Home » 2014 » maart

Monthly Archives: maart 2014

THOMAS VAN AQUINO EN DE KLASSIEKE THEOLOGIE

VICTOR RAVENSLOOT

VICTOR RAVENSLOOT

Drs. Victor Ravensloot doceert filosofie aan de priesteropleiding van het bisdom Haarlem-Amsterdam. Klassiek is de theologie die de nadruk legt op het verstand van de mens inzake de geloofswaarheden. Theologie is een “gewijde wetenschap” die God centraal stelt en van daaruit de wereld en de mens begrijpt. Ze heeft haar wortels voor een deel in de natuurlijke theologie van de Oudheid, en voor een deel in de bovennatuurlijke waarheid van de Openbaring via de H. Schrift. De mens is zo geschapen dat hij met zijn redelijk vermogen kan weten dat er een Eerste Oorzaak is, zoals Aristoteles leert. Die  Eerste Oorzaak wordt in de Openbaring God genoemd. De bovennatuurlijke en de natuurlijke theologie zijn niet van elkaar gescheiden, zoals Blaise Pascal dacht, maar verstrengeld. Er is, anders gezegd, harmonie tussen “geloof” en “weten”. De gewijde wetenschap werkt hiërarchisch, vanuit het geheel naar de delen. Wat God betreft, moet men onderscheiden tussen wie Hij als zodanig is (ad intra), en hoe Hij naar buiten toe werkt (ad extra). Het trinitaire wezen van God is een ding, iets anders is de Mens geworden Verlosser (ad extra).

Theologie hoort niet thuis in profane instellingen, en dient alleen door gelovigen te worden onderwezen.

Hieronder volgt de samenvatting van Victor Ravensloot:

 

Theologie als gewijde wetenschap

Sint Augustinus was de eerste, die de christelijke godgeleerdheid als gewijde wetenschap erkende. Daarmee was de klassieke theologie gevestigd en werd zij dienstbaar gemaakt aan het door de Kerk verkondigde geloof. In het vervolg hield men zich hieraan: het gaat in de theologie om verdieping en verbreding van inzicht in de  Openbaring en in  de openbaringswaarheden.

Sint Thomas van Aquino sloot zich hierbij aan onder verwijzing naar de apostel Paulus, die in Timotius II, 3 schreef, dat de gehele geïnspireerde Schrift van nut is om te onderwijzen, te argumenteren, te corrigeren en op te voeden. Thomas benadrukt (in diens Summa theologiae I, q.2, art.1), dat de theologie sacraal, gewijd is (een sacra doctrina, heilige leer) omdat haar uitgangspunten de door God in de Openbaring gegeven waarheden zijn. De theologie is wetenschap, omdat de geloofszaken daarin, met behulp van filosofische beginselen belicht en beargumenteerd worden.

Er is een natuurlijke theologie, die vanuit de schepping tot God komt. De natuurlijke theologie heeft tot taak door middel van het godsbewijs het geloof in de goddelijke Openbaring voor te bereiden. De mens moet eerst met zijn gewone verstand weet hebben van elementaire zaken, zoals ‘hoogste’, ‘wezen’, ‘eerste’, ‘oorzaak’ enz., zodat hij tot de twee hier relevante grondvragen kan komen: “waar komt alles vandaan?”; “waartoe bestaat het?”. De natuurlijke theologie is geen geïsoleerde filosofie, maar wordt organisch geïntegreerd in de bovennatuurlijke openbaringstheologie, want vanuit het geloof wordt de natuurlijke kennis over God vanuit de schepping bevestigd en wel in Paulus’ brief aan de Romeinen.

De ingestorte geloofsdeugd doet door de Kerk onderwezen bovennatuurlijke waarheden op bovennatuurlijk zekere en hogere wijze kennen dan met het natuurlijke verstand mogelijk is..

 

Het eigen onderwerp van de theologie

Eerst komt het geheel, dan de delen die alleen vanuit het geheel begrepen kunnen worden. Dit geldt ook voor de wetenschappen, die elk hun eigen specifieke onderwerp hebben. Dit onderwerp is allereerst een geheel, van waaruit vervolgens de delen bestudeerd worden. Zo gaat het in de theologie eerst over God in Diens algehele godheid en vervolgens pas over de vele aspecten die we van God kunnen weten. Van kapitaal belang is het onderscheid tussen de goddelijke immanentie, Gods innerlijke Zijn en de goddelijke transiëntie, Gods buitenwaartse werking. Worden beide onvoldoende afzonderlijk gezien, dan wordt bv. het risico gelopen dat de Drieëenheid als zodanig in één vlak gezien wordt met de heilseconomisch werkingsaanwezigheid van de Drieëenheid in de wereld en dat het goddelijke Woord, de Zoon die van eeuwigheid af bij de Vader is, geheel vereenzelvigd wordt met het goddelijke Woord, zoals dit Mens werd in Christus.

