Home » 2017 » maart

Monthly Archives: maart 2017

DE HOLOCAUST OVERLEVEN 18 MAART 2017

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De heer ERNST VERDUIN overleefde vijf concentratiekampen. Hij was dertien jaar toen in januari 1943 – het was een ijskoude winter – de laarzen van de SS of de Gestapo voor de deur stonden van het onderduikadres in Bussum. Zijn ouders en zus en hijzelf waren verraden door de Schalkhaarders – Nederlandse politiemannen met nazi sympathieën die 7,50 beurden voor het aangeven van een jood. Het gezin kwam via de Hollandse Schouwburg als eerste joodse transport uit Amsterdam terecht in het aanbouw zijnde kamp Vught. Daar werden voornamelijk criminelen naar toegestuurd. Mannen en vrouwen werden gescheiden in aparte barakken. In het kamp Vught leerde de jongen door goed uit zijn ogen te kijken hoe hij zich in de volgende kampen moest gedragen om te overleven. In de zomer werden alle kinderen met ouders via Westerbork naar het Poolse Sobibor gestuurd. ‘Wij wisten’, zegt Ernst Verduin, ‘dat ze daar zouden worden vermoord’.

Al voordat de oorlog in 1940 uitbrak, wist de jongen dat er zo’n vijftien kampen bestonden in de veengebieden tussen Drente en Groningen, en over de grens in Duitsland. In die zogeheten “veenkampen” hadden ze in de jaren dertig rond 150.000 Duitse politieke tegenstanders van Hitler vermoord. Bekend was ook dat er al veel eerder door de “Euthanasie Aktion” in Duitsland invaliden en gehandicapten, waaronder oorlogsinvaliden uit de Eerste Wereldoorlog, aan hun eind kwamen. Bovendien functioneerden er al gaskamers in het noorden en zuiden van Duitsland.

Ernst Verduin was geboren in Amsterdam. Zijn vader had een dameshoedenfabriek met honderden personeelsleden en zijn moeder was boekhoudster. Later verhuisde het gezin naar Bussum. Ernst en zijn zus werden streng opgevoed. Toen de oorlog uitbrak hadden ze kunnen vluchten naar Amerika of Engeland, maar dat wilden zijn ouders niet omdat ze dan te veel familieleden hadden moeten achterlaten. Zijn vader zou spoorloos verdwijnen, zijn zus werd in Auschwitz met tyfus besmet en vermoord, zijn moeder overleefde twee en een half jaar concentratiekamp en belandde via een uitwisselingsprogramma in Zweden van waaruit zij naar Nederland kon terugkeren. Sommige neven en nichten overleefden, andere kwamen nooit meer terug, zoals evenmin de grootouders.

In Vught verrichtte Ernst allerlei hand- en spandiensten voor de SS-ers, en in de omgang met ze leerde hij Duits en deed hij een ervaring op die hem later van pas kwam. Van Westerbork herinnert hij zich het prikkeldraad en de wachttorens. In september kwam het gezin aan in Auschwitz-Birkenau. De mannen werden gescheiden in rijen die naar werkkampen gingen en rijen met bestemming de gaskamers. Ernst wist van het bestaan daarvan, maar het was levensgevaarlijk om daarover te praten. Het lukte hem om ingedeeld te worden bij de werkers. Na aankomst in de barakken werd je geschoren, genummerd en in kleren gehuld waarin je tot slavenarbeid was veroordeeld. In het subkamp Monowitz kreeg je drie maal per dag eten. Werd je ziek, dan wachtte de gaskamer. Bij een arbeidsongeval lapten ze je op om aan de eisen van de industrie te voldoen. Ernst werkte soms in de tuinderij van de SS, waar hij groenten, tomaten stal. De zware arbeid eiste zijn tol, zodat hij eens in coma raakte, maar dan bedacht hij hoe gevaarlijk het was om ziek te blijven, met het oog op de gaskamer. Om daaraan te ontkomen bezorgde hij zichzelf een bedrijfsongeluk, met als gevolg dat hij administratief werk kreeg en als tolk werd ingezet. Eind maart 1944 kreeg hij tyfus en belandde hij in de ziekenbarak, wat betekende dat hij op 22 april “op papier stierf”.

In januari 1945 bevrijdden de Russen Monowitz. Daarop volgden de zogeheten dodenmarsen naar het Westen, want de SS kreeg geld voor de gevangenen. In het nabij gelegen Gleiwitz stond een kolentrein klaar met bestemming Buchenwald. Die moet ik hebben, dacht Ernst. Aangekomen in Buchenwald werd hij opnieuw ontsmet en geschoren. Ze deelden hem in bij Waldarbeit, wat in elk geval drie maal eten per dag opleverde. Er waren SS-ers van wie hij sommigen kende. Op 8 april vond er een scheiding plaats tussen joden – wie een duister lot wachtte – en gevangenen die dwangarbeid moesten verrichten. Ernst wendde zich tot een hem bekende SS-er, tot wie hij zei dat hij geen jood was. Daarvoor moest hij zijn broek laten zakken, en toen bleek dat hij niet was besneden. Zijn ouders hadden dat niet nodig gevonden omdat ze geen enkele band voelden met de joodse godsdienst. En zo overleefde hij de Holocaust. Toen de Amerikanen Buchenwald bevrijdden, waren de hooggeplaatste SS-ers al verdwenen. Voor het crematorium stonden nog stapels met lijken die ze niet meer hadden kunnen verbranden. Ze werden met Amerikaans geld begraven.

Terug in Nederland, verscheen op 1 augustus 1945 zijn moeder. Ernst ging gewoon weer naar school, het lyceum, en werkte daarna korte tijd in de hoedenfabriek van zijn vader. Maar de zaak bleek praktisch te zijn leeggestolen, zodat in 1954 het faillissement werd aangevraagd. Vervolgens begon hij te studeren en te werken, o.a. als chauffeur in Amsterdam. Hij trouwde, kreeg twee kinderen, hij reisde veel en sprak aardig wat talen. In 2015 publiceerde hij bij Uitgeverij Verbum zijn boek “Over leven: Vught, Auschwitz, Buchenwald”.

***
– Wat maakte de Holocaust uniek?… Het fabrieksmatige van de moorden.
– Hoe na Auschwitz nog in God geloven?… Ik heb nooit in God geloofd. En als er een God zou zijn, hoe had dit dan kunnen gebeuren?
– Nie wieder?… Heel vaak gebeurde het weer. Ruanda, Cambodja….
– Hoe de joden die het overleefd hadden in Nederland werden ontvangen?… Niet goed. Mijn moeder moest nog belasting betalen.
– Na de oorlog vrijuit over alles praten?… Ja, alleen kinderen kun je niet alles vertellen.
– Kan ik nog in het goede van de mensen geloven?… Ja, want ook in de kampen, onder de Duitsers, had je goede mensen.

de voorzitter