Home » 2015

Yearly Archives: 2015

BONIFATIUS EN HET MARTELAARSCHAP

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

SINT NICOLAAS ACADEMIE, 19 december 2015

Michiel Hemminga en Robert Lemm

Dat er aan martelaarschap een politiek aspect kleeft, is niets vreemds. Het voorbeeld dat Michiel Hemminga – filosoof en bestuurslid van de Nicolaas Academie – aandraagt is dat van de bij Dokkum in 754 vermoorde Bonifatius. Deze in Engeland geboren missionaris werkte voor de Frankische monarchie en probeerde van daaruit de Friezen tot het christendom te bekeren. Het toenmalige Friesland, Magna Frisia, bestreek het westen van Nederland vanaf Gent tot aan Denemarken met uitlopers in het Duits-Saksische achterland. De Franken waren doorgedrongen tot aan de grote rivieren, tot aan de grenzen van het voormalige Romeinse Rijk. Zij hadden het christendom aangenomen en wilden nu met de Waarheid in de hand hun gebied over het nog heidense noorden uitbreiden. Daar voelden de Friese koningen niets voor. Ze wilden onder geen beding hun onafhankelijkheid verliezen, hun lucratieve handelscontacten met Skandinavië en de Baltische staten.
Al voorheen hadden drie voor de Franken werkende Engelse missionarissen – Wilfred, Wigbert en Willibrord – tevergeefs geprobeerd de Friese koningen van de Waarheid te overtuigen. Toen Bonifatius zich aandiende, stuitte hij op verzet van vooral de plaatselijke adel.
Ondertussen was Willibrord in Rome tot aartsbisschop van de Friezen benoemd met standplaats Utrecht. Bonifatius – doopnaam Winfried – had van Rome de opdracht gekregen om het gebied ten oosten van de Rijn te kerstenen. Tussen 739 en 753 poogde hij zijn actie uit te breiden onder de Friezen na de dood van hun koning Radboud. Maar de Franken – die hij meer wilde doen sporen met de kerk van Rome – waren dit keer minder bereid hem te steunen, en zo verlegde hij zijn werkterrein naar Hessen en Thüringen.

Het grote idee achter de handelwijze van Rome was de vestiging van een groot eensgezind christelijk rijk onder de ene ware God, dat met Karel de Grote vorm zou krijgen. Bonifatius was van dat idee een voorloper. Hoe noordelijker je kwam echter, hoe meer de volkeren nog hun eigen goden hadden die zij als heilig beschouwden, en heiligschennis werd zwaarder bestraft dan moord of doodslag. Het lag niet in de aard van Bonifatius om diplomatiek of subtiel op te treden. Hij kwam namens de beschaving, en hier stond hij tegenover de barbarij. De heilige eik van de heidenen spleet hij agressief en arrogant in tweeën. Dat was de directe aanleiding om hem en zijn gezellen met bijl of zwaard te doorklieven. De diepere oorzaak was dat de Friezen hem hielden voor een agent van de Franken. Zijn stoffelijk overschot werd overgebracht naar het klooster van Fulda dat hij in 744 had gesticht. De aartsbisschop van Canterbury stelde vast dat hij de marteldood was gestorven, en zo werd hij heilig verklaard.

***

“Martelaar” betekent getuigen van Jezus Christus en om die reden vervolging lijden. De eerste getuige was Stefanus, die door de schriftgeleerden werd gestenigd. Je hebt ook stille of onzichtbare martelaren, benadrukt kerkvader Isidorus van Sevilla (zevende eeuw), die daarbij verwijst naar sommige woestijnvaders die de centra van het Romeinse Rijk waren ontvlucht om niet gedwongen te worden tot afgoderij. De vele christenen die weigerden aan de goden te offeren, maakten zich schuldig aan ongehoorzaamheid jegens de keizer en mochten de wilde dieren of andere kwellingen verwachten. Zij volgden met overtuiging het voorbeeld van de apostelen martelaren met het oog op de hemelse heerlijkheid.
Niet alle christenen waren zo dapper. Toen na de officiële invoering van het christendom geen christen meer voor de leeuwen werd gegooid, brak de beweging van de donatisten baan, vernoemd naar de Noord Afrikaanse bisschop Donatus Magnus. Gedoopten die destijds compromissen had gesloten om aan een gewelddadige dood te ontkomen, werden als verraders beschouwd en moesten uit de Kerk worden gebannen. Wat won, was evenwel het gematigde standpunt, ofwel de vergeving. Maar de martelaren maken de Kerk, niet omgekeerd. En als de Kerk martelaren heeft gemaakt, dan is het in treurige zin, zoals in de gevallen van bijvoorbeeld Jeanne d’Arc, Johannes van het Kruis en Pater Pio.

Politiek speelt vaak ook een rol bij het martelaarschap in de Middeleeuwen. Aartsbisschop Thomas a Becket werd in de kathedraal van Canterbury vermoord omdat hij het gezag van de Kerk hoger achtte dan dat van de Engelse koning. Hetzelfde gold later voor kanselier Thomas More versus een andere Engelse koning. Het was ook mogelijk om als martelaar te sterven tegen ketters als de arianen (Hermenegildus), de katharen (Pietro da Verona), de protestanten (Edmund Campion), de oosterse orthodoxen (Josaphat) en natuurlijk in verre missiegebieden tijdens bv. de antichristelijke politiek in Japan (franciscanen en jezuïeten gekruisigd in Nagasaki, 1596), of tijdens de Boxer Opstand in China (1900). In al die gevallen heeft het martelaarschap kenmerken die lijken op dat van Bonifatius, of op dat van de Nederlandse Martelaren van Gorcum (1571).

De Katholieke Kerk canoniseerde voornamelijk diegenen die voor haar belangen hun leven gaven. En ze schroomde er zelfs niet voor terug om de joodse Maccabeeën en Johannes de Doper bij haar Martyrologium in te lijven.

Ten slotte zijn er ook nog de “heilige slachtoffers”. Dat zijn diegenen die niet zozeer bewust getuigden van het Geloof en de Kerk, maar veeleer behoorden tot een “verkeerde groep”. Hun archetype zijn de Onnozele Kinderen (28 december). Maar ook iemand als Edith Stein, de non die alleen omdat ze joods was naar het concentratiekamp werd gevoerd. Voorts kunnen we denken aan de velen die zijn vervolgd en vermoord tijdens de Franse Revolutie, de Mexicaanse Revolutie, de Spaanse Burgeroorlog, het nazisme en het communisme. Men spreekt voor wat de twintigste eeuw betreft wel van “de eeuw van de martelaren”. Ook mogen we niet voorbijgaan aan de katholieke gelovigen die in onze tijd van vrijheid van meningsuiting genegeerd, gediscrimineerd en bespottelijk gemaakt worden. Misschien is dat wel de meest geraffineerde vorm van vervolging.

de voorzitter

KERK IN NOOD

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

21 november

De martelaren van het Midden Oosten” is het onderwerp dat Joris van Voorst tot Voorst en Dennis Peters aan de orde stellen met behulp van teksten, foto’s en filmbeelden waarin personen uit Syrië, Israël, Irak en Libanon aan het woord komen. “Kerk in Nood” – gelieerd aan de Oostpriesterhulp van de in 2003 overleden pater Werenfried van Straaten – is in 1947 opgericht en heeft inmiddels vertegenwoordigers en kantoren in 145 landen. Deze wereldwijde organisatie biedt overal pastorale hulp, waarbij men kan denken aan priesteropleidingen, transport over grote afstanden tussen parochies en allerlei projecten die door locale bisschoppen worden aangedragen. Momenteel valt de nadruk op de enorme stromen van vluchtelingen als gevolg van de oorlog in en om Syrië.

