Home » 2016

Jaarlijks archief: 2016

HET DOOPSEL

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

HET DOOPSEL door pater Martin Knudsen fssp
17 december 2016

Het Doopsel is het eerste van de zeven sacramenten. Een sacrament is een uiterlijk teken dat genade geeft aan onze ziel en ons verbindt met het bovennatuurlijk leven. In het geval van het eerste sacrament gebeurt dat door het uitgieten van water over het hoofd, waarbij de bedienaar de woorden spreekt: ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest. De bedienaar kan een diaken zijn, een priester of kapelaan, of een bisschop; in noodgevallen kan het een leek zijn, liefst een religieuze of gelovige. Zelfs een niet gelovige kan het doopsel toedienen, want de uiterlijke handeling is waar het om gaat. De ingestorte genade valt ons onverdiend te deel door toedoen van Jezus Christus met het oog op ons eeuwige leven. Het is een heilig- makende genade die noodzakelijk is voor onze redding en voor onze aanname als kinderen van God. De relatie met God was door de zonde van de eerste mens verloren gegaan, en daarom is het nodig om gedoopt te worden. Door dit eerste sacrament worden we leden van de Kerk en kunnen wij vervolgens de andere sacramenten ontvangen en toenemen in heiligheid door verdiensten en goede werken. Behalve de heilig- makende genade, bestaat er nog de “genade van bijstand” – die onze geest verlicht en onze wil op het goede richt.

Gods genade wordt ons niet opgelegd, maar vrijwillig ontvangen door ons ervoor open te stellen. Dat laatste geldt de ouders namens het kind. God geeft de geestesziel op het moment van de conceptie al het hoogste beginsel dat ook het lichaam van de dopeling heiligt. Bij oudere of volwassen dopelingen worden, afgezien van de erfzonde, alle bestaande zonden uitgewist. Met moet zijn status van gedoopte leven met de Kerk, door volledig aan de kerkelijke gang en de andere sacramenten deel te nemen. Mensen die zich alleen laten dopen, en verder buiten de Kerk blijven zijn dode leden. Het is daarom heel ernstig wanneer een gedoopte zich van de Kerk afkeert.

In onze tijd worden er nog maar weinig kinderen gedoopt. Sommige ouders doen het bij zich thuis en maken er een “naamfeest” van, als een soort voortzetting van een oud gebruik. Ze vieren daarbij het “leven”, maar dat is iets anders dan het “bovennatuurlijk leven” dat de Kerk geeft. Dat het doopsel in onbruik is geraakt ligt voor een deel ook aan de Kerk zelf. Er wordt te veel geïmproviseerd, met gedichten, of door met de dooprite te knoeien. Wij worden door het doopsel niet binnenskamers in een gezin geboren, maar in de kerk krijgen wij een andere familie van broeders en zusters in het Geloof.

De dooprite, de woorden die uitgesproken worden veronderstellen de jaren des verstands en een enkele persoon die ze uitspreekt. Bij een ongeluk met mogelijk of schijnbaar dodelijke afloop is het, onder voorwaarde dat de persoon in kwestie nog leeft, altijd zaak om tot dopen over te gaan, ook al kan een stervende zijn wil niet kenbaar maken. Dat is iets wat de heilige Moeder Teresa van Calcutta vaak deed, ondanks de kritiek, want stervenden moeten onmiddellijk voor God verschijnen. Kinderen hoort men liefst zo snel mogelijk te dopen; vroeger gebeurde dat binnen acht dagen, tegenwoordig binnen drie maanden. Het is een zware zonde als ouders hun kind niet laten dopen, aangezien ze het daarmee het eeuwig leven onthouden. Heeft het de leeftijd van zes, zeven of acht jaar bereikt, of ouder, twintig et cetera, dan moet de dopeling het geloof belijden en berouw (minstens een onvolmaakt berouw of spijtbetuiging) tonen over de voorheen begane zonden. Het sacrament blijft anders weliswaar geldig, maar dan zonder genade. Het doopsel is absoluut nodig voor onze redding.

In bepaalde gevallen is ook redding zonder het doopsel mogelijk. In het geval van martelaren geldt het vergoten bloed als doopsel. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de Onnozele Kinderen die door Herodes werden vermoord. Maar ook bij volwassen martelaren die het Geloof hadden aangenomen en die door machthebbers werden gedood eer zij het doopwater konden ontvangen. Een bekend geval in dezen speelde zich af in Afrika in de negentiende eeuw. Voorts bestaat er nog het zogeheten “doopsel van begeerte”, dat van kracht is wanneer men onderweg naar de doopvont een ongeluk krijgt. En, tot slot, kan ook een uiting van volmaakte liefde tot God op het sterfbed gelden. Ongeacht de situatie die zich voordoet, cruciaal blijft het geloof in één God. Zonder erkenning van het Hoogste Wezen is geen redding mogelijk.

