Home » 2016 » december

Monthly Archives: december 2016

HET DOOPSEL

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

HET DOOPSEL door pater Martin Knudsen fssp
17 december 2016

Het Doopsel is het eerste van de zeven sacramenten. Een sacrament is een uiterlijk teken dat genade geeft aan onze ziel en ons verbindt met het bovennatuurlijk leven. In het geval van het eerste sacrament gebeurt dat door het uitgieten van water over het hoofd, waarbij de bedienaar de woorden spreekt: ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest. De bedienaar kan een diaken zijn, een priester of kapelaan, of een bisschop; in noodgevallen kan het een leek zijn, liefst een religieuze of gelovige. Zelfs een niet gelovige kan het doopsel toedienen, want de uiterlijke handeling is waar het om gaat. De ingestorte genade valt ons onverdiend te deel door toedoen van Jezus Christus met het oog op ons eeuwige leven. Het is een heilig- makende genade die noodzakelijk is voor onze redding en voor onze aanname als kinderen van God. De relatie met God was door de zonde van de eerste mens verloren gegaan, en daarom is het nodig om gedoopt te worden. Door dit eerste sacrament worden we leden van de Kerk en kunnen wij vervolgens de andere sacramenten ontvangen en toenemen in heiligheid door verdiensten en goede werken. Behalve de heilig- makende genade, bestaat er nog de “genade van bijstand” – die onze geest verlicht en onze wil op het goede richt.

Gods genade wordt ons niet opgelegd, maar vrijwillig ontvangen door ons ervoor open te stellen. Dat laatste geldt de ouders namens het kind. God geeft de geestesziel op het moment van de conceptie al het hoogste beginsel dat ook het lichaam van de dopeling heiligt. Bij oudere of volwassen dopelingen worden, afgezien van de erfzonde, alle bestaande zonden uitgewist. Met moet zijn status van gedoopte leven met de Kerk, door volledig aan de kerkelijke gang en de andere sacramenten deel te nemen. Mensen die zich alleen laten dopen, en verder buiten de Kerk blijven zijn dode leden. Het is daarom heel ernstig wanneer een gedoopte zich van de Kerk afkeert.

In onze tijd worden er nog maar weinig kinderen gedoopt. Sommige ouders doen het bij zich thuis en maken er een “naamfeest” van, als een soort voortzetting van een oud gebruik. Ze vieren daarbij het “leven”, maar dat is iets anders dan het “bovennatuurlijk leven” dat de Kerk geeft. Dat het doopsel in onbruik is geraakt ligt voor een deel ook aan de Kerk zelf. Er wordt te veel geïmproviseerd, met gedichten, of door met de dooprite te knoeien. Wij worden door het doopsel niet binnenskamers in een gezin geboren, maar in de kerk krijgen wij een andere familie van broeders en zusters in het Geloof.

De dooprite, de woorden die uitgesproken worden veronderstellen de jaren des verstands en een enkele persoon die ze uitspreekt. Bij een ongeluk met mogelijk of schijnbaar dodelijke afloop is het, onder voorwaarde dat de persoon in kwestie nog leeft, altijd zaak om tot dopen over te gaan, ook al kan een stervende zijn wil niet kenbaar maken. Dat is iets wat de heilige Moeder Teresa van Calcutta vaak deed, ondanks de kritiek, want stervenden moeten onmiddellijk voor God verschijnen. Kinderen hoort men liefst zo snel mogelijk te dopen; vroeger gebeurde dat binnen acht dagen, tegenwoordig binnen drie maanden. Het is een zware zonde als ouders hun kind niet laten dopen, aangezien ze het daarmee het eeuwig leven onthouden. Heeft het de leeftijd van zes, zeven of acht jaar bereikt, of ouder, twintig et cetera, dan moet de dopeling het geloof belijden en berouw (minstens een onvolmaakt berouw of spijtbetuiging) tonen over de voorheen begane zonden. Het sacrament blijft anders weliswaar geldig, maar dan zonder genade. Het doopsel is absoluut nodig voor onze redding.

In bepaalde gevallen is ook redding zonder het doopsel mogelijk. In het geval van martelaren geldt het vergoten bloed als doopsel. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de Onnozele Kinderen die door Herodes werden vermoord. Maar ook bij volwassen martelaren die het Geloof hadden aangenomen en die door machthebbers werden gedood eer zij het doopwater konden ontvangen. Een bekend geval in dezen speelde zich af in Afrika in de negentiende eeuw. Voorts bestaat er nog het zogeheten “doopsel van begeerte”, dat van kracht is wanneer men onderweg naar de doopvont een ongeluk krijgt. En, tot slot, kan ook een uiting van volmaakte liefde tot God op het sterfbed gelden. Ongeacht de situatie die zich voordoet, cruciaal blijft het geloof in één God. Zonder erkenning van het Hoogste Wezen is geen redding mogelijk.

De doop is gekoppeld aan de geloofsbelijdenis, aan de verplichting de wet van Jezus Christus en de zedenleer van de Kerk te onderhouden. Tijdens de belijdenis verzaakt men aan de duivel. De duivel zijn de ijdele werken, de zonden, behagen aan de wereld. Dat alles is strijdig met het Evangelie. Wij leven in een tijd waarin secularisme, liberalisme, socialisme hoogtij vieren. Ons is de opdracht gegeven om te strijden tegen de wereld door het Geloof uit te dragen, en het niet te beperken tot de huiskamer.

Op het Doopsel volgt het Vormsel, het tweede sacrament. Het uiterlijk teken daarbij is de zalving van het voorhoofd met het chrisma, een mengsel van olijfolie en balsem. De olie symboliseert de overvloed van genade; de balsem bewaart tegen het geestelijk bederf. Door het vormsel krijgen wij de zeven gaven van de H. Geest: wijsheid, verstand, raad, sterkte, wetenschap, godsvrucht en de vreze des Heren. Bij elkaar: de geestelijke wapens om tegen de wereld te strijden. De wereld schenkt hoogstens tijdelijk geluk, en in vele gevallen depressiviteit ten gevolg van de zonden. Het vormsel wordt toegediend door de bisschop, die de geest inblaast bij de vormeling en hem de handen oplegt. Gewoonlijk vond het vormsel plaats in het zesde of zevende levensjaar, een leeftijd waarop op het voorhoofd nog spontaan vanwege zonden vrees of schaamte kan verschijnen. Een peter of meter begeleidt de vormeling en legt zijn of haar hand tijdens de toediening op diens schouder. Degene die het sacrament ondergaat krijgt daarbij de naam van een heilige die tot voorbeeld dient om zelf een heilig leven te leiden.

de voorzitter