Home » Uncategorized » MARTELAARSCHAP IN ISLAM EN CHRISTENDOM

MARTELAARSCHAP IN ISLAM EN CHRISTENDOM

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

17 juni 2017

Dominee Huib Klink, predikant te Hoornaar, is een zeer belezen man, vertrouwd met de grote theologen en filosofen, kenner in het bijzonder van Kierkegaard, liefhebber van Plato, bewonderaar van Maarten Luther en de antirevolutionaire voorman Groen van Prinsterer, verbonden met het Conservatief Café te Gouda, frequent bezoeker van Italië en gaat prat op het hebben van katholieke vrienden.

Het begrip “martelaarschap” associeert men in onze geseculariseerde tijd met de islam, zoals het woord God staat voor Allah. De God van de Bijbel – benadrukt de dominee – moet men daar liever van gescheiden houden. En wat moslims en moslima’s onder “martelaren” verstaan, verschilt wezenlijk van wat het christendom daaronder verstaat. Ondertussen heeft de westerse mens een probleem met het verstaan van de revolutie in de jaren 70 in Iran vergeleken bij de Franse Revolutie van weleer. Hoe die eerste te duiden?, vroeg de filosoof Michel Foucault zich af. Of anders gezegd, hoe moet de verlichte adept van de moderniteit de islam begrijpen? Bijvoorbeeld door te wijzen op de armoede, gekoppeld aan ressentiment als verklaring voor de radicalisering van moslims. Uiteraard moeten humanisten als Paul Cliteur niets hebben van godsdienst. Alle godsdiensten zijn volgens hen levensgevaarlijk, want kweekbodem van fanatisme. Als voorbeeld wordt wel eens gewezen op de figuur van Pinechas die in de tijd van Mozes duizenden Israëlieten die zich met vreemde vrouwen hadden afgegeven de dood injoeg. Hij staat model voor de latere ijveraars, die in de tijd van Jezus streefden naar onafhankelijkheid van de Romeinen, desnoods met geweld. Hierover schreef de Duitse theoloog Martin Hengel, hoogleraar in Tübingen, zijn boek “Die Zeloten” (1956), uitgaande van de vraag: hoe verhoudt zich het Evangelie tegenover de Geschiedenis.

Of anders gesteld: is de christen geroepen om eventueel met het zwaard Gods koninkrijk op aarde af te dwingen? En is hij dan, voor geval hij daarbij sneuvelt, een martelaar? Onder de joden van de oude tijd had je de Maccabeeën, die zich met geweld verzetten tegen de vergrieksing van hun leefomgeving, in het bijzonder de ontheiliging van de tempel. Hun opvolgers, de zeloten, wilden de Romeinse bezetters verdrijven. Jezus zou hun koning kunnen worden, maar Jezus had een andere missie. Niet alleen de joden, de mensen in het algemeen hadden verlossing nodig. Zijn missie was niet nationaal, maar universeel. Flavius Josephus, de joodse historicus die aanvankelijk sympathiseerde met de opstand tegen de Romeinen in de periode na de dood van Christus, en die de handelwijze van de sicariërs – extremistische zeloten – beschrijft die zich met dolken onder de menigtes begaven om willekeurig wie overhoop te steken, veranderde uiteindelijk van inzicht. Het messiaanse rijk vestigde je niet door middel van de wapens. Uit de profeet Daniël begreep hij dat het messiaanse rijk als een steen vanaf een hoge berg zou neerrollen om naast en in de wereldse rijken wortel te schieten en tot grote proporties uit te groeien. Dat inzicht leefde mogelijk ook onder de farizeïsche elite in de tijd van Jezus, maar het gewone volk wilde zichtbare resultaten, en daarmee hielden de autoriteiten die door de Romeinen waren aangesteld rekening.

‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’, waren de woorden die Jezus tot Pilatus sprak. En ook de duivel had hij dat eerder duidelijk gemaakt in de woestijn toen deze hem de macht over alles wilde geven. Judas Iscariot, die tot de zeloten behoorde, heeft hem mogelijk verraden omdat hij zich niet als een wereldse bevrijder wilde opwerpen. Jezus’ intocht in Jeruzalem op Palmzondag met het alleluja van de kinderen was niet het soort revolutie waar de zeloten warm voor liepen. Jezus greep niet naar het zwaard. En de enigen die hem aanvoelden waren de geestverwanten van Maria en Jozef, de profeten Simeon en Zacharias. De universele bedoelingen van het messianaat komen het meest naar voren in de Griekse Bijbel, de Septuagint. Het ging niet alleen om Israël. In zijn boek “Judentum und Hellenismus” stelt voornoemde Martin Hengel het rijk van de wereld tegenover het rijk van de hemel. Degene die naast Christus aan het kruis stierf, de moordenaar die vroeg hem te gedenken wanneer Hij in zijn koninkrijk zou komen – en die tegenover de andere moordenaar de Gekruisigde in het midden honend had uitgedaagd zichzelf te redden als hij de Messias was -, had Zijn woorden – ‘Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen’ – begrepen en hoorde als enige de woorden: ‘Nog heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs’.

Geen wraak nemen, dat maakte indruk op de moordenaar aan wie het koninkrijk Gods was beloofd. Het martelaarschap in de zin van Christus bestaat uit wat christenen overkomt, wat ze wordt aangedaan. Het martelaarschap van de extremistische moslims, van de terroristen bestaat uit haat tegen anderen en zoveel mogelijk anderen in de dood willen meenemen.

Moeten christenen dan maar alles over hun kant laten gaan, Gods water over Gods akker laten lopen? Nee. Getuigen is altijd bewonderenswaardig, en alleen al dat kan de woede, de minachting of het doodzwijgen uitlokken vanuit de heersende tijdgeest of de gevestigde orde.

de voorzitter