De doop is gekoppeld aan de geloofsbelijdenis, aan de verplichting de wet van Jezus Christus en de zedenleer van de Kerk te onderhouden. Tijdens de belijdenis verzaakt men aan de duivel. De duivel zijn de ijdele werken, de zonden, behagen aan de wereld. Dat alles is strijdig met het Evangelie. Wij leven in een tijd waarin secularisme, liberalisme, socialisme hoogtij vieren. Ons is de opdracht gegeven om te strijden tegen de wereld door het Geloof uit te dragen, en het niet te beperken tot de huiskamer.

Op het Doopsel volgt het Vormsel, het tweede sacrament. Het uiterlijk teken daarbij is de zalving van het voorhoofd met het chrisma, een mengsel van olijfolie en balsem. De olie symboliseert de overvloed van genade; de balsem bewaart tegen het geestelijk bederf. Door het vormsel krijgen wij de zeven gaven van de H. Geest: wijsheid, verstand, raad, sterkte, wetenschap, godsvrucht en de vreze des Heren. Bij elkaar: de geestelijke wapens om tegen de wereld te strijden. De wereld schenkt hoogstens tijdelijk geluk, en in vele gevallen depressiviteit ten gevolg van de zonden. Het vormsel wordt toegediend door de bisschop, die de geest inblaast bij de vormeling en hem de handen oplegt. Gewoonlijk vond het vormsel plaats in het zesde of zevende levensjaar, een leeftijd waarop op het voorhoofd nog spontaan vanwege zonden vrees of schaamte kan verschijnen. Een peter of meter begeleidt de vormeling en legt zijn of haar hand tijdens de toediening op diens schouder. Degene die het sacrament ondergaat krijgt daarbij de naam van een heilige die tot voorbeeld dient om zelf een heilig leven te leiden.

de voorzitter

DE BIECHT

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

19 november 2016

Pastoor Cor Mennen uit Oss staat bekend om zijn no-nonsense aanpak. Zijn uiteenzetting over wat tegenwoordig het sacrament van de verzoening heet, is daar ook een duidelijke demonstratie van. Na een korte inleiding over het ontstaan en de ontwikkeling van dit sacrament tot in de Middeleeuwen komt hij al snel te spreken over wat hij de grote crisis noemt van de afgelopen halve eeuw. Alle kerkelijke documenten uit de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie (1963-’66) vertonen tekenen van zwakte. Paus Johannes Paulus II moet in 1984 constateren dat het zondebesef over het algemeen veel te wensen overlaat. Men vindt dat voor vergeving kerk en priester overbodige bemiddeling zijn, en dat men rechtstreeks met God kan onderhandelen. Dat Jezus zijn apostelen ooit de macht tot vergiffenis van zonden schonk, en dat zulks ook geldt voor hun opvolgers, schijnt uit het geheugen te zijn gewist. Degenen die dan nog wel de biechtstoel betreden, beschouwen het sacrament als een routine handeling, zonder blijk te geven van overgave. Wat we zien, is een verduistering van het geweten. Of anders gezegd, het geweten is gereduceerd tot een persoonlijk gevoel. Verdwenen is de algemene normering van buitenaf. De gevoelsmens vertrouwt roekeloos op Gods barmhartigheid, zonder rekening te houden met Gods rechtvaardigheid. De aldus geschetste mentaliteit werkt ook door in een gebrekkige catechese en in een prediking waar liever niet wordt gerept van zonde. De gelovigen hebben bemoediging, schouderklopjes nodig. De jaren zestig liepen over van optimisme. De wereld was zo slecht nog niet, de mens deugde.

“Doodzonde” was het allerlaatste wat spoorde met aanpassing aan de “moderne tijd” . Dat God ook straft, verdrong men. Hel en vagevuur gingen door voor achterhaalde begrippen. Paus Johannes Paulus II stelt in 1993 (in zijn encycliek Veritatis Splendor) dat men niet om de Geboden heen kan, dat de priesters ze moeten voorhouden, ook al lopen de mensen weg. De christelijke leer dient in haar geheel te worden aanvaard. Barmhartigheid en rechtvaardigheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Nog later, in 2012, benadrukt de paus dat de (noodzakelijke) verlossing van de zonden gelijk staat aan bevrijding uit hun slavernij. Je kunt het niet zelf met God regelen. Vergiffenis kan alleen via de priester, via de Kerk.

Drie vereisten kenmerken een goede biecht: berouw, belijdenis en penitentie. Berouw impliceert om te beginnen afschuw van de zonden; een volmaakt berouw komt voort uit liefde, uit verdriet jegens Gods goedheid te kort te zijn geschoten; een onvolmaakt berouw komt voort uit vrees voor straf. Belijdenis houdt in dat men persoonlijk al zijn zonden en tekortkomingen erkent, met naam en toenaam en frequentie en omstandigheden (dus geen vaagheid of algemeenheden). De penitentie is het weer goed maken van de overtredingen in geval anderen daar schade van hebben ondervonden; wanneer het alleen de eigen persoon betreft, volstaat uitvoering van de opdracht die de biechtvader oplegt, vanaf het opzeggen van gebeden tot en met het volgen van de kruisweg, afhankelijk van de zwaarte van de zonden. Strafvermindering, in geval van zeer ernstige vergrijpen, kan gepaard gaan met kwijtschelding middels aflaten, bv. pelgrimage, of een geldelijke schenking. De aflaat kan ook dienen tot verzachting van het lot van zielen in het Vagevuur, maar niet voor nog levende personen.

