesterton zei al: wie niet in God geloven, gaan in alles geloven. Dus esoterie heeft dus meer te maken met bijgeloof dan met de waarheid van Jezus Christus.

Het Geloof wil door de Rede worden begrepen. En dat betekent dat de Kerk het verstand erbij moet betrekken, en daarin zit een belangrijk verschil met het protestantisme. Smaken mogen verschillen, maar over de waarheid valt niet te twisten. De wetenschap stelt tegenwoordig vast dat wij ons “brein” zijn. Maar wat lost dat op?

Joseph Ratzinger, paus Benedictus, stelde in zijn Regensburger Rede van 2006 dat het christendom gelooft in een redelijke God, of ook: dat God niet handelt in strijd met het verstand. Het Woord dat God is handelt niet naar willekeur. Paus Johannes Paulus II verwijt de filosofie onvoldoende haar eigen roeping te volgen. Theologie kan niet zonder filosofie, en vice versa. Maar wat we zien, is dat de theologie in Academia thans “godsdienstwetenschap” heet; en een  godsdienstwetenschapper hoeft niet te geloven, het is zelfs beter als hij niet gelooft want anders zou zijn wetenschappelijke status in het gedrang komen. Maar wetenschappers kunnen niet zonder een uitgangspunt op grond waarvan de waarheidsvinding plaats vindt. Alle denken gaat uit van intuïtie. En ook de gewaarwording hoort tot het denkvermogen.

Paus Benedictus ziet drie actuele taken voor de filosofie: het toenemen in wijsheid, het zoeken van kennis en de metafysische draagwijdte. Hij betreurt de ont-hellenisering, want juist in die eerste eeuwen kreeg de theologie haar beslag, haar ontwikkeling onder invloed van het Griekse denken. Nu zijn er die deze ontwikkeling afdoen als een vorm van inculturatie, en dan zou je met even veel recht latere vormen van inculturatie kunnen billijken. In Afrika, bijvoorbeeld, dansen ze tijdens de H. Mis. Maar dat is toch wel wat anders.

Paus Benedictus zet de zogeheten historisch-kritische methode met betrekking tot de Bijbel op zijn plaats. Wij moeten de traditie respecteren. Het protestantse “sola scriptura” is ontoereikend. God is groter dan het Boek. Protestanten mogen veel van de Bijbel weten, en er links en rechts uit kunnen citeren, maar het gaat om de samenhang. Zo heeft bijvoorbeeld de geboorte van Johannes de Doper uit de onvruchtbare Elisabet een band met de onvruchtbare Hanna uit Oude Testament, uit wie de profeet Samuel werd geboren.

Het Woord dat God is, de Logos, werkt conform de logica, beklemtoont paus Benedictus. Anders dan in de islam.

de voorzitter

P.S. Antoine Bodar gaf in de jaren negentig 3 lezingen voor de Sint Nicolaas Academie over “Priesterbeleving in deze tijd” (1993), “De roeping van de leek” (1994) en “Het mysterie van het geloof” (1995)

WAT IS GELOVEN ? 18 november, 2017

 

                                                                                                                          

 

 

 

 

DAMIAAN MEUWISSEN, rechtsfilosoof en hoogleraar, heeft zich ontwikkeld tot algemeen filosoof met als uitgangspunt Hegel en andere Duitse denkers als Kant en Heidegger. Daarin volgt hij o.a. de jezuïet Karl Rahner, vooraanstaand theoloog in de aanloop naar het Tweede Vaticaans Concilie van 1962-’65.

Wat is geloven? Allereerst een dagelijkse handelwijze waar iedereen mee te maken heeft. Je kunt niet zonder. Het is iets voor waar aannemen, ook al betreft het nepnieuws of leugens. Geloven is vertrouwen op iemand, of op een instantie die men voor geloofwaardig houdt. Geloof, fides in het Latijn,  heeft met “fiducie” te maken. We kunnen nou eenmaal niet alles zelf uitzoeken.

Voor het christelijk geloof geldt om te beginnen wat geldt voor bovenstaande. Vervolgens: wat is waarheid? Waarheid in het christendom? We hebben daar intuïtief een idee van. En dan zoeken we uit of de christelijke waarheden kloppen met de feiten, met de werkelijkheid. Neem de verrijzenis van Jezus. Daarin geloven wij op grond van de geloofwaardigheid van de apostelen, de Evangeliën. Dat geloof is specifiek christelijk. Het wortelt in de Goddelijke Openbaring, zoals we die kennen uit de H. Schrift. Hier hebben ongelovigen moeite mee, maar ook voor gelovigen eist het de nodige overdenking.

Binnen het Geloof is een ontwikkeling, die nog steeds gaande is. De wende, de grote keer kwam met het Tweede Vaticaans Concilie van de jaren zestig van de vorige eeuw. Maar daarvoor, in de negentiende eeuw, en begin twintigste eeuw gebeurde er al het nodige dat op het concilie vooruitliep. Om te beginnen, het Eerste Vaticaans Concilie van 1870, dat voortijdig werd afgebroken vanwege de Frans-Duitse oorlog en de invasie van Rome. Twee belangrijke punten kwamen toen aan de orde. Ten eerste, het dogma van de onfeilbaarheid van de paus; en ten tweede, de positie van het Geloof zelf. Dat laatste draait om de stelling  dat de menselijke ratio, of het natuurlijk verstand voldoet om God te leren kennen. Dit, los van de Openbaring! En zo ontwikkelde zich vanuit die stelling een natuurlijke theologie. Die werd heftig aangevochten door de protestanten, door bv. de Zwitserse theoloog Karl Barth.

Vaticaan II, dat de deuren naar de wereld opende, benadrukte het Geloof uitgaande van het vertrouwen op, en bijgevolg de overgave aan God. Theologen als Karl Rahner en Henri Lubac beriepen zich daarbij o.a. op Kant, Hegel en Heidegger. Het Credo heette voor hen geloofwaardig, en het veronderstelde een persoonlijke relatie met Christus.