De pater jezuïet Frans van der Lugt werkte bijna veertig jaar in Syrië, waar hij centra voor gehandicapten oprichtte en tochten door het hele land maakte met groepen van zowel christenen als moslims. Op 7 april 2014 werd hij vermoord in de stad Homs, en twee dagen later herdacht paus Franciscus hem tijdens het angelusgebed als martelaar. De pater had uit de stad kunnen vertrekken maar hij wilde de mensen die van hem afhingen niet in de steek laten. En zo raakte hij klem in het oorlogsgeweld, waarbij de sprekers in het midden laten of de regeringstroepen van president Assad dan wel de rebellen voor zijn dood verantwoordelijk waren. Feit is dat onder Assad nog 5 % procent van de bevolking christen was, terwijl sinds 2011 een miljoen christenen het land zijn ontvlucht. Ontvoering van religieuzen is aan de orde van de dag, en zo verdwenen er o.a. twee bisschoppen in het noorden van het land.

In Israël is slechts 2 % van de bevolking christen, en het overgrote merendeel daarvan is Palestijn. En dat betekent discriminatie, want Israël wil nadrukkelijk een joodse staat zijn. De bijzondere getuige in de gecompliceerde situatie alhier is pater David Neuhaus. Deze joodse Zuid Afrikaan ging als kind naar een kostschool in Israël. Hij kwam in contact met een bejaarde Russisch-orthodoxe non door wie hij Jezus Christus leerde kennen. Wat hem aantrok was vooral de Eucharistie. Hij liet zich dopen en werd een priester die zich speciaal richt op de Hebreeuws sprekende christenen, bekeerlingen vanuit het jodendom. Pater Neuhaus wil een brug zijn tussen Israeliërs en Palestijnen, een moeilijke positie tegen de achtergrond van de joodse meerderheid.

In Irak wonen de christenen al sinds de eerste eeuw. Later kwamen de moslims, die van de christenen hulp kregen. Nu zij in de minderheid zijn, worden ze vervolgd. Getuige in dit land is pater Douglas Bazi uit Baghdad. Hij overleefde een aantal aanslagen, werd negen dagen lang in gijzeling gehouden waarvan vier dagen zonder eten en drinken. Vrijgekocht worden wilde hij niet. Liever was hij martelaar. Terwijl hij vastgeketend zat bad hij het rozenhoedje met behulp van de schakels van zijn ketting, waarbij hij zich volledig toevertrouwde aan de Maagd Maria. Na zijn vrijlating moest hij worden geopereerd ten gevolge van zijn verwondingen. Thans bevindt hij zich in Erbil, in het noord-oosten van het land, waar hij zich verantwoordelijk voelt voor de opvang van de vluchtelingen. Vóór de inval van de westerse mogendheden in Irak – waarvan paus Johannes Paulus II een fervent tegenstander was – woonden er nog 1, 3 miljoen christenen. Na het vertrek van de Amerikanen in 2011 zijn er nog maar 200.000 over, waarvan 130.000 vluchtelingen. Tegengesteld aan Syrië, willen de gevluchte Iraakse christenen niet meer naar hun land terug.

Ook het kleine Libanon is onveilig. Naast de 4.3 miljoen inwoners zijn er 2 miljoen vluchtelingen bij gekomen, nagenoeg allemaal moslims. De christenen zijn in dit land nu in de minderheid. Door de enorme instroom is de druk op de voorzieningen toegenomen. Er zijn lange wachtlijsten voor ziekenhuizen. Zuster Micheline Lattoef werkt in de Bekaa vallei onder vluchtelingen waartussen zich ook jihadisten bevinden, en dat maakt haar werk zeer riskant. Is zij een martelares? Mogelijk. Vrede, zegt zij, vereist opoffering, in elk geval geen wraak, geen bombardementen.

Is er hoop? We moeten het Pasen voor ogen houden, de overgang van de dood naar het leven – aldus Joris van Voorst tot Voorst. We moeten een brug willen zijn, vergevingsgezind zijn, openstaan voor de anderen. Nodig zijn financiële hulp, schooltjes bouwen, medische zorg en huisvesting regelen, en naast bidden vergeving en verzoening wensen, alsook dialoog en juiste informatie.

Het bloed van de martelaren is het zaad van de Kerk.
de voorzitter

BLOEDGETUIGEN VAN CHRISTUS

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

17 oktober 2015

In het werk van de Hongaarse schilder GYULA SOMOS wemelt het van verwijzingen naar het christendom. In zijn voordracht over de bloedgetuigen zoals weergegeven in de lange loop van de Geschiedenis passeert een reeks beelden waarachter verhalen schuilgaan waarvan de historische werkelijkheid vaak niet vaststaat. Ze hebben vooral een symbolische betekenis.

Christus is de eerste martelaar. Het kruis is het altaar van zijn offer. In navolging van Christus zien we in het boek Openbaring van Johannes, bij de opening van het vijfde zegel, onder het altaar de bloedgetuigen wachten op de wederkomst van de Heer. Stefanus is de eerste christelijke getuige, en zijn attributen zijn de stenen waarmee hij doodgegooid werd. Jacobus de Meerdere werd onthoofd door koning Herodes; Jacobus de Mindere werd vermoedelijk van het tempeldak neergeworpen en doodgeknuppeld. Ze zijn in een vroege tijd samen afgebeeld. Ook de apostelen Petrus en Paulus zijn vaak samen voorgesteld met hun attributen: het omgekeerde kruis en het zwaard. De apostel Andreas heeft als kenmerk het X-vormige kruis, en de apostel Bartolomeüs herkennen we aan het mes waarmee ze hem vilden.