De doodzonde, ofwel wat intrinsiek slecht is (abortus, tegennatuurlijke seks…), veronderstelt dat men die willens en wetens begaan heeft, in volledige vrijheid, zonder dwang. Daardoor verliest men de heiligmakende genade, ofwel de staat van genade. Doodzonden biechten is verplicht, en liefst zo snel mogelijk. Dagelijkse zonden veroorzaken geen breuk met God; ze regelmatig biechten biedt hulp op weg naar de volmaaktheid.

Biechten hoort men minstens 1 x per jaar, en wel om de verplichte paascommunie te kunnen ontvangen.

“Gedeeltelijk biechten” is onzin. Samenhokkers, homoparen, gescheiden hertrouwden leven in een zondige staat, en die staat accepteren en van daaruit incidentele mankementen belijden, geldt niet.

Biechten doet men liefst in kerk of kapel tegenover een priester, en niet in een kamer of ergens anders, tenzij in noodgevallen. De biecht is geen pastoraal gesprek, maar een sacrament ten behoeve van gewetensvorming.

Om het geweten te onderzoeken is de zogeheten Biechtspiegel een voortreffelijk hulpmiddel. Daarin komen alle zonden met hun denkbare variaties en nuances aan de orde, gespiegeld aan de Tien Geboden, de Geboden van de Kerk, de Zeven Hoofdzonden en de Plichten in verband met beroep en status.

de voorzitter

DE EUCHARISTIE IN DE KUNST

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

15 oktober 2016

GYULA SOMOS, Hongaars kunstschilder, toont in zijn eigen werk tal van religieuze motieven. Ook de Eucharistie heeft hij vorm gegeven, o.a. in muurschilderingen in een kerk van zijn geboorteplaats.

Hoe dit grootste sacrament van de katholieke Kerk schittert op afbeeldingen uit de vroegste tijd, de late Middeleeuwen en de Barok tot in onze tijd vormt het onderwerp van zijn voordracht. Onverwachte, maar herkenbare symbolen verrassen de toeschouwer. Zo zien we in de eerste eeuwen een mozaïek met daarop een kelk waarin zich een vis (Christus) bevindt en waarbuiten vissen zwemmen die de gelovigen voorstellen. Uit dezelfde tijd is naast de vis een mandje met broden te zien die naar het lichaam van Christus verwijzen. Van iets later dateert een voorstelling met broden waaromheen de gelovigen zijn uitgebeeld als vogels. Nog verrassender oogt een pauw die uit een door vissen omringde kelk drinkt, of een platte rechthoekige steen waarop pauwen drinken uit een kelk omringd door druiventrossen en graankorrels waaruit Christus oprijst, verwijzend naar diens bloed en lichaam (achtste eeuw).

In de Middeleeuwen treffen we Christus als hogepriester die de communie uitreikt aan zijn leerlingen in de zaal van het Laatste Avondmaal. Elders staat op een andere afbeelding een kruis in combinatie met een altaar met onder het kruis een feniks, de vogel die uit zijn as herrijst. Op weer een ander schilderij staat Christus aan het altaar in de gestalte van de oud Bijbelse priester-koning Melchizedek. Op een laat middeleeuws schilderij zien we uit de voeten van Christus korenaren en wijnranken groeien. In een kerk te Antwerpen verrast een afbeelding van de zeven sacramenten met de Eucharistie als het belangrijkste (van Rogier van der Weyden). Op een schilderij uit dezelfde eeuw bedient Christus zelf de wijnpers. Heel bijzonder is een voorstelling waarop een vrouw het bloed uit de zijde van Christus te drinken krijgt om het huwelijk te benadrukken tussen de Godmens en zijn Kerk (Hildegard van Bingen). De Kerk is ook te zien onder het kruis als uitdeelster van de Eucharistie aan de mensen, terwijl het water dat uit de zijde van Christus vloeit de doop voorstelt. Nog ouder is het beeld van een Christus aan het kruis met daaronder een uit zijn graf oprijzende Adam die de mens belichaamt. Soms zien we in plaats van Adam engelen die het bloed van Christus opvangen, of een Kerk die uit de zijde van Christus geboren wordt, zoals Eva wordt geschapen uit de zijde van Adam. Uit de vijftiende eeuw dateert een Maria met Jezus en een navelstreng die de band uitbeeldt tussen God en mens. Maria personifieert de Kerk die de hosties verstrekt.

Een aparte categorie vormen de Levensboom en de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad die soms verstrengeld voorkomen als de Paradijsboom. In die boom zijn zowel vruchten als schedels, of Maria naast Eva. De vruchten geven zowel het leven als de dood. De slang kronkelt om de boom met een Eva die naar de appels reikt, terwijl Maria hosties uitdeelt. Ergens anders op een afbeelding is God te zien met Adam en druiven die de verlossing voorafbeelden.