Een katholiek-protestantse controverse betrof het begrip “genade” (gratia). Voor Luther gold “genade alleen” (sola gratia), naast sola fide en sola scriptura, het geloof en de Schrift  los van de traditie, de overlevering. Onder “genade” verstaan de katholieken echter ook de praktijk van de goede werken. Niet dat protestanten daar vreemd aan zijn, maar gratia zien zij toch vooral als enkel iets van buitenaf. De katholiek ziet de genade eveneens als een gave, maar benadrukt daarbij de vatbaarheid van de ontvanger, het zich openstellen voor, en actief meewerken met de genade. Voor de rest mogen de theologen er hun hoofd over breken.

Gaan we terug naar het leren kennen van God, dan zal men er niet onderuit kunnen dat dit een zoeken veronderstelt bij wie geloven wil, en meer nog een neiging tot liefde. Kennen op basis van liefde opent onze ogen, en laat het licht schijnen in de duisternis.

Geloof en Rede, Fides et Ratio, theologie en wetenschap, religie en filosofie…, wat is de verhouding tussen die twee? Wat die ook is, het is de rede, het verstand dat het initiatief neemt. Het Geloof wordt dan gezien als aannemelijk, als niet onredelijk, als toetsbaar met ons denkvermogen.  Daarentegen ben je onredelijk als je niet gelooft. Niemand kan trouwens bewijzen dat God niet bestaat.

Onze tijd is er een van secularisering. Seculier betekent in wezen: in de tijd, in de ruimte. Dit, op grond van de Incarnatie, de Menswording Gods. De tijd verbonden met de eeuwigheid. Helaas ontkent de huidige tijdgeest  dat er iets is dat tijd en ruimte overstijgt, en daarmee is ieder religieus geloof van de baan. Het boventijdelijke, het bovennatuurlijke of buitenruimtelijke is uit ons opinieklimaat verdreven. Het is als Pilatus die in confrontatie met Jezus Christus zegt: wat is waarheid? Hier botst de heersende houding die zich op de feiten, op de werkelijkheid beroept met de wereld van het onwerkelijk ware: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld”.

In de jaren veertig pleitte de theoloog Dietrich Bonhoeffer, verzetsstrijder tegen het nazisme, in de gevangenis voor een religieus christendom los van de institutionele vorm, dus zonder kerkelijke structuur. Dat vond vooral weerklank onder protestanten. Maar kun je om de kerk heen? Die is immers door Jezus Christus zelf ingesteld. In de sfeer van Vaticaan II klonk bij de theoloog Schillebeeckx, geïnspireerd door de marxistische filosoof Ernst Bloch, de nagalm van de christelijke deugd van de hoop. De hoop op de verrijzenis, in aansluiting op het vierde mariale dogma van haar Ten Hemel Opneming. De dood heeft niet het laatste woord!

de voorzitter

P.S. Damiaan Meuwissen publiceerde in samenwerking met anderen het boek Europa reflexief, een bezinning op de Europese geest, de toekomst en de positie van religies binnen Europa.

RELIGIE EN SECULIER DENKEN 21 oktober 2017

Professor Frank Koerselman

 

Frank Koerselman, professor psychiatrie in ruste, stelt –vanuit psychologisch oogpunt – vast dat de mens van nature in iets hogers wil geloven, iets waaraan hij zekerheid kan ontlenen. Dat hogere zou in onze tijd kunnen doorgaan voor “politieke correctheid”. In zijn boek Wie wij zijn primeert het begrip “identiteit”. Die term hoort men tegenwoordig vaak. Fundamenteel is in elk geval de behoefte aan veiligheid en geborgenheid, die evenwel lastig te rijmen valt met een andere fundamentele behoefte, de expansiedrang. In zijn zucht naar zelfbevestiging zoekt de mens de acceptatie van de groep, maar daarbinnen bevinden zich ook zijn concurrenten.

Religie biedt meer geborgenheid dan secularisme. Psychologisch gezien, verstaat Koerselman onder “religieus” een soort gevoel, stemming, liefde voor schoonheid, maar ook angst en huiver. Het is openstaan voor een soort gewaarwording, zoals men openstaat voor muziek. Je kunt religie ook als bedreigend ervaren. De religieuze mens weet zich in elk geval afhankelijk, in verwondering en in vrees.

Van oudsher is de mens tot het religieuze geneigd, maar daar kan een eind aan komen, zoals bijvoorbeeld in Nederland. Vroeger nam men voor het omgaan met de werkelijkheid zijn toevlucht tot verhalen, tot sprookjes en legenden. Ooit waren mensen levende verhalen. Daarnaast waren er de rituelen, die aan tijd en plaats structuur geven. Ook niet-religieuze mensen kennen rituelen. Cruciaal is dat religie greep probeert te krijgen op het feit van onze sterfelijkheid, de dood, het verlies van dierbaren, het onderscheid tussen wie het voor de wind gaat en wie moeten creperen, de eenzaamheid. Dit alles vond niet alleen een uitweg in het christendom, maar ook daarbuiten. Het perspectief van de hemel waarin eertijds de goden leefden diende als spiegel en ideaalbeeld voor de stervelingen. Opgaan in die bovennatuurlijke wereld gold als doel en werd gezien als voortzetting van het leven in de natuurlijke wereld.

Ondertussen kreeg de mens in zijn sterfelijk bestaan te maken met het probleem van het lijden, dat de orde verstoort. De sterken waren daar beter tegen opgewassen dan de zwakken. Het christendom groeide op te midden van die laatste, onder  armen en slaven en het lage volk. Die hadden het moeilijker in het trotseren van tegenspoed. Het christendom leerde enerzijds de wereld te aanvaarden zoals ie is, en anderzijds uit te zien naar een gelukkig hiernamaals. Daarvoor was de Verlosser nodig.