In de basiliek van Sint Apollinaris te Ravenna zijn mozaïeken uit de zesde eeuw te bewonderen waarop vrouwelijke en mannelijke martelaren staan die in hun handen kransen dragen. Later kwamen er in plaats van kransen, palmtakken of kronen ten teken van het bloedgetuigenis. Ignatius van Antiochië eindigde voor de leeuwen tijdens het bewind van keizer Trajanus. Zijn leeuwen werden geassocieerd met de leeuwen die de oudtestamentische profeet Daniël in de kuil moest trotseren. Maar de Romeinse keizer Trajanus was minder genereus dan de Perzische potentaat Darius. Polycarpus van Smyrna wachtten de vlammen, die in verband werden gebracht met de vurige oven waarin Daniël en twee andere jongelingen rondwandelden op last van Nabucodonosor. De filosofische en als zachtmoedig bekend staande keizer Marcus Aurelius schroomde er niet voor honderden christenen de dood in te jagen. Over het algemeen zijn de martelaren ten tijde van de keizers Decius en Diocletianus niet te tellen. De bereidheid om te sterven was blijkbaar groot, want het leven op aarde stelde weinig voor in vergelijking met de eeuwige heerlijkheid. De Kerk was niet onverdeeld blij met die doodsverachting. Anderzijds had de Kerk ook moeite met wie hun geloof afzweerden om in leven te blijven en die dan in betere tijden weer in de Kerk wilden worden opgenomen.

Wie was een martelaar? En wie, een slachtoffer? En waar lag het midden tussen die twee condities? De Onnozele Kinderen die onder Herodes vielen, behoren duidelijk tot de tweede categorie. Stefanus daarentegen, is duidelijk zelf verantwoordelijk. De twee uitersten en het midden vormen een permanent gegeven door de eeuwen heen. Hoe dan ook, de martelaren maakten de Kerk, niet omgekeerd de Kerk de martelaren. We hebben het dan over de vroegste tijden.

Sommige martelaren spraken bijzonder tot de verbeelding van schilders. De met pijlen doorboorde soldaat Sebastianus bijvoorbeeld, die soms model staat voor de schoonheid van het mannelijk naakt. Agatha van Sicilië laat op een schotel haar afgehouwen borsten zien. Het meisje Agnes, die een adellijke huwelijkspretendent negeerde omdat ze met Christus getrouwd was en die daarom in een bordeel werd gestopt, draagt het lam ten teken van haar onschuld; de martelares Cecilia, die een huwelijksaanzoek afwees, geeft met een harp of orgel te kennen dat ze de beschermheilige van de muziek is; Catharina van Alexandrië, die de heidense filosofen schaakmat zette, is te herkennen aan een rad waarop ze zou worden geradbraakt voordat de engelen haar wegdroegen. In Armenië legden ze veertig soldaten naakt op het ijs om ze te laten doodvriezen, tenzij ze hun geloof zouden afzweren.

Thomas Becket, maar dan zitten we al in de Middeleeuwen, werd in de kathedraal vermoord omdat hij de pauselijke politiek belangrijker vond dan die van de Engelse koning. Petrus van Verona, leerling van Dominicus, werd in Noord Italië neergestoken door de katharen. Eind zestiende en begin zeventiende eeuw vonden er tientallen kruisigingen plaats van franciscanen en jezuïeten in het Japanse Nagasaki waarvan afbeeldingen bestaan. Op weg naar Brazilië stuitte een schip met jezuïeten op protestantse piraten door wie ze in zee werden geworpen.

In de twintigste eeuw zijn er in Polen afbeeldingen gemaakt van wie zich aanboden in ruil voor gevangenen tijdens de Tweede Wereldoorlog, zoals een groep nonnen en de meer bekende Maximiliaan Maria Kolbe.

Gyula Somos besluit zijn presentatie met ongehoorde beelden van martelaren voor andere gezindten dan de katholieke Kerk. Zo zien we een “heilige Hitler” en een “heilige Lenin”. De eerste zagen de protestanten die in Rusland onderdrukt werden als een bevrijder, en de tweede werd geclaimd door oud-gelovigen die tijdens het tsaristisch bewind door de Russisch-orthodoxe kerk voor ketters doorgingen. Zo kunnen we ook zeggen dat voor veel socialisten Che Guevara een heilige is. Het martelaarschap is dus een universeel verschijnsel.

In onze dagen zijn het vooral extremistische moslims die via aanslagen op zoveel mogelijk mensen het paradijs denken te beërven, alsmede hun christelijke slachtoffers die weigeren hun geloof af te zweren en daarom al als martelaren verering vinden.

de voorzitter

DE MARTELAREN VAN GORCUM

ben hartmann 4

19 september 2015

BEN HARTMANN is de auteur van het gelijknamige, schitterend geïllustreerde boek uit 2009 (Uitgeverij Colomba). Sinds 2012 werkt hij als secretaris-generaal van het bisdom Breda, maar eerder doceerde hij op de Tiltenberg in het bisdom Haarlem-Amsterdam. Filosofie, theologie, geschiedenis en liturgie vormen de gebieden van zijn aandacht.

De 19 martelaren van Gorcum uit 1572 werden in 1675 zalig, en in 1867 heilig verklaard. Maar ze werden al daags na hun ophanging in het geheim vereerd door katholieke burgers uit de omgeving waar zich de gruwelen rond hun terechtstelling hebben afgespeeld. Het was in de tijd van de Tachtigjarige Oorlog. Een deel van de adel en de burgerij uit de Lage Landen was in opstand gekomen tegen koning Filips II van Spanje. De koning, afgebeeld met rozenkrans en een teken van de Orde van het Gulden Vlies (die teruggaat op de hertogen van Bourgondië), wilde zijn gebied behoeden voor de protestantse ketterij en de Middellandse Zee vrijwaren voor het Turkse gevaar. De calvinisten beschouwden de Roomse gebruiken, zoals bv. de verering van heiligen en beelden, als afgoderij en waren liever “Turks dan paaps”. De Geuzen stroopten de zee voor de Nederlandse kust af op zoek naar ingangen waar ze de Spanjaarden konden verdrijven. De “Beeldenstorm” was voor de Spaanse koning aanleiding om de hertog van Alva naar het noorden te sturen, en dat betekende een verharding in de aanpak van de opstandelingen en hun leider Willem van Oranje. Oranje zelf vluchtte, maar de graven van Egmont en Hoorn werden wegens hun aandeel in de opstand in Brussel onthoofd.

Een paar jaar later drongen de Geuzen door in het rivierengebied rond Dordrecht. Het stadje Den Briel moest zich overgeven in het voorjaar van 1572, en van daaruit wisten de Geuzen onder leiding van Willem van der Marck, heer van Lummen (Lumey), hun gebied verder uit te breiden. In Gorcum werden de pastoor van de grote kerk, Leonard Veghel, en Nicolaas Pieck, gardiaan van de franciscanen, opgepakt, samen met een aantal andere geestelijken. Later zouden zich in Den Briel nog anderen bij hen voegen, tot 19 in totaal. Van Veghel en Pieck hadden in Leuven gestudeerd en waren de vernieuwingen toegedaan van het Concilie van Trente (1543-1563), waar de clerus o.a. werd geschoold in het weerleggen van de dwalingen die door de Reformatie in omloop waren gebracht. Vooral de aanvallen op de Eucharistie dienden met verstandige argumenten te worden bestreden. De rol die de discussie daaromtrent speelde, werd door de Geuzen en hun handlangers, waaronder afvallige priesters, op spottende wijze gebruikt tegen de arrestanten tijdens hun opsluiting die gepaard ging met uithongering, vernederingen en andere martelingen. Op alle mogelijke manieren probeerden ze de katholieke geestelijken aan te zetten tot afzwering van de kerk van Rome. Vooral de paus moest het bij de folteraars en afvallige priesters ontgelden. Kwam de paus zijn getrouwen soms helpen?, kregen de gevangenen honend te horen. Een paar van die getrouwen bezweken onder de druk, maar 19 hielden er stand. Ze werden uit hun opsluiting gehaald, in een boot gezet en belachelijk gemaakt voor het volk van Dordrecht en Den Briel. Af en toe kregen ze een galg te zien om ze te intimideren. Pieck werd half bewusteloos geslagen, en Klaas Poppel dwongen ze met een pistool in zijn mond in het openbaar een preek af te steken waarbij ze hem dwongen – tevergeefs – om de Ware Aanwezigheid in de H. Hostie te loochenen.