De kelk kan plaats maken voor de legendarische Graal, waarin het koninklijk bloed (Sang Real) van Christus. Het is de schaal waarin Nicodemus of Jozef van Arimathea het bloed zou hebben opgevangen dat uit de goddelijke zijde welde. In de tijd van koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel, zoals te lezen bij Thomas Malory en Chrétien de Troyes, gingen beroemdheden als Lancelot en Percival en andere krijgsheren op zoek naar dat heilige voorwerp dat eeuwig geluk beloofde. Het vinden ervan was afhankelijk van de innerlijke staat van de zoeker. De staat van genade was doorslaggevend voor een succesvolle afloop. Dat de Graal alles te maken heeft met de Eucharistie, laat zich raden.

In plaats van de hostie is soms Christus zelf te zien, als om aan te tonen dat de Eucharistie moet worden opgevat als fysieke werkelijkheid. Van rond 1500 is een Christus in de wijnpers, terwijl uit zijn zijde in plaats van bloed, hosties komen. Christus kan ook oprijzen uit een kelk die als een fontein of levensbron is voorgesteld. Of ook bevinden zich rond een in de wijnpers staande Christus de kerkvaders die het goddelijk bloed verzamelen en uitdelen. Of naast Christus is een kelk in de vorm van een druiventros, met daaromheen heiligen, de paus, kardinalen, bisschoppen en mensen die uit alle windstreken toestromen. De kelk als doopvont refereert aan het water dat, naast het bloed, uit de zijde van Christus ontspringt. Nog onverwachter is een kelk met een Christus die daarbinnen drijft in zijn eigen bloed. Uit de kelk kan een boom oprijzen die een kruis voorstelt waaromheen een wijnrank kronkelt, die mede een voorafschaduwing is van de boom van Jesse waaruit via David de Verlosser voortkomt (zeventiende eeuw, uit de sfeer van de jezuïeten). Van de achttiende eeuw dateert een Jezus zittend op een steen met kelk en achter zich een kruis en een wijnrank, terwijl Hij zelf de druiven perst voor de wijn in de kelk.

Uit de periode van de Barok is een met bloed vollopende kelk waarboven een kruis op een bloedende hostie. Van vroeger datum is een bloedende hostie (Dijon,1440), met in de hostie een Jezus Christus als Pantokrator die omhoog gehouden wordt door twee engelen.

Naast oude voorstellingen, geeft Gyula Somos nog enige beelden uit onze tijd, onder andere van hemzelf.

de voorzitter

HET KATHOLIEK HUWELIJK door Ton de Kok

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

17 september 2016.

Ik heb met genoegen de uitnodiging aangenomen om hier iets te komen vertellen over mijn bevindingen als katholiek advocaat gedurende een practijk van 43 jaren.

Opmerking vóóraf.

Wat ik hier ga zeggen, heeft niet de bedoeling om U iets nieuws te brengen. Wie als practiserend Katholiek getrouwd is, die weet alles al over het huwelijk. Maar het is mijn bedoeling om alles, wat het Katholiek huwelijk betreft, onder woorden te brengen.

Misschien is dit nuttig voor die ouders, die hun kinderen positief willen beïnvloeden en iets ven de quintessens van ons geloof bijbrengen, nu dit niet meer op school gebeurt.

Misschien zijn er hier zelfs ouders met volwassen kinderen, die de leeftijd hebben om binnen afzienbare tijd aan het stichten van een eigen gezin toe zijn. Ik hoop, dat ze dit dan doen als oprechte christenen en ook waarde zullen hechten aan de rijkdom, die in de woorden van het Evangelie verscholen liggen.

Dan volgt hier mijn voordracht.

Mijn onderwerp vanmorgen is dus het huwelijk. Ik vind het nodig om hierover iets te zeggen, want zoals het nu gaat, kan het niet langer. Het lijkt wel, alsof men helemaal niet meer begrijpt, wat het huwelijk is en nauwelijks meer, wat een katholiek huwelijk is. Maar dit echte Katholieke huwelijk is vandaag mijn onderwerp. Dit is nodig, omdat de Kerk kennelijk met de invulling en voorlichting hierover nogal verlegen is.

Tegenwoordig zijn echtscheidingen zó gewoon geworden, dat ze ook onder katholieken geen uitzondering meer zijn. Heel dikwijls neemt men niet eens meer de moeite om te trouwen, men trekt gewoon bij elkaar in. Er is een tijd geweest dat men toen sprak van “samen hokken” en het was een grote schande om ongehuwd samen te wonen.

Ik kan mij herinneren, dat wij eens met mijn vader langs een bepaald huis reden en dat mijn vader toen zei: daar wonen heel slechte mensen, daar waren twee echtparen en die hebben van vrouw gewisseld en die zijn daar gewoon mee door gegaan.