Een van de dingen die voor de christenen in de wereld centraal staat is het gezin, een microkosmos waarbinnen de taken verdeeld waren, waarin de man en de vrouw elk een eigen functie hadden, als kostwinner en als verzorgster van de kinderen. In onze postmoderne tijd wordt het gezin niet meer gezien als de nucleus van de samenleving. Alleen op 24 december vullen zich nog de lege kerken. Want dan viert men het ideale gezin, het verhaal van mensen die de moeilijke omstandigheden te boven komen. Het gezin vertegenwoordigt het vermogen om te overleven in een barre wereld. Alleen red je het niet. In onze tijd is het gezin een onderwerp van strijd en verzet. Dat is een gevolg van de anti-religieuze trend sinds de Franse Revolutie, van de opstand tegen het christendom als zijnde onderdrukkend. Revoluties scheppen een nieuwe mens, die ondergeschikt is aan de soort, aan het collectief.  In plaats van tussen gezinsleden, beweegt hij zich tussen “citoyens” en kameraden. Maar het communisme loopt uit op mislukking. Het preekt de gelijkheid en gaat voorbij aan de werkelijkheid van de verschillen. En zo zien we na de val van het staatscommunisme in Rusland de religie weer opbloeien.

Nederland loopt op het punt van seculier denken voorop. De generatie van 1968 wilde uit onder een geborgenheid die ze als beknellend ervoer. De naoorlogse jongeren wilden los van de oude hiërarchische structuren. Het individu moest vooropstaan. Maar ook de vrije en autonome mensen kunnen niet heen om de realiteit van de dood en het kwaad. En hoe moet dat zonder religie? En hoe vanuit de gepropageerde gelijkheid om te gaan met de realiteit van het verschil? Hoe te leven zonder “verticale dimensie”? Wat we bijvoorbeeld zien, is dat er geen rekening wordt gehouden met de minderheid, met ouderen. En ouderen van hun kant, laten zich met “jij” aanspreken omdat “u” te oud klinkt. Men tutoyeert elkaar, men noemt elkaar bij de voornaam. Wat in de nivellering verdwijnt, is het respect. Mannen mogen niet meer. Hun spierkracht is passé. Er is geen verschil meer tussen man en vrouw. En ook de denkkracht dreigt erbij in te schieten.

Het kwaad valt niet te ontkennen. Men neutraliseert het met het argument dat het in jezelf zit, of juist in een ander. Omgaan met de dood blijkt onmogelijk zonder religieuze verklaring. Te vergeefs probeert men de dood te bezweren met de euthanasie. Daarachter zit  een gevoel van woede. Doodsangst is normaal. Maar die overwin je niet door het kunstmatig beëindigen van het leven. Rest nog de realiteit van de eenzaamheid. Daar denkt men maar liever niet aan. De niet-religieuze mens heeft er geen oplossing voor. Alles wat hij nog doet, is keihard schreeuwen, om gehoord te worden, om als slachtoffer te poseren.

De ontkerkelijking en de ontkerstening hebben de generatie van 1968 verweesd achtergelaten. Er zijn maar weinig mensen die erin slagen echt als vrije individuen  te leven. Het komt uiteindelijk aan op het vermogen om te gaan met tegenslagen, aldus Koerselman. .

De beroemde Nederlandse psychiater H.C. Rümke omschreef “ongeloof” als een ontwikkelingsstoornis. Maar dat is al weer enige tijd geleden.

 

de voorzitter

KENT ONZE TOEKOMST NOG MORALITEIT ?

SINT NICOLAAS ACADEMIE, 16 SEPTEMBER 2017

Michiel Hemminga: aan de hand van Alasdair MacIntyre

 

Bestaat er in onze samenleving nog een moraliteit die ons bindt? Die bestaat net zo min als dat er nog een religie bestaat die ons bindt. Onze maatschappij is nadrukkelijk pluralistisch, multicultureel en individualistisch.

Bestaan er, vanuit humanistisch oogpunt, deugden die ons binden, zoals bijvoorbeeld rechtvaardigheid en moed? Wat die inhouden zal voor elke groep, en zelfs voor een ieder anders zijn. Hetzelfde geldt voor waarheid. Die is afhankelijk van elke afzonderlijke beschouwer, zoals ook de werkelijkheid afhangt van ieders waarneming. Op geestelijk vlak houdt niets ons bij elkaar. Alles wat we delen is de fysieke ruimte en de taal die we nodig hebben om nog net voldoende orde te handhaven aangezien we anders, praktisch genomen, niet meer zouden kunnen functioneren. Subjectivisme en relativisme vieren hoogtij.

De Schotse filosoof Alasdair MacIntyre begon als marxist en eindigde als katholiek. Zijn meest bekende werk, After Virtue (1981), omvat een pleidooi voor de heropleving van de deugden. Inspiratie daarvoor zoekt hij bij Aristoteles, die de situatie van de Griekse stadstaat, met name het oude Athene, als uitgangspunt heeft. Het individu is daarin ondergeschikt aan het algemeen belang. Wat goed is voor de gemeenschap, is goed voor de enkeling, en vice versa. Dus over wat rechtvaardigheid en moed inhouden, bestond daar eensgezindheid.

In de christelijke Middeleeuwen worden de deugden aanbevolen: voorzichtigheid, rechtvaardigheid, gematigdheid, moed, aangevuld met geloof, hoop en liefde. Dat alles onder inspiratie van het christendom. Die tijd is voorbij. Na het protestantisme kwam de Verlichting en sindsdien probeerden de filosofen een moraal te gronden op louter het verstand. In onze tijd heeft het verstand het veld geruimd voor het emotionele, voor datgene wat goed voelt.