Ondertussen was Willem van Oranje weer in het land bezig met de strijd tegen de Spanjaarden. Hij wist dat de meesten van zijn toekomstige onderdanen in hun hart nog de oude godsdienst aanhingen, dus hij had geen belang bij het vervolgen van priesters. Anderzijds had hij de Geuzen nodig voor zijn zaak, dus zo bleef hij aarzelend toezien op het onvermijdelijke. Lumey liet zich bovendien niet door Oranje de les lezen. Die was immers gevlucht, en dat maakte dat zwakke pogingen van Oranje om de dreigende terechtstelling te verhinderen geen instemming vonden. Op 9 juli 1572 werden de 19 opgehangen in een turfschuur bij Den Briel. Hun lijken werden door vrome burgers in de schuur begraven, en later werden hun relieken – zoals die van meer heiligen tijdens de Reformatie – overgebracht naar de Zuidelijke Nederlanden. Ze rusten in de Sint-Niklaaskerk in Brussel.

In 1853 vond in Nederland na driehonderd jaar het herstel plaats van de bisschoppelijke hiërachie. Maar op de heiligverklaring van 1867 hadden de bisschoppen niet zitten te wachten. De emancipatie van katholieken was nog ver weg. De protestanten maakten nog altijd de dienst uit, en de Martelaren van Gorcum vormden allesbehalve een heroïsche herinnering aan de Tachtigjarige Oorlog. In hun ogen hadden de geestelijken die in 1572 waren opgehangen aan de verkeerde kant gestaan. Wie belang had bij hun canonisatie, was vooral paus Pius IX. De paus was rond 1867 in een verwoede strijd verwikkeld om het behoud van de Kerkelijke Staat, en de Gorcumse heiligen waren een stimulans voor de Hollandse zouaven die Rome te hulp schoten tegen de liberalen van Garibaldi.
Eerst een halve eeuw later, in de tijd van het Rijke Roomse leven, begon onder Nederlandse katholieken de belangstelling voor de gebeurtenissen van 1572 te groeien. Ten slotte zou er op 9 juli een jaarlijkse bedevaart plaatsvinden naar Den Briel.
de voorzitter

NAJAAR 2015 : MARTELAREN

zaterdag 19 september : De Martelaren van Gorcum, 19 heiligen uit de Nederlanden
Drs. Ben Hartmann is secretaris-generaal van het bisdom Breda en werkt aan een proefschrift over het onderwerp van zijn lezing.

zaterdag 17 oktober : Bloedgetuigen van Christus door de eeuwen heen
Hoe het bloed van de martelaren het zaad van het Geloof werd toont kunstschilder Gyula Somos aan de hand van afbeeldingen uit verschillende tijdperken.

zaterdag 21 november : Martelaren in het Midden Oosten NU
Dennis Peters, journalist en sociaal wetenschapper, en de heer Van Voorst tot Voorst van Kerk in Nood belichten de kritieke toestand waarin de christenen in Syrië en Irak zich bevinden.

zaterdag 19 december : Bonifatius bij Dokkum vermoord, de politieke kant van zijn martelaarschap
en een beschouwing over het martelaarschap in het algemeen
door Michiel Hemminga en Robert Lemm van het bestuur van de Sint Nicolaas Academie

FREDERIK VAN EEDEN WORDT KATHOLIEK

Robert Lemm F. van Eeden

16 mei 2015

De “ontwikkelde katholiek” is een uitzondering in de geschiedenis van de katholieke Kerk. Die uitspraak is van dr. N.G.M. van Doornik in zijn boek “Pelgrims naar de Una Sancta” uit 1948, waarin een kleine honderd bekeerlingen aan het woord komen uit de eerste veertig jaar van de twintigste eeuw. Dat was de tijd van wat het rijke roomse leven is genoemd. Vrije geesten, constateert Van Doornik, vinden dat de Rooms-katholieke Kerk de ontplooiing van het vrije denken met de zuivere logica belemmert. Men is bang zijn intellectuele onafhankelijkheid te verliezen.

De overgang naar de RK van Frederik van Eeden komt niet voor in de “Pelgrims naar de Una Sancta”, maar zijn weg erheen voltrok in dezelfde periode. De innerlijke strijd tussen de vrije denker en de Godzoeker loopt als een rode draad door zijn werk, dat de periode tussen 1878 en 1927 bestrijkt. Van Eeden beoefende verschillende genres, zoals poëzie, toneel, roman, polemiek. Zijn “Dromenboek” en zijn “Dagboek”, die over vele jaren zijn uitgespreid, laten kanten van hem zien die licht werpen niet alleen op zijn overgang naar de kerk, maar ook door zijn verschil van inzicht met de katholieke schrijver Lodewijk van Deyssel komt een onderwerp aan de orde dat onafgebroken actueel is. Wat is literatuur? Voor de generatie van de Tachtigers, waartoe Van Eeden min of meer behoorde, ging het om de kunst op zich, “l’art pour l’art”, literatuur als religie. Van Eeden ging het in de eerste plaats om de Waarheid, met schoonheid als steunpilaar. Hij wilde vooral een goed mens zijn. Voor de Tachtigers en hun buitenlandse modellen daarentegen, kon schoonheid even goed lelijkheid of slechtheid zijn, als het maar kunst was. Twintig jaar later beklaagde Johan Huizinga de teloorgang van de ethiek in de kunsten en de wetenschappen in zijn profetische “In de schaduwen van morgen”.

Tot de bekendste boeken van Van Eeden behoren “De kleine Johannes” (1884) en “Van de koele meren des doods”(1900). Het eerste betreft het bewustwordingsproces van een opgroeiend kind in de vorm van een allegorie, anders gezegd hoe het geluk in de tuin van het ouderlijk huis uitloopt in de ontdekking dat ziekte en dood de werkelijkheid van het leven uitmaken. Daarna komt het godsdienstig ontwaken, maar los van de kerk. Het tweede boek gaat over de verwording van een vrouw uit een hoogburgerlijk milieu die er vandoor gaat men een minnaar die haar in de steek laten en die vervolgens via slechte vrienden aan de drugs verslaafd raakt, een abortus ondergaat en vereenzaamd in een ziekenhuis zelfmoord overweegt. Door de katholieke zuster die haar verpleegt leert ze inzien dat haar ellende het gevolg van haar eigen schuld. Ze steekt de hand in eigen boezem en volgt de weg van boetedoening door als dienstmeid te gaan werken in een boerengezin. En zo bereikt ze op den duur haar verlossing. Het thema van schuld en boete is sinds de Tachtigers zeer uitzonderlijk in de Nederlandse literatuur.