Maar het is niet goed te praten, deze quasi moderne ontwikkelingen zijn absoluut tragisch en zelfs verderfelijk, vooral voor de kinderen. En wie als christen tot een echtscheiding komt, die gaat daarna ook niet meer naar de Kerk en die is zo goed als zeker voorgoed het pad ingeslagen dat leidt naar onkerkelijkheid, ongelovigheid, agnosticisme en dikwijls zelfs atheïsme.

Tijdens mijn actieve jaren als advocaat werd ik al vanaf het begin geïntrigeerd door het fenomeen “het huwelijk”. Het staat vast, dat de wetenschap in gebreke blijft een goed antwoord te geven op de vraag “waarom zijn er huwelijken, die zo snel mislukken, soms al heel snel binnen een paar jaar tijd, terwijl er ook genoeg huwelijken zijn die een leven lang duren, tot zelfs 60 of 70 jaar lang”.

Zou iemand daar een goed antwoord op zou kunnen geven, dan zou hij daarmee de mensheid een grote dienst kunnen bewijzen. Ikzelf heb vanaf het begin geprobeerd om hier een goed inzicht in te krijgen en ik meen, dat ik er in geslaagd ben. Ik was in de unieke gelegenheid om veldwerk te doen, omdat ik regelmatig als advocaat werd toegevoegd aan cliënten in scheidingszaken.

Waarom gaan mensen trouwen? Er zijn allerlei motieven om een huwelijk aan te gaan. Financiële overwegingen, om het uitsterven van de familie te voorkomen, om kinderen een legale status te geven, om de familie-eer te redden, om er financieel op vooruit te gaan. Een heel belangrijkste reden is vanwege een sterke wederzijdse fysieke en/of geestelijke aantrekkingskracht (verliefdheid). Maar gelukkig is de allerbelangrijkste toch wel echte liefde. Maar de grote vraag is “wat is liefde”? En daarna komt de vraag: “hoe lang duurt die liefde” ?

Welnu, op deze vragen is het de Kerk, die daar een antwoord op weet te geven. Het is vanuit het Evangelie, dat de woorden en daden van Christus bevat, dat wij de Liefde kunnen begrijpen. Als ooit van Liefde sprake is, dan toch zeker door het leven en werken van onze Heer.

Het is Jezus Christus geweest, die ons met zijn Openbaring de ogen heeft geopend en ons de nodige kennis en inzicht heeft verschaft om tot zuiver begrip van de mens te komen, in het bijzonder de relatie tussen mensen. Welnu, de meest ultieme relatie is toch wel de liefdes-relatie tussen twee echtgenoten !

Ik denk dat de meeste huwelijken wel in liefde zijn begonnen, dat de echtgenoten werkelijk van elkaar hielden. Maar het is meestal de eigenliefde, die een bedreiging voor het geluk vormt.

Wie de leer van Christus als zijn leidraad in het leven aanneemt, die leert van Hem juist onzelfzuchtigheid. Deze vormt de werkelijke kern en de diepste grond van echte of ware liefde. Onze Kerk erkent dat en heeft het huwelijk daarom niet voor niets de hoge status gegeven van “sacrament”.

Hier komen we aan wat ik de kern van de Goddelijke Openbaring pleeg te noemen. Ik vat die kern graag samen met de uitdrukking “de Goddelijke paradox”. Wat die zegt vat ik samen met eenvoudige woorden: wie zijn geluk zoekt zal het niet vinden, maar wie het zoeken en vinden van zijn geluk overlaat aan de Voorzienigheid, die zal echt gelukkig en rijk gezegend worden.

Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden (Matth.16: 25).

Ook zei Jezus :

Zo kan niemand van U mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit (Lucas 14:32).De paradox is dus, dat je niet moet zoeken om je eigen geluk te bewerken, maar dit aan de Vader moet overlaten. Ook het volgende uit de bergrede dient te worden overwogen:

Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult;

Ziet de vogelen des hemels, zij zaaien niet, zij maaien niet, zij verzamelen niet in schuren; uw hemelse Vader voedt ze; gaat gij dezelve niet veel te boven?

En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Ziet de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is gekleed geweest, zoals een van deze. Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?

Daarom zijt niet bezorgd, al zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen nodig hebt. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth 6: 24 – 28).

En dit was geen fabeltje, dit was niet ludiek maar werd heel letterlijk bedoeld en in alle ernst gezegd! Wie deze uitspraken serieus aanhoort, die komt echt voor een dilemma te staan.

Deze uitdaging om niet langer op je eigen geluk uit te zijn, is een zware beslissing. Diegene, die hiermee wordt geconfronteerd, die lijkt voor een donkere afgrond te staan. Niemand kan er de consequenties van overzien, als je deze uitdaging aanneemt. Het lijkt een sprong in het duister. Maar wie op het woord van Jezus vertrouwt, waar hij heeft gezegd:

Mijn juk is zacht en mijn last is licht (Matteüs 11:28-30)

die zal zien, dat je niet bang hoeft te zijn hem te volgen. Het citaat is wel in een ander verband gezegd, maar algemeen toepasselijk op alles, wat hij ons voorhoudt.

