Home » 2015 » maart

Monthly Archives: maart 2015

MAN VAN HET MIDDEN

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

21 maart 2015

Dr.LEO MEULENBERG, in 1960 priester gewijd in het bisdom Roermond, tot hoogleraar kerkgeschiedenis benoemd in Nijmegen, doceerde patrologie in São Paulo aan de theologische faculteit van Nossa Senhora da Assunção en hield zich na zijn pensionering bezig met spiritualiteit vanuit zijn standplaats Heerlen waar hij assisteert in de Pancratius parochie. Voorts is hij de auteur van enige boeken over Meesters in Spiritualiteit van uitgeverij Averbode.

Een van die boeken gaat over Friedrich von Hügel (1851-1925), een selfmade man die zich in het strijdperk rond het modernisme begaf dat in de jaren 10 van de twintigste eeuw door paus Pius X werd veroordeeld. Von Hügel werd geboren in Florence, groeide op in Engeland, had een adellijke Oostenrijkse vader en was enige tijd gestationeerd in Brussel. Zijnde baron van het H. Roomse Rijk, sprak hij Duits, Frans, Engels en Italiaans. Hij was bekend met vooraanstaande personages in kerk en wereld, en wat hem bijzonder fascineerde was het geestelijk klimaat onder filosofen, historici en theologen die de wetenschappelijke bevindingen van hun tijd wilden toetsen aan het geloofsleven en de leer van de Katholieke Kerk. De meest dissidente figuren in dezen waren de Franse theoloog Alfred Loisy, de (gewezen) Ierse jezuïet George Tyrell en de Franse filosoof Maurice Blondel. De eerste twee zouden worden geëxcommuniceerd.

In hoeverre weet de Kerk nieuwe denkbeelden in zich op te nemen en in het geloofsgoed te vertalen? Wat anders deed Thomas toen hij het aristotelisme van zijn tijd aanpaste dat zou uitkristalliseren in de scholastiek? De strijd rond het modernisme spitste zich toe op het kerkelijk leergezag en de pauselijke autoriteit. In 1870 was bij het Eerste Vaticaans Concilie de onfeilbaarheid van de paus tot dogma verheven, maar in feite strekte dat attribuut zich uit over de kerk als zodanig. Dit dogma van de onfeilbaarheid was ingegeven tegen de achtergrond van het verlies van de Kerkelijke Staat en de opkomst van het liberalisme en het socialisme. De opvolger van paus Pius IX, Leo XIII voerde het (neo)thomisme in als rem op een te gevoelsmatig en te weinig gesystematiseerd geloof. Pius X verketterde in zijn antimodernistische encyclieken het agnosticisme en het idee dat God een persoonlijke ervaring is – en bovendien immanent, ofwel ingebed in de natuurlijke wereld.

Loisy poneerde dat Jezus Christus het koninkrijk van de sociale rechtvaardigheid was komen brengen, maar wat we kregen was de Kerk. De Bijbel zag hij als tijd- en plaatsgebonden. Blondel stelde dat de Kerk rekening moet houden met de mens, met het leven, met ons handelen en willen. En Tyrell legde de feilen van de scholastiek bloot. Niet ons verstand kan God bewijzen, maar het hart is waar de gelovigen het moeten zoeken. Friedrich von Hügel correspondeerde met alle drie. De waarheid, zei hij, is in principe aanwezig in alle religies. Tegelijkertijd hield hij vast aan het kerkelijk gezag. Hij wilde bemiddelen tussen de modernisten en de traditie. Hij ging niet mee met de historische Bijbelkritiek en met de kijk op Jezus als een persoon in psychische ontwikkeling. Het mysterie van de Messias, opperde hij tegen de modernisten, gaat ons bevattingsvermogen te boven. Tegen Tyrell, die de liefde boven de leer stelde, betoogde hij dat je het rationele niet aan kant moest schuiven.

De modernisten waren sterk beïnvloed door Adolf von Harnack’s “Das Wesen des Christentums” (1900), dat een aanval inhield op de Katholieke Kerk en waarin Jezus ontdaan wordt van alle leerstellige en joodse aanslibsels. De modernisten verweten de Kerk telkens een nieuwe jas over de vorige jassen aan te trekken: eerst de evangelische, dan die van de oudheid, gevolgd door de middeleeuwse, de contrareformatorische en de moderne. Baron Von Hügel verdedigt de Kerk en neemt afstand van de kritische discussie, want die is niet in staat de Openbaring vast te leggen. Uiteindelijk laat hij de debatten en de controverses links liggen om zijn toevlucht te nemen tot de “spiritualiteit”.

de voorzitter