Een keerpunt van beslissende aard in het leven van de auteur is de vroegtijdige dood van zijn zoon Paul, waarover hij in 1915 “Pauls ontwaken” schrijft. Leeft hij voort? Dat is de vraag die de vader bezighoudt. De formules van de gesystematiseerde godsdienst helpen de twijfel niet verdrijven. Wat baat het geloof van anderen? Het geloof in het voortbestaan van de ziel is iets dat ieder zelf moet veroveren, maar kan dat op eigen kracht? Hoezeer de genade nodig is zal duidelijk worden in de jaren die volgen. Voorlopig duurt zijn kritische houding ten aanzien van de kerk en haar bedienaren voort. In hetzelfde jaar van “Pauls ontwaken” schrijft hij in een essay getiteld “Mislukte propaganda” naar aanleiding van het pacifisme tijdens de Eerste Wereldoorlog: ‘Het aantal christenen dat echt christelijk is en bereid is de marteldood te sterven is zeer klein’, en daarom geeft hij de voorkeur aan de ‘weerbaarheidspropagandisten’ boven de ‘vredesapostelen’.

De ingrijpende kwestie waarmee Frederik van Eeden in zijn toenadering tot de Kerk worstelt, is zijn ik-gevoel. Herhaaldelijk in zijn Dagboek komt dit ter sprake. De filosofie dat de wereld of de werkelijkheid afhankelijk is van de waarnemer, vooral van de superieure kunstenaar is diepgeworteld in het denken van de auteur. Meer nog lijdt hij onder de wroeging dat hij is gescheiden van zijn eerste vrouw, en hertrouwd is met de tweede vrouw – die grote invloed uitoefende op zijn overgang naar het katholicisme. Beide zaken, hoewel zeer verschillend van aard, laten hem tot aan zijn dood niet meer los.

In 1922 vindt de doop van Frederik van Eeden plaats in de Sint Paulus Abdij te Oosterhout. Groot is zijn vreugde over de biecht en de eerste communie. Een jaar later spreekt hij in het Concertgebouw te Amsterdam voor duizenden zijn rede “Mijn overgang tot de Kerk” uit. Daarna volgt een vurige apologie voor de katholieke godsdienst tegen de geijkte vooroordelen betreffende de heiligenverering, de Moeder Gods, dat slechte priesters de Kerk zouden diskwalificeren. Maar het ik-gevoel en de wroeging over zijn afgebroken eerste huwelijk blijven hem parten spelen.

In 1930 eren zijn vrienden hem ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag met een vriendenboek, een “Liber amicorum”, waarin bijdragen van meer dan honderd personen uit binnen- en buitenland. De meest indrukwekkende bijdrage is van de Nijmeegse professor Gerard Brom, ook wel de katholieke Huizinga genoemd, auteur van o.a. “Vondels bekering”. Hij prijst Van Eeden omdat hij ‘de geest heeft hoog gehouden in woeste dagen, toen alles stof heette, alles vlees. Hij heeft het geweten gehandhaafd, terwijl de wet van uitleven voor enige wet van schoonheid gold. De kunstenaars en de vrijdenkers gunden hem zijn profetenmantel niet, en vonden zijn doophemd bespottelijk.’

Ook na zijn dood heeft de Nederlandse letterenrepubliek moeite gehad met Van Eeden. Daarvan getuigt o.a. de biografie van Jan Fontijn uit 1996, die hem tot gespleten mens degradeert. Voor de generaties van na de Tweede Wereldoorlog waren het persoonlijk geweten en het voortleven van de ziel geen thema’s van betekenis. Zich manifesteren als katholiek apologeet was al helemaal geen aanbeveling – tenzij men humoristisch of ludiek met kerk en godsdienst omging, zoals Godfried Bomans of Gerard Reve. Maar Frederik van Eeden was doodernstig. Wat de literatoren hem misgunden was dat hij ook wetenschapper, filosoof, medicus en psycholoog was. Dat strookte niet met de Nederlandse hokjesgeest. Zo zag men zijn later verfilmde “Van de koele meren des doods” als niet meer dan de uitwerking van een psychiatrisch geval, iets waartegen de psychiater H. C. Rümke – ook dichter – in het geweer kwam met zijn in 1964 verschenen studie over dit meesterwerk van Frederik van Eeden.

Robert Lemm

PAUS FRANCISCUS, QUO VADIS ?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

18 april 2015

ANTON DE WIT is schrijver, journalist en columnist voor het Katholiek Nieuwsblad. Paus Franciscus is nog maar een paar jaar in functie en heeft al veel stof doen opwaaien met zijn uitspraken en met zijn houding. De conservatieven fronsen hun wenkbrauwen, maar de complimenten van de kant van heidenen zijn niet van de lucht. Zouden die twee tegenovergestelde reacties soms een juist beeld van hem geven. Lapt hij de traditie aan zijn laars en is hij juist daarom bij buitenstaanders populair?

Niet volgens Anton de Wit. Degenen die met hem weglopen zoeken alleen maar bevestiging van hun eigen verlangen, terwijl wie hem bekritiseren omdat hij het met de kerkelijke leer niet zo nauw zou nemen, zijn ware intenties miskennen. Wie in het algemeen de kerk van het concilie verwijten met haar tijd te zijn meegegaan, zien niet dat het de bedoeling van het concilie was om de tijd bij de Kerk te halen, niet de Kerk aan de tijd aan te passen.

Anton de Wit, in 1979 geboren en opgegroeid in het katholieke Bergen op Zoom, is uit de Kerk weg geweest en pas na het aantreden van paus Benedictus XVI er weer in teruggekeerd. Hij hervond het geloof en verdiepte het door lezing van de geschriften van de Duitse paus. Diens opvolger is geen geleerde theoloog. De kwaliteiten van paus Franciscus liggen elders. We moeten uitkijken, aldus De Wit, voor “framing”, ofwel het vereenvoudigen van een complexe werkelijkheid voor een gewoon publiek. Dat is precies hoe we via de media een vertekend beeld krijgen. Zo kregen we van paus Benedictus de indruk dat hij streng, dogmatisch en conservatief was. Ten onrechte.

Paus Franciscus laat zich moeilijk etiketteren. Men voelt zich wat onwennig bij hem als Zuid Amerikaan, als jezuïet en als drager van de naam van de Poverello uit Assisi. Is hij progressief, of conservatief? Geen van beiden. Wat dan wel? Vooral uitdagend. Hoewel Franciscus en Benedictus heel verschillende karakters hebben, hebben ze meer gemeen dan op het eerste gezicht lijkt. Ze leggen elk op iets anders de nadruk, maar ze dienen dezelfde zaak.