MacIntyre herinterpreteert Aristoteles met betrekking op zogenaamde praktijken. Praktijken waarin binnen een gemeenschap overeenstemming bestaat over het goede, zoals in een beroepspraktijk waarin het voor alle betrokkenen duidelijk is waaruit vakmanschap bestaat. Denk aan het ziekenhuis of de school.

MacIntyre ziet moraliteit dus in het kader van gemeenschappen die een opvatting delen van het goede. Bij een ziekenhuis is dat duidelijk, want gericht op het genezen van mensen. Omdat mensen in zo’n situatie lid zijn van dezelfde beroepsgemeenschap hebben ze een gedeeld belang, dus wat goed is voor de een, is ook goed voor de ander. MacIntyre voegt er in het geval van bijvoorbeeld een politieke gemeenschap de historische dimensie aan toe en zoekt de eenheid niet alleen in het heden, maar ook door de tijd heen. Deugden hebben een traditie en horen bij elkaar. Rechtvaardig handelen bijvoorbeeld, vereist moed.

We zitten nu in het Westen met het probleem dat we het binnen onze samenlevingen, als we daarvan nog spreken kunnen, geen gedeeld begrip van rechtvaardigheid meer hebben. De uitkeringstrekker en de belastingbetaler zullen het mogelijk niet eens zijn over de herverdeling van geld. Patriottisme bestaat dan ook nauwelijks meer aangezien de overheid niet langer gedeelde opvattingen over het goede vertegenwoordigt. Dus de overheid wordt alleen nog gekenmerkt door regelgeving en het bureaucratisch managen van verschillende groepen.

Een moraal die ons zou binden vereist, Bijbels gezien, allereerst een ontwikkeld geweten, een besef van goed en kwaad, van verantwoordelijkheid om het goede te doen, en een schuldgevoel wanneer men daarin tekort schiet. Maar is een dergelijk besef te verwachten van een samenleving als geheel? Een individu kan ethisch verantwoord handelen. Maar kan een groep, een overheid dat ook? Om van een samenleving zonder God maar te zwijgen. Schaf je God af, dan is het ergste mogelijk, stelde Dostojewski. Nietzsche verklaarde God dood omdat hij zag dat de pogingen van de filosofen om een moraliteit te gronden op de rede, op het nut of op de gerichtheid op geluk niet overtuigden. Zelfs binnen het christendom was moraliteit alleen mogelijk in besloten gemeenschappen, zoals een klooster. Wat rest, zijn de laatste vijf van de Tien Geboden. Daarzonder is het bestaan van een samenleving onmogelijk.

Dat een algemeen gedeeld zedelijk besef samenhangt met waarheid ligt voor de hand. De vraag van Pilatus tegenover Christus, wat is waarheid?, is ook de vraag van de filosofen van onze tijd. En in hun filosofie heeft sinds Nietzsche met de metafysica, ook het christendom afgedaan. Voor ieder is waarheid iets anders, zoals ieder goed vindt wat goed voelt.

 de voorzitter

 

 

 

MARTELAARSCHAP IN ISLAM EN CHRISTENDOM

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

17 juni 2017

Dominee Huib Klink, predikant te Hoornaar, is een zeer belezen man, vertrouwd met de grote theologen en filosofen, kenner in het bijzonder van Kierkegaard, liefhebber van Plato, bewonderaar van Maarten Luther en de antirevolutionaire voorman Groen van Prinsterer, verbonden met het Conservatief Café te Gouda, frequent bezoeker van Italië en gaat prat op het hebben van katholieke vrienden.

Het begrip “martelaarschap” associeert men in onze geseculariseerde tijd met de islam, zoals het woord God staat voor Allah. De God van de Bijbel – benadrukt de dominee – moet men daar liever van gescheiden houden. En wat moslims en moslima’s onder “martelaren” verstaan, verschilt wezenlijk van wat het christendom daaronder verstaat. Ondertussen heeft de westerse mens een probleem met het verstaan van de revolutie in de jaren 70 in Iran vergeleken bij de Franse Revolutie van weleer. Hoe die eerste te duiden?, vroeg de filosoof Michel Foucault zich af. Of anders gezegd, hoe moet de verlichte adept van de moderniteit de islam begrijpen? Bijvoorbeeld door te wijzen op de armoede, gekoppeld aan ressentiment als verklaring voor de radicalisering van moslims. Uiteraard moeten humanisten als Paul Cliteur niets hebben van godsdienst. Alle godsdiensten zijn volgens hen levensgevaarlijk, want kweekbodem van fanatisme. Als voorbeeld wordt wel eens gewezen op de figuur van Pinechas die in de tijd van Mozes duizenden Israëlieten die zich met vreemde vrouwen hadden afgegeven de dood injoeg. Hij staat model voor de latere ijveraars, die in de tijd van Jezus streefden naar onafhankelijkheid van de Romeinen, desnoods met geweld. Hierover schreef de Duitse theoloog Martin Hengel, hoogleraar in Tübingen, zijn boek “Die Zeloten” (1956), uitgaande van de vraag: hoe verhoudt zich het Evangelie tegenover de Geschiedenis.

Of anders gesteld: is de christen geroepen om eventueel met het zwaard Gods koninkrijk op aarde af te dwingen? En is hij dan, voor geval hij daarbij sneuvelt, een martelaar? Onder de joden van de oude tijd had je de Maccabeeën, die zich met geweld verzetten tegen de vergrieksing van hun leefomgeving, in het bijzonder de ontheiliging van de tempel. Hun opvolgers, de zeloten, wilden de Romeinse bezetters verdrijven. Jezus zou hun koning kunnen worden, maar Jezus had een andere missie. Niet alleen de joden, de mensen in het algemeen hadden verlossing nodig. Zijn missie was niet nationaal, maar universeel. Flavius Josephus, de joodse historicus die aanvankelijk sympathiseerde met de opstand tegen de Romeinen in de periode na de dood van Christus, en die de handelwijze van de sicariërs – extremistische zeloten – beschrijft die zich met dolken onder de menigtes begaven om willekeurig wie overhoop te steken, veranderde uiteindelijk van inzicht. Het messiaanse rijk vestigde je niet door middel van de wapens. Uit de profeet Daniël begreep hij dat het messiaanse rijk als een steen vanaf een hoge berg zou neerrollen om naast en in de wereldse rijken wortel te schieten en tot grote proporties uit te groeien. Dat inzicht leefde mogelijk ook onder de farizeïsche elite in de tijd van Jezus, maar het gewone volk wilde zichtbare resultaten, en daarmee hielden de autoriteiten die door de Romeinen waren aangesteld rekening.

‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’, waren de woorden die Jezus tot Pilatus sprak. En ook de duivel had hij dat eerder duidelijk gemaakt in de woestijn toen deze hem de macht over alles wilde geven. Judas Iscariot, die tot de zeloten behoorde, heeft hem mogelijk verraden omdat hij zich niet als een wereldse bevrijder wilde opwerpen. Jezus’ intocht in Jeruzalem op Palmzondag met het alleluja van de kinderen was niet het soort revolutie waar de zeloten warm voor liepen. Jezus greep niet naar het zwaard. En de enigen die hem aanvoelden waren de geestverwanten van Maria en Jozef, de profeten Simeon en Zacharias. De universele bedoelingen van het messianaat komen het meest naar voren in de Griekse Bijbel, de Septuagint. Het ging niet alleen om Israël. In zijn boek “Judentum und Hellenismus” stelt voornoemde Martin Hengel het rijk van de wereld tegenover het rijk van de hemel. Degene die naast Christus aan het kruis stierf, de moordenaar die vroeg hem te gedenken wanneer Hij in zijn koninkrijk zou komen – en die tegenover de andere moordenaar de Gekruisigde in het midden honend had uitgedaagd zichzelf te redden als hij de Messias was -, had Zijn woorden – ‘Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen’ – begrepen en hoorde als enige de woorden: ‘Nog heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs’.

Geen wraak nemen, dat maakte indruk op de moordenaar aan wie het koninkrijk Gods was beloofd. Het martelaarschap in de zin van Christus bestaat uit wat christenen overkomt, wat ze wordt aangedaan. Het martelaarschap van de extremistische moslims, van de terroristen bestaat uit haat tegen anderen en zoveel mogelijk anderen in de dood willen meenemen.

Moeten christenen dan maar alles over hun kant laten gaan, Gods water over Gods akker laten lopen? Nee. Getuigen is altijd bewonderenswaardig, en alleen al dat kan de woede, de minachting of het doodzwijgen uitlokken vanuit de heersende tijdgeest of de gevestigde orde.

de voorzitter

DE NEDERLANDSE PAUS ADRIANUS VI, 20 mei 2017

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Wees geduldig en houd stand”, luidde de lijfspreuk van Adrianus. Pim Walenkamp is leraar Nederlands, journalist, gids, studeerde geschiedenis, zit in het bestuur van het CRK (Contact Rooms Katholieken) en van het Katholiek Nieuwsblad. Al geruime tijd werkt hij in zijn vrije uren, en onbezoldigd, aan een proefschrift over de Nederlandse paus. Over een jaar of twee hoopt hij daarmee klaar te zijn.

Adriaen Floriszoon Boeyens werd geboren in 1459 in Utrecht. Zijn ouders waren zeer bemiddeld, maar niet van adel. Ze bewoonden een groot stenen huis en behoorden tot de ingezetenen van de stad. Vader overleed toen Adriaen nog heel jong was. Op zijn twaalfde mocht hij gaan studeren, en dat gebeurde op een kostschool waar de lessen de geest volgden van de Moderne Devotie, een beweging in Noord West Europa die inspiratie putte uit het oorspronkelijke christendom en waarvan Geert Groote bekend staat als de belangrijkste vertegenwoordiger. Dat Adriaen priester wilde worden, wist hij al vroeg. De enige opleiding daarvoor in de Lage Landen was de Universiteit van Leuven. Twaalf jaar lang studeerde hij daar, en zijn promotie betrof een commentaar op een deel van het Bijbelboek Spreuken dat is toegeschreven aan koning Salomo. Adriaen benaderde zijn onderwerp op scholastieke wijze en uitgaande van de rede. Zijn priesterwijding viel rond 1489. In Leuven fungeerde hij als docent, en sinds 1493 als rector magnificus.

In het eerste decennium van de zestiende eeuw viel hem een bijzondere taak ten deel, en wel de opvoeding van de in 1500 te Gent geboren prins die weldra koning van Spanje zou worden, keizer van het Heilig Roomse Rijk, alsmede Heer van de Nederlanden. Karel V, zoon van Filips de Schone (Habsburg) en Johanna dochter van Isabel van Castilië en Ferdinand van Aragon. Als vijftienjarige bezocht Karel voor het eerst zijn Spaanse koninkrijk in gezelschap van jonge Vlamingen die in het zuiden op erebaantjes en bezit aasden. Dat leidde tot een conflict met de plaatselijke notabelen van de steden, en zo moest de kersverse koning een opstand onderdrukken om zijn gezag te vestigen, de zogeheten oorlog tegen de “Comuneros”.