Het is de tragiek van het hele Christendom, dat men deze woorden van Christus nooit heeft begrepen, laat staan heeft aangenomen. Men heeft, zover ik mij herinner, daar altijd lacherig over gedaan. Maar dit werd door Christus in diepe ernst gezegd!

Als iemand in het huwelijk dit totale altruïsme, deze onthechting, laat gelden, dan zal dit echte onzelfzuchtigheid zijn, die niet gericht is om langs een omweg iets voor je eigen geluk te bekokstoven, maar een werkelijk en bewust afzien van je eigen geluk na te streven. Maar wie het overlaat aan de Voorzienigheid, die zorgt dat je werkelijk niets te kort komt.

Als iemand, die gaat trouwen glunderend zegt “wat zullen wij gelukkig zijn”, dan heb ik het bange vermoeden dat bedoeld wordt “wat zal ik gelukkig zijn” en dat bewijst dan weer, dat betrokkene er niets van begrepen heeft.

Onzelfzuchtigheid betekent “wel alles accepteren en waarderen wat naar jou toekomt en wat je wordt aangeboden”. Het goede, dat jou wordt toegemeten, dat mag je van harte aanvaarden en ervan genieten.

Maar je moet niet diep in je hart ontevreden zijn, als je niet de grootste biefstuk krijgt, om maar een voorbeeld te noemen. Ik noem dit om het duidelijk te maken, “radicale onzelfzuchtigheid”. Precies, zoals Jezus dat duidelijk maakte. Je bent pas blij en tevree als de ander blij en gelukkig is.

Wat je voor het laten terugtreden van “het ik” terugkrijgt, is met geen pen te beschrijven. Wat ontstaat is een diepe vriendschap tussen de geliefden en een totaal-vertrouwen. Ze worden echte “buddy’s”, die door dik en dun gaan voor elkaar en daar komt niemand tussen, ook niet de stoeipoes-secretaresses in het bedrijf of op het kantoor.

Dat is het gevolg van het aanvaarden van wat Jezus Christus voorstond: wie zó leeft, is al in het Rijk Gods aangekomen. Maar let wel, je moet je leven alsof er geen Voorzienigheid is, maar wel danken voor de hulp als je het er weer eens “goed van hebt afgebracht”.

Het zal dan de echtgenoten ook helemaal niet moeilijk vallen om een warm contact met andere gelovigen te houden in het wekelijkse bezoek aan de Kerk, integendeel het is een verademing om regelmatig met gelijkgezinden om te kunnen gaan en om de goeie zaak (de Kerk) te steunen.

Ik heb in mijn practijk geconstateerd, dat iedere scheiding van wat als een goed huwelijk van gelovige mensen begon, langzamerhand vastliep als ze ook wat het Kerkbezoek betreft de kantjes er af gingen lopen en tenslotte helemaal niet meer naar de Kerk gingen.

Als de twee echtgenoten niet kunnen loslaten en het gevoel niet kunnen onderdrukken, dat zij “tekort komen”, als zij niet kunnen toegeven, als zij hun eigenbelang niet de baas zijn, dan komt het op den duur tot ruzie maken en tenslotte kunnen ze elkaar (met hun eigenaardigheden) niet meer uitstaan.

Maar een goed huwelijk is gebaseerd op de inzichten, die wij hebben gekregen in de leer van Jezus Christus, die hij expliciet heeft voor-geleefd, tot en met de kruisdood toe:

Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb. Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden (Joh. 15: 10-13).

Voorzichtigheid geboden

Op meerdere plaatsen heeft Jezus ons gewaarschuwd. In Mattheüs 26:41 lezen wij de woorden van Jezus zelf, waar hij zegt “Wees toch op je hoede en bid. Anders zal de verleiding je te sterk worden. De geest is gewillig, maar het lichaam is zwak”. Ook de apostel HC Paulus zegt in 1 Kor. 10:12-22 “wie staat, zie toe dat hij niet valle”.

Wie sober, onthecht en onzelfzuchtig is, die blijft toch altijd het gevaar lopen dat door een kleine menselijke fout een barst komt in zijn/haar goeie voornemens. Maar wie echt begrepen heeft, waarom het gaat, die zal slimme aanvallen op zijn hoge positie gelukkig best wel gauw in de gaten hebben.

De Voorzienigheid

Gelukkig staan de echtgenoten er niet alleen voor. Wij hebben een machtige helper in de vorm van de Voorzienigheid, want Christus heeft ons niet alleen fundamentele kennis gebracht, hij is ook bij ons gebleven en staat ons dagelijks bij door zijn Geest, die wij graag de Goddelijke Voorzienigheid noemen. Hij geleidt ons door ons hele leven en staat ons bij in moeilijke tijden. Populair spreken wij van onze “Engelbewaarder, maar in werkelijkheid is het de Voorzienigheid zelf, die over ons waakt.