It’s all in the name, nomen est omen. “Franciscus” is een programma, de Kerk willen vernieuwen. De man uit Assisi voelde daarin zijn roeping. Hij had kunnen weglopen, men vond hem een luis in de pels, maar hij diende zich aan bij de paus in Rome en kreeg toestemming voor zijn regel. Zijn kloosterorde was beslist revolutionair versus de gevestigde orde der benedictijnen. Zo ook paus Franciscus. Zijn naam slaat niet alleen op Assisi, maar ook op de jezuïet uit Baskenland, Franciscus Xaverius, de naaste medewerker van Ignatius van Loyola. De reiziger-missionaris, de man die heidenen in het Verre Oosten wilde laten kennismaken met Jezus Christus. Assisi en Xaverius waren geen sedentaire bestuurders, maar activisten die de wereld in trokken. Dat geldt ook voor de derde naamdrager, Francisus van Sales, die in het protestantse bolwerk Genève de deuren langs liep om de mensen terug te praten naar de Moederkerk. Sales, patroon van de schrijvers, is evenmin een theoloog, maar wel een groot brievenschrijver en auteur van “Inleiding tot het Devote Leven”, een pastoraal werk met als slotzin “kijk naar Jezus Christus en verloochen hem niet voor de wereld”.

Ook paus Franciscus is pastoraal en communicatief, en roept de prelaten op de straat op te gaan, de mensen op te zoeken. Het vernieuwen van de Kerk bestaat uit gehoor geven aan de roepstem van de Heer. Zijn vernieuwing, en die van de man uit Assisi, betreft de eeuwige vernieuwing die in de traditie zelf zit. Verontrustend? Dat is juist goed. Want vernieuwing niet tegen, maar met de Kerk.

Paus Franciscus past in de traditie van de sociale leer van de Kerk, die is aangezet door de encyclieken “De rerum novarum” (1891) en “Quadragesimo anno” (1931) van de pausen Leo XIII en Pius XI. Pijlers van die leer zijn de solidariteit, de waardigheid van de mens, de gemeenschapszin en de subsidiariteit. Vooral die laatste pijler verdient toelichting. Het gaat om een ordeningsprincipe waarbij de macht en de verantwoordelijkheid niet beperkt blijven tot het hoogste niveau, maar gedelegeerd worden naar beneden, naar waar mogelijk. Dat is precies wat paus Franciscus doet wanneer hij kardinalen en bisschoppen oproept hun bureaucratische bezigheden te minimaliseren en naar de mensen toe te gaan. Dat geldt ook voor de werkvloer onderop. Men moet niet klagen over wat de hogere autoriteiten niet doen, of zouden moeten doen, maar men moet in de eigen parochie, in de eigen kerkgemeenschap het beste ervan maken. Dat is ook precies wat Franciscus van Assisi bedoelde. Hij restaureerde, letterlijk en geestelijk, de kerk van zijn eigen dorp. Wat mensen in het klein in hun eigen omgeving tot stand brengen, is waar het op aankomt.

Kan de paus de twee kampen die zijn ontstaan naar aanleiding van de omstreden Gezinssynode bij elkaar houden? Anton de Wit hoort schismatieke geluiden, en vraagt zich af of de paus het uithoudt. Vele vinden hem irritant. In het eerste jaar na zijn benoeming had het applaus de overhand, in het tweede jaar overheerst de kritiek, althans bij sommige hoogwaardigheidsbekleders en in sommige Noord Amerikaanse kringen. Men idealiseert, zoals wel meer voorkomt, een verleden om het heden de spiegel voor te houden. Maar we moeten ons realiseren dat ook in oude tijden ruzies schering en inslag waren. Denken we aan Paulus die in een van zijn brieven van leer trekt tegen degenen die zich vooral bij deze, of gene thuis voelen en geestelijke leiders tegen elkaar uitspelen, door erop te wijzen dat we één Geloof hebben, en één Heer. Nu, met de Gezinssynode, hebben zich groeperingen verzameld rond de kardinalen Burke en Kasper, maar het zijn niet de kardinalen zelf die tegen elkaar opboksen, doch de behoudzuchtigen en de vooruitstrevenden die ze als speerpunten gebruiken om een tegenstelling aan te scherpen. Ook in de zaak van de oude liturgie hebben de kampen zich tegen elkaar opgesteld. Feit is dat Franciscus zich minder betrokken voelt bij de oude liturgie dan Benedictus.
——————————————————————————————————————-
Wereldwijd gaf paus Franciscus de katholieken hun trots terug, schreef een jaar na zijn aantreden de Spaanse krant El Mundo. ‘Hij pontificeert niet, hij pretendeert niet het laatste woord te hebben over allerlei kwesties. Hij wil alleen een nieuwe tijd openen in een nieuwe stijl, tot ongerustheid van de conservatieven. Hij is collegiaal, een “goed mens” (zeggen ook zijn tegenstanders), hij is slim (alles op z’n tijd), nederig, niets menselijks is hem vreemd, hij is charismatisch, hij wil getuigen, de curie hervormen, buiten de grenzen treden, hij geniet het respect van regeringsleiders, legt de nadruk op vergeving, tederheid, niet bang zijn voor God….’

de voorzitter

MAN VAN HET MIDDEN

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

21 maart 2015

Dr.LEO MEULENBERG, in 1960 priester gewijd in het bisdom Roermond, tot hoogleraar kerkgeschiedenis benoemd in Nijmegen, doceerde patrologie in São Paulo aan de theologische faculteit van Nossa Senhora da Assunção en hield zich na zijn pensionering bezig met spiritualiteit vanuit zijn standplaats Heerlen waar hij assisteert in de Pancratius parochie. Voorts is hij de auteur van enige boeken over Meesters in Spiritualiteit van uitgeverij Averbode.

Een van die boeken gaat over Friedrich von Hügel (1851-1925), een selfmade man die zich in het strijdperk rond het modernisme begaf dat in de jaren 10 van de twintigste eeuw door paus Pius X werd veroordeeld. Von Hügel werd geboren in Florence, groeide op in Engeland, had een adellijke Oostenrijkse vader en was enige tijd gestationeerd in Brussel. Zijnde baron van het H. Roomse Rijk, sprak hij Duits, Frans, Engels en Italiaans. Hij was bekend met vooraanstaande personages in kerk en wereld, en wat hem bijzonder fascineerde was het geestelijk klimaat onder filosofen, historici en theologen die de wetenschappelijke bevindingen van hun tijd wilden toetsen aan het geloofsleven en de leer van de Katholieke Kerk. De meest dissidente figuren in dezen waren de Franse theoloog Alfred Loisy, de (gewezen) Ierse jezuïet George Tyrell en de Franse filosoof Maurice Blondel. De eerste twee zouden worden geëxcommuniceerd.