Adrianus was meegetrokken naar Spanje, en kreeg te maken met de opstand. Verwacht werd van hem dat hij hard optrad in zijn functie als bisschop en kardinaal van Tortosa. Daarin onderscheidde hij zich van andere verantwoordelijken doordat hij de gebruikelijke wreedheden vermeed en voor het bestraffen van opstandelingen eerst harde bewijzen eiste. Hij betoonde zich een rechtvaardig mens. Dat mag eveneens worden gezegd van zijn broodheer en voormalige leerling koning Karel. Diens werk was allesbehalve gemakkelijk. Hij was jong en bevond zich in een land dat hij niet kende. Zijn moeder Johanna leefde opgesloten in een kasteel aangezien men haar ontoerekeningsvatbaar achtte en ongeschikt om de regering namens haar zoon waar te nemen. Wie aan de touwtjes trok was kardinaal Cisneros, primaat van Spanje, stichter van de Universiteit van Alcalá waar geleerden werkten aan de publicatie van de Polyglot Bijbel (met naast elkaar het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn), een staaltje waar geleerd Europa, inclusief Erasmus, van opkeek. De kardinaal was behalve met de pen, ook bedreven met het zwaard getuige de inname van het islamitische kapersnest Oran (in Noord Afrika), dat hij inlijfde bij zijn bisdom Toledo.

Adrianus volgde Cisneros in 1517 op als Groot Inquisiteur, een ambt dat in de latere geschiedenis berucht is geworden door Torquemada, biechtvader van Isabel en Fernando. Rond de Spaanse Inquisitie hangt een zwarte legende die in omloop is gebracht door achtereenvolgens de protestanten, de achttiende-eeuwse encyclopedisten, de negentiende-eeuwse romantici en de marxistische historici van de twintigste eeuw. In werkelijkheid beschermde de Inquisitie de geestelijke gezondheid van het volk tegen ketterijen; en de straffen met eventueel de brandstapel zijn in de hardnekkige legende schromelijk overdreven. Adrianus stelde in zijn taak de rechtvaardigheid voorop. Hij voorzag eerder dan de meeste anderen de opkomst van Luther.

In 1521 overlijdt paus Leo X. Het conclaaf in Rome duurde twee weken, en in de laatste verkiezingsronde kwam Adrianus uit de bus als de nieuwe paus. Men wilde in elk geval een goede theoloog met het oog op het protestantisme. Interessant is dat Adrianus het conclaaf niet had bijgewoond, en zo geldt hij als de laatste paus die gekozen werd in absentia. Hij zei meteen ja op 31 augustus 1522. Maar hij bleef ook verantwoordelijk voor Spanje, terwijl Karel in Brussel zat. In zijn eerste schrijven, of bula, stelt hij als prioriteit de bekering van de ongelovigen in Amerika, een taak die hij opdroeg aan de missionarissen van de bedelorden. Zielen redden en het land ordenen, luidde de opdracht die hij gaf. Wel zei hij erbij dat ze geen dwang mochten gebruiken bij hun bekeringswerk.

Zijn reis vanuit Spanje naar Rome nam enkele weken in beslag. In Barcelona scheepte hij zich in. Onderweg droeg hij aan boord dagelijks de H. Mis op, iets waar men in Italië verbaasd over stond. Maar de sacramenten lagen hem zeer na aan het hart. In Rome bereikte hem de roep om hulp van de Maltezer ridders die het Griekse eiland Rhodos dreigden te verliezen, en ook inderdaad verloren, aan de Ottomanen. Daarbij speelde de Franse koning Frans I een verraderlijke rol; in het geheim steunde hij de moslims omdat hij Karel niet kon uitstaan en zich door Habsburg bedreigd voelde.

In Rome gedroeg paus Adrianus VI zich beduidend anders dan zijn voorgangers en de pausen die na hem kwamen. Hij ergerde zich aan de kunsten die in Italië heidens aandeden, met overtollig bloot en veel antieke mythologie. In hoeverre zijn strengheid op dit punt is ingegeven door zijn nuchtere noordelijke karakter, is een interessante vraag, mede gegeven de houding in dezen van Erasmus. Ook de in zijn ogen overdreven aandacht voor rijkdom onder de kardinalen maakte hem niet populair. ‘Verzamelt liever geestelijke schatten’, pontificeerde hij. Een toonbeeld van soberheid was hij. Speciale bescherming bood hij aan de orde van de theatijnen, voorlopers van Ignatius van Loyola, die hij een paar keer heeft ontmoet. Zo mag men Adrianus VI ook beschouwen als vooruitlopend op het Concilie van Trente dat het christendom herdefinieerde tegen het protestantisme en waarin de jezuïeten het voortouw namen. Hij erkende dat Rome zich schuldig had gemaakt aan excessen die de opstand van Luther verklaarden en waarvoor hij zich verontschuldigde.

Kortom, paus Adrianus VI mag worden beschouwd als een genadig bestuurder, engelachtig en deugdzaam, een oprecht man die zich niet liet omkopen. Ook was hij goed van vertrouwen, om niet te zeggen goedgelovig. Hij was op al deze punten beslist uitzonderlijk voor zijn tijd en voor de positie die hij bekleedde. Hij stierf in Rome in 1523, na slechts anderhalf jaar paus te zijn geweest.

de voorzitter

P.S. Onlangs verscheen het boek “De Nederlandse paus Adrianus van Utrecht” van de hand van Twan Geurts, Uitgeverij Balans.

KERK EN STAAT IN HET OTTOMAANSE RIJK

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

KERK EN STAAT IN HET OTTOMAANSE RIJK
22 april 2017
De verhouding tussen die twee was, in een woord, pragmatisch. Dat is de conclusie van Dr. Alexander de Groot, turkoloog die doceerde aan de Universiteit van Leiden, auteur van het in 1978 verschenen “The Ottoman Empire and the Dutch Republic: a history of the earliest diplomatic relations, 1610-1630” en “Nederland en Turkije 600 jaar politieke, economische en culturele contacten” (1986). Bijzondere omstandigheid is dat dr. De Groot zijn lezing geeft in de Sint Agneskerk, waar de relikwie van de “heilige doorn” (uit de doornenkroon van Jezus Christus) wordt bewaard die afkomstig is uit Constantinopel en die door de familie Testa naar Amsterdam is gebracht.

