Home » RELIGIE EN SECULIER DENKEN 21 oktober 2017

RELIGIE EN SECULIER DENKEN 21 oktober 2017

Professor Frank Koerselman

 

Frank Koerselman, professor psychiatrie in ruste, stelt –vanuit psychologisch oogpunt – vast dat de mens van nature in iets hogers wil geloven, iets waaraan hij zekerheid kan ontlenen. Dat hogere zou in onze tijd kunnen doorgaan voor “politieke correctheid”. In zijn boek Wie wij zijn primeert het begrip “identiteit”. Die term hoort men tegenwoordig vaak. Fundamenteel is in elk geval de behoefte aan veiligheid en geborgenheid, die evenwel lastig te rijmen valt met een andere fundamentele behoefte, de expansiedrang. In zijn zucht naar zelfbevestiging zoekt de mens de acceptatie van de groep, maar daarbinnen bevinden zich ook zijn concurrenten.

Religie biedt meer geborgenheid dan secularisme. Psychologisch gezien, verstaat Koerselman onder “religieus” een soort gevoel, stemming, liefde voor schoonheid, maar ook angst en huiver. Het is openstaan voor een soort gewaarwording, zoals men openstaat voor muziek. Je kunt religie ook als bedreigend ervaren. De religieuze mens weet zich in elk geval afhankelijk, in verwondering en in vrees.

Van oudsher is de mens tot het religieuze geneigd, maar daar kan een eind aan komen, zoals bijvoorbeeld in Nederland. Vroeger nam men voor het omgaan met de werkelijkheid zijn toevlucht tot verhalen, tot sprookjes en legenden. Ooit waren mensen levende verhalen. Daarnaast waren er de rituelen, die aan tijd en plaats structuur geven. Ook niet-religieuze mensen kennen rituelen. Cruciaal is dat religie greep probeert te krijgen op het feit van onze sterfelijkheid, de dood, het verlies van dierbaren, het onderscheid tussen wie het voor de wind gaat en wie moeten creperen, de eenzaamheid. Dit alles vond niet alleen een uitweg in het christendom, maar ook daarbuiten. Het perspectief van de hemel waarin eertijds de goden leefden diende als spiegel en ideaalbeeld voor de stervelingen. Opgaan in die bovennatuurlijke wereld gold als doel en werd gezien als voortzetting van het leven in de natuurlijke wereld.

Ondertussen kreeg de mens in zijn sterfelijk bestaan te maken met het probleem van het lijden, dat de orde verstoort. De sterken waren daar beter tegen opgewassen dan de zwakken. Het christendom groeide op te midden van die laatste, onder  armen en slaven en het lage volk. Die hadden het moeilijker in het trotseren van tegenspoed. Het christendom leerde enerzijds de wereld te aanvaarden zoals ie is, en anderzijds uit te zien naar een gelukkig hiernamaals. Daarvoor was de Verlosser nodig.

Een van de dingen die voor de christenen in de wereld centraal staat is het gezin, een microkosmos waarbinnen de taken verdeeld waren, waarin de man en de vrouw elk een eigen functie hadden, als kostwinner en als verzorgster van de kinderen. In onze postmoderne tijd wordt het gezin niet meer gezien als de nucleus van de samenleving. Alleen op 24 december vullen zich nog de lege kerken. Want dan viert men het ideale gezin, het verhaal van mensen die de moeilijke omstandigheden te boven komen. Het gezin vertegenwoordigt het vermogen om te overleven in een barre wereld. Alleen red je het niet. In onze tijd is het gezin een onderwerp van strijd en verzet. Dat is een gevolg van de anti-religieuze trend sinds de Franse Revolutie, van de opstand tegen het christendom als zijnde onderdrukkend. Revoluties scheppen een nieuwe mens, die ondergeschikt is aan de soort, aan het collectief.  In plaats van tussen gezinsleden, beweegt hij zich tussen “citoyens” en kameraden. Maar het communisme loopt uit op mislukking. Het preekt de gelijkheid en gaat voorbij aan de werkelijkheid van de verschillen. En zo zien we na de val van het staatscommunisme in Rusland de religie weer opbloeien.

Nederland loopt op het punt van seculier denken voorop. De generatie van 1968 wilde uit onder een geborgenheid die ze als beknellend ervoer. De naoorlogse jongeren wilden los van de oude hiërarchische structuren. Het individu moest vooropstaan. Maar ook de vrije en autonome mensen kunnen niet heen om de realiteit van de dood en het kwaad. En hoe moet dat zonder religie? En hoe vanuit de gepropageerde gelijkheid om te gaan met de realiteit van het verschil? Hoe te leven zonder “verticale dimensie”? Wat we bijvoorbeeld zien, is dat er geen rekening wordt gehouden met de minderheid, met ouderen. En ouderen van hun kant, laten zich met “jij” aanspreken omdat “u” te oud klinkt. Men tutoyeert elkaar, men noemt elkaar bij de voornaam. Wat in de nivellering verdwijnt, is het respect. Mannen mogen niet meer. Hun spierkracht is passé. Er is geen verschil meer tussen man en vrouw. En ook de denkkracht dreigt erbij in te schieten.

Het kwaad valt niet te ontkennen. Men neutraliseert het met het argument dat het in jezelf zit, of juist in een ander. Omgaan met de dood blijkt onmogelijk zonder religieuze verklaring. Te vergeefs probeert men de dood te bezweren met de euthanasie. Daarachter zit  een gevoel van woede. Doodsangst is normaal. Maar die overwin je niet door het kunstmatig beëindigen van het leven. Rest nog de realiteit van de eenzaamheid. Daar denkt men maar liever niet aan. De niet-religieuze mens heeft er geen oplossing voor. Alles wat hij nog doet, is keihard schreeuwen, om gehoord te worden, om als slachtoffer te poseren.

De ontkerkelijking en de ontkerstening hebben de generatie van 1968 verweesd achtergelaten. Er zijn maar weinig mensen die erin slagen echt als vrije individuen  te leven. Het komt uiteindelijk aan op het vermogen om te gaan met tegenslagen, aldus Koerselman. .

De beroemde Nederlandse psychiater H.C. Rümke omschreef “ongeloof” als een ontwikkelingsstoornis. Maar dat is al weer enige tijd geleden.

 

de voorzitter