In hoeverre weet de Kerk nieuwe denkbeelden in zich op te nemen en in het geloofsgoed te vertalen? Wat anders deed Thomas toen hij het aristotelisme van zijn tijd aanpaste dat zou uitkristalliseren in de scholastiek? De strijd rond het modernisme spitste zich toe op het kerkelijk leergezag en de pauselijke autoriteit. In 1870 was bij het Eerste Vaticaans Concilie de onfeilbaarheid van de paus tot dogma verheven, maar in feite strekte dat attribuut zich uit over de kerk als zodanig. Dit dogma van de onfeilbaarheid was ingegeven tegen de achtergrond van het verlies van de Kerkelijke Staat en de opkomst van het liberalisme en het socialisme. De opvolger van paus Pius IX, Leo XIII voerde het (neo)thomisme in als rem op een te gevoelsmatig en te weinig gesystematiseerd geloof. Pius X verketterde in zijn antimodernistische encyclieken het agnosticisme en het idee dat God een persoonlijke ervaring is – en bovendien immanent, ofwel ingebed in de natuurlijke wereld.

Loisy poneerde dat Jezus Christus het koninkrijk van de sociale rechtvaardigheid was komen brengen, maar wat we kregen was de Kerk. De Bijbel zag hij als tijd- en plaatsgebonden. Blondel stelde dat de Kerk rekening moet houden met de mens, met het leven, met ons handelen en willen. En Tyrell legde de feilen van de scholastiek bloot. Niet ons verstand kan God bewijzen, maar het hart is waar de gelovigen het moeten zoeken. Friedrich von Hügel correspondeerde met alle drie. De waarheid, zei hij, is in principe aanwezig in alle religies. Tegelijkertijd hield hij vast aan het kerkelijk gezag. Hij wilde bemiddelen tussen de modernisten en de traditie. Hij ging niet mee met de historische Bijbelkritiek en met de kijk op Jezus als een persoon in psychische ontwikkeling. Het mysterie van de Messias, opperde hij tegen de modernisten, gaat ons bevattingsvermogen te boven. Tegen Tyrell, die de liefde boven de leer stelde, betoogde hij dat je het rationele niet aan kant moest schuiven.

De modernisten waren sterk beïnvloed door Adolf von Harnack’s “Das Wesen des Christentums” (1900), dat een aanval inhield op de Katholieke Kerk en waarin Jezus ontdaan wordt van alle leerstellige en joodse aanslibsels. De modernisten verweten de Kerk telkens een nieuwe jas over de vorige jassen aan te trekken: eerst de evangelische, dan die van de oudheid, gevolgd door de middeleeuwse, de contrareformatorische en de moderne. Baron Von Hügel verdedigt de Kerk en neemt afstand van de kritische discussie, want die is niet in staat de Openbaring vast te leggen. Uiteindelijk laat hij de debatten en de controverses links liggen om zijn toevlucht te nemen tot de “spiritualiteit”.

de voorzitter

NATUURRECHT

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

21 februari 2015

Wat Mensenrechten zijn weten we. We worden ermee geboren. Natuurrecht daarentegen, moeten we verwerven nadat we de jaren des verstands hebben bereikt. Met die woorden besluit MACHTELD ALLAN, rechtsfilosofe en arabiste, haar voordracht.

‘Natuurrecht’, schrijft ze in een begeleidend essay, ‘is een ongeschreven, onveranderlijke, universele, morele standaard die door elk rationeel wezen gevonden kan worden in de “natuur”, waarmee zowel de menselijke natuur is bedoeld, als de natuur om ons heen.’

Voor die standaard moeten we terug naar de filosofen Plato en Aristoteles. De eerste nam vormen of archetypen aan die in de eeuwigheid bestaan en waarvan de afzonderlijke dingen die wij waarnemen zijn afgeleid. De tweede, beschouwde die vormen als inherent aan de werkelijkheid die wij waarnemen, als ideeën in ons hoofd. Zo kunnen we spreken van het “wezen der dingen”.

Dat wezen of die essentie ligt buiten het bereik van de wetenschap, volgens de moderne filosofie. Wij kunnen niet verder zien dan de verschijningsvormen. Zo ontstond, sinds Immanuel Kant, de scheiding tussen Geloof en Rede, of tussen Godsdienst en Wetenschap. Of fundamenteler nog: tussen Bovennatuur en Natuur. Werden ze vroeger als eenheid gezien, voortaan bestreken ze gescheiden gebieden.

In de Middeleeuwen, tot en met de zeventiende eeuw, waren er twee boeken die tot ware kennis leidden, het Boek dat de Bijbel heet en het Boek van de Natuur. De weg van het Openbaring en de weg van het wetenschappelijk onderzoek voerden naar hetzelfde doel. Niet alleen door de biografie van de Kunstenaar, maar ook door diens werken kunnen wij een beeld krijgen van de Kunstenaar. Zo dacht Thomas van Aquino. Door het goede te doen, delen wij in het weten van God, en binnen dat weten ligt het Natuurrecht. Natuurrecht is dus een metafysisch begrip, en dat is de reden waarom onze materialistische tijd er moeite mee heeft.

Sinds medio achttiende eeuw heeft de Metafysica – de verklaring van de Natuur vanuit de Bovennatuur – het veld moeten ruimen. De natuur werd voortaan uit de natuur verklaard – wat strikt gesproken onzin is. Met het positivisme begon de heerschappij van de zintuiglijke waarneming als enig criterium voor wat wij kunnen weten, ofwel: het enige wat geldt, is wat proefondervindelijk voor iedereen kan worden vastgesteld. Anderzijds vluchtte de Godsdienst in een eigen burcht, los van de werkelijkheid en haar rationele bestudering.

De Mensenrechten zijn een puur menselijk bedenksel, gebaseerd op onderlinge afspraken. Ze hebben geen reëel bestaan – geen vorm of wortel in de eeuwigheid -, hoewel ze, in wezen, voor een deel, zijn afgeleid zijn van het Natuurrecht. Maar de moderne mens of wetenschapper erkent die afleiding niet. Voor hem is het goede een relatief en subjectief begrip. Wat voor de ene geldt, hoeft niet te gelden voor de ander.

De mens in thomistisch-aristotelische zin is door participatie in, en getuigenis van het goede geroepen om zichzelf te actualiseren of te realiseren, mens te worden zoals de mens bedoeld is. Door te delen in het goddelijke, en daaraan uiting te geven komt hij tot waarheid. De moderne filosoof acht waarheid een door tijd en plaats en individu bepaald veranderlijk iets. Voor Thomas is waarheid absoluut, en kenbaar in de vorm of het wezen der dingen.

Wij bestaan voor zover we deel hebben aan een absolute vorm, om met Plato te spreken. We zouden ook met Paulus kunnen zeggen dat wij nu zien als in een donkere spiegel, maar dat we eens zullen kennen zoals wij zijn gekend. Zoals wij zijn bedoeld.