Maar hierin zit het probleem: zijn Geest is voor ons niet waar te nemen doordat deze niet zichtbaar is. Zijn hulp & bijstand zijn dikwijls ook moeilijk waarneembaar. Daarom wordt er zo weinig geloof gehecht aan zijn beloften. Maar de “wonderen”, die iemand persoonlijk beleeft, vormen een krachtig bewijs voor wat wij “de Goddelijke Voorzienigheid” noemen.

Ik heb zojuist een boek geschreven, waarin ik 35 wonderen beschrijf, die ik persoonlijk heb mogen meemaken en ondervinden. Ik heb het boek genoemd “Wonderen leveren het bewijs”. Ik hoop hiermee aan te tonen, dat de Voorzienigheid niet een abstract gegeven is, een stuk theorie of noem het maar een stuk theologie, maar dat God in zijn Voorzienigheid zich met iedere individuele gelovige actief bemoeit. De wonderen leveren bewijs van de werkelijkheid en de activiteit van de Goddelijke Voorzienigheid.

De door mij beschreven wonderen vonden plaats op allerlei terrein. Zowel hulp bij onze beroepskeuze als hulp toen wij verdwaald waren op het platteland in Frankrijk. Of hulp bij de gunstige verkoop van ons huis. Ook mijn redding tijdens de oorlog dank ik aan de Voorzienigheid.

Maar God kent hierbij wél één beperking, Hij laat iedere mens vrij. Als die dan niets van Hem wil weten, dan zal ook God hem/haar vrij moeten laten. Dan Zal de Voorzienigheid ook niet kunnen ingrijpen.

Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat alles en iedere stap in je leven door de Voorzienigheid worden geregisseerd, pech en voordeeltjes zullen gewoon blijven voorkomen, maar altijd in je leven en vooral op cruciale momenten mag je rekenen op hulp van de Voorzienigheid. Zo hebben wij met de hulp van de Voorzienigheid een fatale kettingbotsing op de autoweg kunnen overleven zonder één schrammetje, terwijl onze auto total loss was.

Onzelfzuchtigheid in het huwelijk.

Deze is de grondslag en de kern van het huwelijk, maar eigenlijk van alle sacramenten. Ook het celibaat. Daarom is volgens mij het celibaat een wezenlijk onderdeel van de priesterwijding. De pas gewijde meestal jonge priester wijdt zich tot de Kerk met afwijzing van zijn natuurlijke verlangen tot het stichten van een gezin. Dit is een geweldig offer, dat ook geweldig beloond wordt. De afstand tussen het Priesterschap en het huwelijk is overigens niet groot, zij zijn eigenlijk verwant.

Ik sprak al eerder van edelmoedigheid en onzelfzuchtigheid in het huwelijk. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Ik noemde hierboven al enkele situaties. Ik wil hier graag heel concreet zijn. Een van de belangrijkste elementen is het rekening houden met de concrete toestand van de ander. Als je de ander kunt helpen, doe dat dan en zonder mopperen, al komt dat slecht uit. Ook al ben je net bezig een film op tv te bekijken, als je vrouw vraagt haar te komen helpen met een of andere zware huishoudelijke klus dan laat je alles liggen om haar onmiddellijk te helpen.

Je klaagt nooit over wat dan ook, maar pakt direct aan zonder rekenwerk, of de taken zogenaamd eerlijk verdeeld zijn. In de liefde zijn “eerlijkheid en rechtvaardigheid” gewoon taboe. Als het gaat om het omdoen van een schone luier, dan pak je de klus aan en je vraagt niet of je “aan de beurt” bent. Als hij of zij zich op enig moment te moe of niet gedisponeerd voelt voor intimiteit, dan heeft de ander daar alle begrip voor.

Hoe ga je te werk ? Net als admiraal Spoor, toen hij moedig de Jappen tegemoet voer in 1942 en daarbij tot zijn mannen zei “ik val aan, volg mij”. Aanpakken dus en niet wachten tot je gevraagd wordt.

Dankbaarheid

Zolang je leeft blijf je dankbaar jegens je man/vrouw die jou heeft toegelaten in zijn/haar leven en dat mag je dan ook dikwijls die ander laten weten, door de ander leuke aardige dingen te zeggen en ook door voor die ander klaar te staan. Maar je moet nooit op die dankbaarheid van de ander uit zijn en nog minder op de dankbaarheid van de ander te rekenen of te wachten. Door die ander gelukkig te maken, zal die ander dat geluk ook werkelijk gaan uitstralen: gelukkige mensen zijn ook mooie mensen door een positieve uitstraling !

Beide geliefden doen ook alles samen, zoveel zij kunnen en hebben voor elkaar geen geheimen. Je kunt gewoon niet ergens van genieten als je hartsvriend(in) daar niet óók van kan genieten. Maar het is belangrijk, dat beiden elkaar dit laten weten door woord en gebaar ! Een compliment aan de ander doet wonderen, of het nu over het eten koken of over wat anders, het elkaar bevestigen is zó belangrijk !!!

Op zondag naar de Kerk.

In het gelukkige huwelijk zijn beiden zich bewust, dat O.L.H. met zijn Voorzienigheid altijd op de achtergrond aanwezig is. Moeder Teresa zei eens heel snedig “people that pray together stay together”. Bij ons thuis zei mijn vader altijd, als wij naar het ontbijt kwamen “heb je O.L.Heer al bedankt voor een goeie nachtrust?”.