 

De Summa theologiae van Thomas van Aquino als norm van de klassieke theologie

Dit standaardwerk is hét voorbeeld voor de klassieke theologie. In de eerste plaats gezien het sacrale karakter ervan met volstrekte ondergeschiktheid aan geloof en Kerk, voorts krachtens het tijdloze/onveranderlijke van de behandelde geloofswaarheden (waarbij het gaat om die zaken zélf) en tenslotte vanwege de systematische, in hiërarchische ordening gebrachte, behandeling van de stof.

In het eerste deel gaat het over God als zodanig, Die het Zijn zelf is, uit Zichzelf bestaat. De goddelijke eenheid wordt filosofisch toegelicht, wat ook geldt voor de andere eigenschappen van de godheid.. Daarna wordt de persoonlijke drievoudigheid van God langs wijsgerige weg beschouwd. Dan wordt overgegaan naar de beschouwing van de goddelijke werking naar buiten toe, het scheppen en in stand houden van de eindige dingen, geestelijke en materiële, welke besproken worden.

In het uit twee secties bestaande tweede deel van de Summa worden de algemene kenmerken van de mens tegen het licht gehouden, waarop de deugdenleer uiteen gezet wordt, waarbij eerst de bovennatuurlijke theologalia (geloof/hoop/liefde) langskomen en dan de cardinalia (voorzichtigheid/rechtvaardigheid/sterkte/matigheid), alsook de specifieke deugden per levensgebied. Mét Augustinus wordt het kwaad aangemerkt als een beroving van verschuldigd goed, waarop de ondeugden besproken worden.

In het derde deel gaat het over de goddelijke verlossing, met de christologie als zwaartepunt, in welk verband het wezen van de genoegdoening aan de Vader en het offerend verdienen van de eeuwige gelukzaligheid voor de mens aan de orde komen. Vervolgens gaat het over de vruchten van het kruisoffer en de toepassing daarvan op de gelovigen in de Kerk, door middel van de sacramenten, aan elk waarvan de nodige aandacht besteed wordt.

De gehele Summa theologiae is streng syllogistisch opgezet, met stelling, contrastelling en gevoltrekking. Het gaat erin dus alleen over tijdloze en onveranderlijke waarheden  Wordt er naar de oud- of nieuwtestamentische geschiedenis verwezen, dan gaat het om wát er gebeurd is, niet om het geschieden als voortgang in de tijd.

Tot de 19de eeuw bestond er alleen klassieke theologie en wel in dier voege, dat het altijd ging over de uitleg van de geloofszaken zelf, ook in de theologische richtingen die zich niet aansloten bij die van Thomas.

 

Ontwikkelingen naar de niet-klassieke theologie

Bepaalde neoplatoonse opvattingen (Dionysius, natuurfilosofie van Chartres, Avicenna) beïnvloedden de 13de-eeuwse franciscaanse theologie. De vaste grens tussen hemel/bovennatuur en aarde/natuur vervaagde wat, waarmee ook de goddelijke innerlijkheid meer overliep in de goddelijke buitenwaartse werking en het onderscheid tussen de Zoon in de Triniteit en de Zoon met de menselijke natuur, Christus, minder duidelijk werd. Deze tendensen belandden in de 16de-eeuwse jezuïetentheologie.

Sinds de 17de en vooral de 18de eeuw werd vaak de organische samenhang niet meer in acht genomen en verwerd theologie tot een verzameling losse ‘weetjes’, zonder nog een weg naar God te zijn. Daartegen reagerend, zochten sommigen in de vroege 19de eeuw de theologie te vernieuwen door zich minder op de kerkelijke leerstukken zelf te richten en meer intuïtief dan logisch redenerend tewerk te gaan. Onderhand lieten de ‘kritische  en de ‘idealistische’ filosofie zich gelden in de theologie. De invloed van Kant deed de reële wereld opgaan in een denkwereld, waarbij het goddelijke tot een hogere afdeling van het menselijke kon worden. Hegel bracht het historicisme in de moderne theologie, zodat de geschiedenis als de eigenlijke werkelijkheid opgevat werd, zich manifesterend in de cultuurvormen, waaronder ook de wisselende theologische stelsels. Hierbij voegde zich de levensfilosofie van Bergson, de handelingsfilosofie van Blondel en de existentiële fenomenologie van Heidegger. In de tweede helft van de 20ste eeuw was er in deze niet-klassieke theologische context geen onveranderlijke waarheid meer te handhaven en kwam het tot een permanente crisis van geloof en kerk.    .  .

Herstel van de klassieke theologie (?)

Dit zal van de kerkelijke autoriteit moeten komen, die – de fouten van het verleden vermijdend – de dogmatiek weer tot theologische kern moeten maken, ondersteund door de filosofie van het zijnde volgens Sint Thomas van Aquino, in aristotelisch-realistische zin.

Tijdens het vragenuurtje rijst de vraag of het al te rationele niet te weinig rekening houdt met het “mysterie”. Zo komt de term “de Godmens” niet bij Thomas voor. En hoe wordt de “Drieëenheid” begrepen en uitgelegd?