Hoe verging het de christenen onder de islam? Niet anders dan hoe het de joden verging. Zij werden getolereerd als volken van de Bijbel, maar de Koran had met de verbeterde versie van de openbaring de Bijbel naar het tweede plan verwezen. Joden en christenen hadden in het Ottomaanse Rijk een eigen plaats en genoten bescherming van de overheid. Wel moesten ze extra belasting betalen. Van de vijftiende tot en met de achttiende eeuw gold christelijk Europa als vijand. In de negentiende eeuw besefte Constantinopel dat een verovering van Europa er niet meer in zat, dus sindsdien werden de diplomatieke betrekkingen uitgebreid.
Het gedogen van de christenen door de eeuwen heen hield o.a. in dat er kerkgebouwen mochten zijn, dat die gebouwen gerestaureerd mochten worden, maar nieuwe kerken bouwen kon niet, en als de bestaande werden afgebroken kwamen er moskeeën voor in de plaats. De tolerantie ging terug op het recht van de Islam, de protectie (DHIMMA) van Joden en Christenen, die verwoord is in een legende, volgens welke kalief Omar, de tweede opvolger sinds de profeet Mohammed, een pact met de christenen zou hebben gesloten, en als gevolg daarvan mocht de oudste christelijke kerk in Arabië toegewijd aan Sint Catharina in de Sinaï woestijn blijven bestaan. De toekomstige vorsten van de islam hielden zich aan die legende.
Het rijk van de Ottomaanse sultans was het langst durende uit de geschiedenis en omspande een periode van 1300 tot 1923. In dat laatste jaar maakte Atatürk aan het Ottomaanse kalifaat een eind. Eerder had in de dertiende eeuw het

binnenvallen van de Mongolen onder Djenghis Khan een eind gemaakt aan het Arabisch kalifaat van de Abbasiden. Hun Mongoolse opvolgers vonden alle godsdiensten even goed en gebruikten de islam vooral om de politieke macht voort te zetten. Iets later, onder de Osmanen, werd de islam dominant en evolueerde de tolerantie tot systeem. Dat hield in dat de verschillende godsdienstige groeperingen een persoon als aanspreekpunt kregen waarmee de sultans het contact onderhielden. In 1453 namen de legers van sultan Mohammed II Constantinopel in. Met Selim I in de zestiende eeuw groeide het sultanaat uit tot een wereldrijk met de veroveringen van Syrië, Egypte en de heilige plaatsen Mekka en Medina. De veroveraar Selim sloeg zijn tenten op bij Jeruzalem, maar respecteerde de viering van Kerstmis.

Nadat in de achttiende eeuw onder Abdul-Medjid I, de hervormer, alle onderdanen gelijk werden gesteld, moslims en niet moslims, brak in de tweede helft van de negentiende eeuw een tijd aan waarin conservatief en modern samengingen met als specifiek kenmerk de opkomst van het nationalisme. En dat pakte niet goed uit voor de christenen. Want om door te gaan voor burger van het Rijk diende je Ottomaan te zijn. In feite bleven Grieken zich Grieks en Moslims zich Turks voelen. Naast het Griekse nationalisme kwam er ook een Turks nationalisme zodat niet-moslims zich niet meer loyaal gedroegen aan het Ottomaanse regime.
Onder de verschillende religieuze gezindten in het Rijk waren de Grieks orthodoxen de meest zichtbare. Zij vormden immers al het merendeel van de bevolking voordat Constantinopel in handen van de moslims viel. De sultan benoemde een pro-Ottomaanse priester als Oecumenisch Patriarch. Deze was dus een religieuze topambtenaar of een civiele kerkvorst die uit naam van de sultan de Griekse gemeenschap bestuurde, waaronder ook de patriarchen van Antiochië, Jeruzalem en Alexandrië vielen, alsmede de Grieks orthodoxen in Bulgarije, Roemenië, Walachije, Servië , Albanië en Arabieren . Zij mochten grond bezitten en soms zelfs nieuwe kerken bouwen. Anderzijds werden er ook kerkgebouwen onteigend, te beginnen in 1453 met de belangrijkste christelijke kerk, de Aya Sofia. Daar werd een moskee van gemaakt nadat het gebouw was opgeschoond, totdat het in 1934 in een museum veranderde.
Verdeel en heers is een oud principe, en dat gebruikte de sultan door de verhouding tussen de Grieks orthodoxen en de Rooms katholieke Latijnen moeilijker te maken dan ie al was. Want die Latijnen waren verbonden met het vijandige Westen, met de paus en vooral met wereldmacht Spanje (denk aan Lepanto 1571).

Eind 18e, begin 19e eeuw zien we, zoals eerder aangestipt, het nationalisme opdoemen, o.a. bij de Grieken. Dat uitte zich in hun streven naar een eigen staat middels een opstand in 1830. Er kwam een klein koninkrijk Griekenland tot stand, maar de meeste Grieken bleven in Constantinopel wonen, ook wel “de stad” genoemd. De stad waar de Grieken in nostalgie naar verlangen, en dat nu vooral het centrum van hun handel was. Het Ottomaanse Rijk maakte zelfs een proces van vergrieksing door. De onrust als gevolg daarvan verergerde toen aan het eind van de Balkanoorlog in 1912, toen drie miljoen moslims werden verdreven uit Europa. Na Wereldoorlog I deden de Grieken in 1919 met instemming van de Gealliëerden, Engeland en Frankrijk een inval in Klein-Azië . Onder Atatürk sloegen de Turkse nationalisten terug door de Grieken die Klein Azië waren binnengevallen hardhandig terug te drijven naar Europa, en uiteindelijk resulteerde het met vele wrede voorvallen gepaarde proces in een uitwisseling. Daarbij trokken alle moslims (“Turken “)uit Griekenland weg naar Turkije, terwijl alle Christenen (“ Grieken “) Turkije wegtrokken naar Griekenland. Wat van de Griekse gemeenschap restte in Constantinopel, bedraagt nu nog maar zo’n 4000 man. Met aan het hoofd een patriarch voor een piepkleine minderheid.