In het dagelijks taalgebruik hebben wij het over een “echte” rechter, een “echte” dokter, een “echte” leraar en zo. We bedoelen het ideaal. Dat zien we misschien niet om ons heen, maar we geloven desondanks dat het “echte” in zijn verschillende vormen bestaat. Dat is wat Thomas van Aquino bedoelt. De norm is de vorm, en de vorm is het absolute, objectieve. Zo is de ziel de vorm van het lichaam.

Het katholieke christendom heeft het Natuurrecht bewaard door het harmonische samengaan van natuur en bovennatuur. De protestantse christen baseert zich in principe hoofdzakelijk op de Openbaring. En de islam kent doorgaans een verre, grillige God die zich niet aan zijn eigen wetten hoeft te houden, zodat het Boek van de Natuur buiten beschouwing blijft, maar elk wissewasje aan Gods Almacht wordt toegeschreven.

De Menswording Gods is de hoeksteen van de participatie-leer. Het Woord is vlees geworden, en het heeft onder ons gewoond. En door het Woord is alles in het bestaan geroepen. En zo ontdekt men door het bestuderen van de Natuur kenmerken en eigenschappen van haar Maker. Zo zien wij in elke mens het goddelijke. Want naar Zijn beeld en gelijkenis is de mens geschapen.

Natuurrecht bestaat alleen in de ongesplitste werkelijkheid waarin de mens deel heeft aan God. Haar vijand is het ethisch relativisme.

de voorzitter

PAUL VAN DONGEN: DIT IS MIJN LICHAAM

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

17 JANUARI 2015

Wie aan christelijke schilderkunst denkt, denkt aan de Middeleeuwen, de Renaissance en de Barok, de eeuwen waarin de machtige Kerk schilders opdrachten gaf om Bijbelse onderwerpen en levens van heiligen uit te beelden. De moderne liefhebbers bewonderen die oude werken veeleer om het artistieke van de vorm dan om het godsdienstige van de inhoud, ook al zijn die twee zaken moeilijk van elkaar te scheiden. Vroeger hoefde een kunstenaar die een religieus tafereel weergaf niet noodzakelijk een gelovige te zijn; hij vervulde zijn opdracht, en kreeg ervoor betaald. Neemt men bijvoorbeeld een schilderij als “Johannes de Doper” van Caravaggio, dan zien we een verheerlijkt dartel jongenslichaam. Zonder de titel zouden we hierin niet zomaar de heraut van de Mensenzoon herkend hebben. En zo zijn er meer gevallen. De vroegere kunstenaars leefden, kortom, in een christelijk klimaat; en waar het de katholieke kerk betreft, was praktisch elke vormgeving geoorloofd.

Hoe anders is het voor kunstenaars van tegenwoordig die bewust christelijk willen zijn in een seculier klimaat. Wie nu godsdienstige beelden gebruikt, wie nu het Woord willen verstaan dat vlees is geworden, worden niet meer door de, zwakke, Kerk omarmd. De waardering komt veeleer van profane kunstkenners, van wie niet noodzakelijk gelovigen zijn, laat staan kerkgangers.

Paul van Dongen is geen bekeerling, maar teruggekeerd naar de Kerk. Religieuze motieven speelden in zijn katholieke opvoeding altijd een rol. Vooral naakten beeldt hij als kunstenaar uit, zoals de naakte Christus. Bij een tentoonstelling over de “Kruisiging” viel hem de, onverwachte, belangstelling van de toeschouwers op. Religie in de kunst kan in onze postmoderne tijd fascineren. Omdat men het nu als een persoonlijke uiting ziet. Paul van Dongen daarentegen, is – om met de schrijver Willem Jan Otten te spreken – “genadeloos objectief”.

Het Panorama “Golgotha”, dat uit zeven taferelen bestaat van in totaal vier en een halve meter, geeft een gedetailleerde voorstelling van wat zich tijdens de kruisdood van Jezus en de twee moordenaars heeft afgespeeld, en mogelijk heeft afgespeeld. De eerste tekening toont de drie gekruisigden en de omstanders. Daarbij komt een vooraanduiding van de opstanding der doden door het openbreken van de graven. Ergens loopt Veronica met haar doek waarop de afdruk van het gelaat van Christus. In een olijfboom kronkelt de satan in de gedaante van een slang. Ook farizeeërs zijn bij de kruisiging tegenwoordig. Op een volgende tekening verschijnen soldaten te paard en vrouwen onder een betrokken lucht. Wat zou er allemaal rond het gebeuren op de schedelplaats te zien zijn geweest, hoe mogen we ons de oploop van mensen en dieren voorstellen, en daarbij ook nog de begroeiing van die plaats? We zien Romeinse soldaten, drie kerels die dobbelen om het kleed van de Mensenzoon, Longinus met de rietstok om de goddelijke zijde te doorstoten, joodse ordebewakers, herders, Bedoeïenen, Grieken, een blinde, joelende toeschouwers, paarden, kamelen, ezels, schapen… We zien de door twee hofdames begeleide echtgenote van Pilatus die over de veroordeelde Rechtvaardige had gedroomd, we zien rouwende vrouwen. Een mausoleum verheft zich buiten de stadsmuren, de gewassen op de velden zijn klaar voor de ploeg, er staan palmbomen en hier en daar ligt een verdroogde palmtak op de grond die herinnert aan de blijde binnenkomst van de Zoon van David nog maar een week geleden. In de verte torent trapsgewijs de tempel van Jeruzalem, op de voorgrond is de roos van Jericho die ooit in de woestijn bloeide toen de ouders met het kind Jezus naar Egypte vluchtten. Romeinse soldaten beschrijven het bordje dat op het kruis wordt gespijkerd met “Koning der Joden”. Ergens wordt naar de wonderbare broodvermenigvuldiging verwezen…. En dan zijn er natuurlijk de centrale figuren: Maria als moeder van Jezus en als de vrouwe uit Genesis die de slang vertrapt, Maria Magdalena, de apostel Johannes, Jozef van Arimatea, Nicodemus, de Romeinse honderdman Cornelius en ook nog Simon van Cyrene met zijn twee zoons – die na het helpen dragen van het kruis niet zijn weggelopen, maar zijn blijven kijken naar de afloop… En dat alles minutieus, waarheidsgetrouw in beeld gebracht. Als op een middeleeuws tableau waarin verschillende plaatsen en tijden samenkomen in een eeuwig heden.

Men stelle zich het Panorama voor op de binnenkant van een ronde lampenkap waaronder men zich kan oprichten om alle scènes in ogenschouw te nemen. Het is een uniek stuk vakwerk, als een soort stripverhaal of een film waarin het jaar 33 rond Golgotha tot leven komt.

Het werk van Van Dongen is geworteld in de Rooms-katholieke traditie en getuigt van een wetenschappelijke ambachtelijkheid. Een expositie van dat werk, en van twee andere bijzondere schilders, is tot en met 7 februari te bewonderen in Galerie Witteveen, Konijnenstraat 16A, Amsterdam.

de voorzitter