Home » 2014 » mei

Monthly Archives: mei 2014

CHESTERTON ALS GETUIGE VAN HET CHRISTELIJK GELOOF

RENÉ VAN TOL

RENÉ VAN TOL

René van Tol, beeldend kunstenaar, presenteert de Engelse schrijver Gilbert Keith Chesterton (1874-1936) als denker vanuit de paradox. En dat is katholiek bij uitstek. De katholiek probeert de uitersten of polen bij elkaar te houden en verdedigt het “geheel” tegen het opofferen van het geheel aan een “deel”. Dat laatste is wat protestanten doen, en in hun kielzog de wetenschappers en de kunstenaars van de Moderniteit. De ketterijen van sinds de Reformatie, werden de  “-ismen” in de kunst en de filosofie van sinds eind 19e, begin 20ste eeuw. Chesterton schreef romans, gedichten, essays en was ook  journalist. In debatten met de denkers van zijn tijd ontdekte hij dat hij zelf de “orthodoxie” aanhing, en dat was in zijn generatie al revolutionair, laat staan in het huidige postmoderne opinieklimaat waarin alles relatief en subjectief moet zijn, de waarheid niet bestaat, terwijl de verkokering van de wetenschap welig tiert.

Orthodox betekent o.a. vasthouden aan orde. Het gezonde verstand moet samengaan met de verwondering ten aanzien van het onbegrijpelijke om zo weerstand te bieden aan enerzijds de logica die alles wil verklaren en categoriseren (wetenschap) en anderzijds het vrije zweven van esoterie en new age. Twee grondketterijen zijn het materialisme en het spiritisme, die beiden tal van vertakkingen hebben in de loop der eeuwen. Het nut van de ketterijen en de -ismen is dat men zich daardoor bewust kan worden van het rechtzinnige, het normale, het gezonde. Een schilderij van Titiaan bijvoorbeeld, heeft het impressionisme en het expressionisme in zich, maar is trouw aan de natuur, aan het geheel. Het problematiseren van “de werkelijkheid” houdt twee extreme posities in: zich niets anders kunnen voorstellen dan wat de zintuigen waarnemen, of het zintuiglijk waarneembare als onwerkelijk afdoen. De werkelijkheid, zegt Chesterton, is wonderlijk genoeg en heeft het fantaseren over wat niet bestaat niet nodig.

Orthodox is het erkennen van de vrije wil van de mens. Het in de wetenschap gangbare determinisme daarentegen, beroept zich op de natuurwetten, op de eeuwige herhaling om ook de mens te binden aan wat hem, buiten hem om, bepaalt en reduceert tot een bundel instincten. Theoretisch kan een ongelovige de vrije wil ontkennen, maar hij zal niet graag toegeven dat hij niet vrij is om te loven of te laken, te vergeven of te straffen, mee te werken of tegen te werken et cetera.

Orthodox is de wil om te zijn, of er te zijn. “To be, or not to be” – luidt de beroemde uitspraak van Shakespeare. Chesterton benadrukt het “to be”. Het leven is goed. Men moet het beamen, er dankbaar voor zijn. Er is er geen reden tot vluchten, of tot pessimisme. Maar evenmin voor optimisme, want de wereld en de natuur laten zich behalve van hun goede of mooie kanten, eveneens van hun kwade en lelijke kanten zien. Men moet ze allebei aanvaarden, en als christen vertrouwen op de goede afloop. “All’s well that ends well”. Daarmee is hier het geloof in het eeuwige leven bedoeld.

Chesterton waardeert de oude, prechristelijke tijd vanwege de mythologie, die het voorstadium is van het christendom. De goden waren een product van de verbeelding, personificaties van natuurkrachten waarvoor men eerbied had. Zo kon de donder Donar of Thor heten. De moderne mens denkt de natuur te begrijpen, maar dat neemt zijn angst voor de dood niet weg. Chesterton ziet in de herhaling, in het eeuwig op- en ondergaan van de zon bijvoorbeeld, de levenskracht die God de natuur heeft ingeschapen, maar die het wonder niet uitsluit. Je kunt je trouwens ook over de herhaling verbazen, of als een kind van harte aandringen op telkens hetzelfde omdat het zo mooi of aanstekelijk is. Je kunt je verbazen over dingen die bestaan en die heel raar zijn, zoals bijvoorbeeld een neushoorn. Je kunt je verwonderen over de strepen van een tijger, in plaats van de dierlijke eigenschappen naast die van de mens te zetten en te concluderen dat de mens het zoveelste dier is.

De Kerk heeft de rede in de religie gebracht, en daarmee het debat aangezwengeld tussen de God die wij met ons natuurlijk verstand kunnen vinden en de God die wij door de openbaring kennen. De Moderniteit, die op dit punt al speelt in de tijd van de aanpassing van het aristotelisme aan het christendom door Thomas van Aquino, heeft een scheiding aangebracht tussen wat wetenschappelijk onderzoek bewijst en wat het geloof aanneemt. Ooit waren dit twee wegen naar dezelfde waarheid. Het werden twee wegen naar twee verschillende waarheden.

De christelijke wereld begint bij Job, die God vragen stelt over het waarom van het lijden en hoe het universum in elkaar steekt. God stelt Job op zijn beurt vragen: wie ben jij?, en wat begrijp jij? Het is de laatste keer dat God spreekt met de mens totdat Christus komt, die God is. En de Godmens is de grootste paradox.  Door de Menswording verbindt de Allerhoogste zich met het allerlaagste. “Het christendom is de enige godsdienst ter wereld die gevoeld heeft dat almacht God onvolledig maakte. Het is de enige van alle geloofsbelijdenissen die de moed heeft toegevoegd aan de deugden van de Schepper. Want de enige moed die waard is moed genoemd te worden, moet noodzakelijk betekenen dat de ziel een halsbrekend punt passeert – en niet breekt. Het schrikaanjagend Lijden wil duidelijk maken dat de maker van alle dingen niet alleen doodsangst doormaakte, maar ook twijfel. Er staat geschreven: ‘Gij zult de Heer uw God niet beproeven.’ Nee. Maar de Heer uw God beproeft misschien Zichzelf. In een hof beproefde Satan de mens; en in een hof beproefde God God. De kreet op het kruis bekende dat God verlaten was van God. Laat de godloochenaars zelf maar een god uitzoeken: zij zullen slechts één godheid vinden die ooit aan hun verlatenheid uitdrukking gaf; slechts één godsdienst waarin God een ogenblik lang een godloochenaar scheen te zijn.”

de voorzitter