Ook de Armeense christenen hadden een vertegenwoordiging in het Rijk, met een door de sultan aangestelde patriarch. Daaronder vielen behalve Armeniërs, ook Georgiërs, Syriërs, Kopten en Nestorianen, groeperingen die als monofysieten bekend staan (= één natuur in Christus aannemen). De meeste Armeense christenen waren de handel toegedaan, zodat ze een belangrijke economische factor vormden voor het Ottomaanse Rijk. Vooral in de negentiende eeuw bereikte hun economische bedrijvigheid een hoogtepunt. In 1915 kwam er een tragisch einde aan hun aanwezigheid onder het bewind van de Jong Turken.
Voorts had je er protestanten, uitvloeisel van de Amerikaanse zending. Wat de joden betreft, waren er zowel Azjkenaziem, als Sefardiem. Die laatsten waren de nazaten van de Spaanse joden die vanaf 1492 vanwege de Inquisitie naar het Ottomaanse Rijk waren uitgeweken. Van de bevolking van Saloniki,was 68% Joods waarvan sommigen nog de sleutel bewaarden van hun huizen in Toledo. Ze bleven Spaans (Ladino) spreken en er waren er onder hen die in Constantinopel invloed uitoefenden en tot hoge status waren gestegen omdat ze vanwege hun kennis van aartsvijand Spanje bruikbaar waren voor de politiek van het sultanaat. Aan hun aanwezigheid in de voormalig Ottomaanse Balkan kwam in 1940 een eind doordat de Duitsers ze deporteerden naar de concentratiekampen. In Constantinopel zelf handhaafden zich nog Ladino sprekende Sefardische joden, die je kunt tegenkomen in de Grote Bazaar van de stad. In het moderne Turkije zijn officieel geen scholen van een godsdienstige signatuur omdat er de strikte scheiding van Kerk en Staat bestaat. Wel zijn er scholen die door katholieke Fransen of Italianen worden geleid, en die de reputatie genieten tot de beste van het land te behoren.

De bovengenoemde scheiding hield ookafschaffing in van de sharia. Voorheen was het aan de Koran ontleende recht aan het Ottomaanse Rijk aangepast, en dus allesbehalve fundamentalistisch . De sultan, tevens kalief, vertegenwoordigde alle islamieten. Hij ging door voor plaatsbekleder van Allah, ook in de hoedanigheid van wetgever, waardoor men wel spreekt van het sultansrecht. Hij bepaalde ook welke rechten de christenen hadden. De Westers Latijnse aanwezigheid in de stad Constantinopel was van oudsher het duidelijkst zichtbaar in de wijk Galata aan de noordelijke kust van de Gouden Hoorn. Hier huisden aanvankelijk de Genovezen. Doordat zij zich bij de verovering van 1453 vrijwillig onderwierpen, kregen ze privileges van de veroveraars, en werden ze bevoorrechte onderdanen van de sultan. Ze moesten als katholieken weliswaar extra belasting betalen, maar hun gunstige handelspositie maakte dat ruimschoots goed. Voorts had je er Franken, zelfs Hollandse “lutheranen” (want wat calvinisten waren, wist de Turkes overheid niet). Latijnse christenen kwamen ook voor in ministaatjes verdeeld over de Griekse archipel, maar aan die staatjes kwam in 1537 een eind. De Venetianen die op Kreta en Cyprus zaten, waren ook duidelijk in het Rijk vertegenwoordigd als zijnde de oudste handelspartners van de Osmanen met speciale voorrechten.

Tot op de dag van vandaag bestaat er een Latijnse hiërarch waaronder de bisschoppen ressorteren. De Fransen zijn onder de katholieken het meest dominant, een positie die teruggaat tot de 17e eeuw toen Parijs opkwam als rivaal van Spanje. Minderbroeders van voornamelijk Franse en Italiaanse origine kregen het beheer over de heilige plaatsen in Turks Palestina. Constantinopel rond 1580 telden de Latijnen ongeveer 3600 man. De katholieke kolonie werd in 1682 door Rome onder het beheer gesteld van de Congregatie van de Propaganda Fide. Tot1927 bestond er een Latijnse kanselarij. Zelfbestuur kregen de christenen niet, en ze moesten toezien dat kerkgebouwen die niet meer te restaureren waren, moskeeën werden. Van oudsher gold de paus als vijand, en later als autonoom staatshoofd.
Galata had drie katholieke kerken, toegewijd respectievelijk aan Maria, aan Petrus en Paulus en aan Antonius die onder Franse bescherming vielen, en sinds 1905 onder Italiaanse bescherming. Onder de buitenlandse missionarissen kwam rivaliteit voor, bijvoorbeeld wanneer het over het beheer van de heilige plaatsen ging. De bloei van de Latijnen in de 19e eeuw houdt gelijke tred met het geleidelijk verval van het Ottomaanse Rijk, door de Britten “de zieke man” genoemd. Daaraan kwam, zoals gezegd, met de Eerste Wereld Oorlog een eind, en in 1923 bleef over de nationalistische Turkse Republiek met de nieuwe hoofdstad Ankara. Sindsdien heerst het secularisme, zowel voor moslims als andere religieuze groeperingen. In Ankara zetelt een pauselijke nuntius, zoals bij
de H. Stoel een Turkse ambassadeur. Ook zijn er nog Armeense katholieken (geünieerden), Maronieten, en rooms-katholieken met Byzantijnse ritus. Ze hebben allemaal hun eigen kerken. Over het algemeen moet geconcludeerd dat de Latiniteit een aflopende zaak is. Nog wel zijn er Franstalige, Duitstalige en Italiaanse scholen die prestige genieten.

Turkse imams worden zeer gedegen opgeleid, pragmatisch, en niet theologisch. Daarom zijn zij vanuit EU perspectief de beste imams die je binnen Europa kunt hebben.
de voorzitter