Ook moet je de kinderen al vanaf heel jong het bidden aanleren, ook kleine zogenaamde “schietgebedjes”, waarvan tegenwoordig niemand het bestaan meer kent, je hoort er tenminste nooit meer over.

Over de ware onontbindbaarheid

Onze Kerk leert, dat het huwelijk onontbindbaar is en onverbrekelijk. Dat is natuurlijk terecht, het is een geloofswaarheid. Maar liever zie ik die onontbindbaarheid als een gunst van de Voorzienigheid, als een beloning die jou toevalt, als je in de Geest van Jezus Christus samen je leven deelt. Als je iedere dag beleeft als intieme vrienden, dan wil je niet van elkaar af. Dat is echte onverbrekelijkheid. Jullie zijn dan werkelijk “onafscheidelijk” verbonden en doen & genieten zoveel mogelijk alles samen. Dat is leven in het Rijk Gods, de Hemel op aarde. Je kunt mensen wel verbieden om te scheiden, maar zonder hulp van boven is dat een onuitvoerbare opdracht.

Het is niet onmogelijk, dat ongelovige mensen bij elkaar blijven, maar dat is dan in de regel uit armoede, angst om alleen te zijn etc. Maar een gelukkig huwelijk is dat niet. De twee zullen of doorlopend ruzie maken of in dodelijk zwijgen vervallen. Naturam expellas furca tamen usque recurret zeiden de Romeinen.

Tenslotte.

Het echte, ware gelukkige huwelijk is pas door de leer van Jezus Christus mogelijk geworden. Door het afzien van overdreven gedachten aan komend geluk, of laten wij zeggen door het voorshands aanvaarden van wat de Voorzienigheid op je pad legt, leg je de grondslag voor het echte, het ware geluk, waarvan je tevoren nooit had kunnen of durven dromen.

Bij de oude Romeinen was het huwelijk een verstandsmatige regeling van financiën, afstamming en machtsverhoudingen. Voor het voldoen aan eigen sexuele behoeften hadden zij slaven en prostituees, ik denk dat fijne erotiek voor hen al een brug te ver was.

Maar het goede huwelijk van echte gelovige christenen en met name eerlijke Katholieken is een gelukkig huwelijk en wordt door de Voorzienigheid wel degelijk beschermd en zal nooit tot echtscheiding leiden. Daar is geen enkel kerkelijk gebod of verbod voor nodig. Integendeel, door het jonge paar dwingend voor te houden “denk er om, jullie kunnen nooit meer van elkaar af” verziek je de sfeer en maak je beiden wantrouwig, onrustig en eigenlijk ongelukkig. Je veroorzaakt hiermee zó al de eerste barst in hun huwelijksgeluk.

PERMAFROST

Tom Zwitser

21 mei 2016

“Permafrost” betekent bevroren ondergrond of een soort ijstijd, en is in onderhavig geval bedoeld als beeld van de “koude oorlog”. Die begon niet pas in 1947, zoals men vaak aanneemt, maar al direct na de Grote of Eerste Wereldoorlog van 1914-1918. Permafrost impliceert “geopolitiek”, de uitbreidingsdrift in moderne vorm van met name het Britse Imperium. Zo ongeveer luidt de diagnose van Tom Zwitser, filosoof en vormgever, die over het onderwerp een trilogie voorbereidt.

Sinds de val van de Berlijnse Muur in 1989 dacht men het einde van de toenmalige koude oorlog te beleven, maar in de decennia erop volgend liet Europa, of liever de EU, zich op sleeptouw nemen door de mondiale ambities van Washington. Doordat de EU, mede aangezwengeld door de Amerikanen, uitbreiding zocht naar het oosten, naar de Oekraïne, Irak, Syrië, kwam er een confrontatie met Rusland, en ook die is welbewust uitgelokt door de geopolitieke doelstellingen van het Westen. Daarmee is de koude oorlog terug van even weggeweest. Eigenlijk zijn, zegt Tom Zwitser, Oost en West sinds 2014 verder van elkaar verwijderd dan ooit tevoren.

Het Noord Atlantisch verband krijgt dagelijks zijn zelfbeeld ingewreven door de media, die een superioriteitsgevoel propageren ten aanzien van de zogenaamde achtergebleven regionen van de mensheid. De gemanipuleerde massamensen wanen zich in een bevoorrecht leefklimaat. Tot in de negentiende eeuw bewoonde men een landschap, op een concrete plaats en omgeven door een duidelijke horizon. Tegenwoordig denkt men niet meer vanuit de plek maar vanuit de grens. Zo dwingt de nieuwe werkelijkheid tot denken in politieke termen.

De strategie van Londen was er tijdens de Eerste Wereldoorlog op gericht om de oude rijken – het Duitse, Oostenrijk-Hongaarse en Tsaristische rijk – tegen elkaar op te zetten en vervolgens als buit te verdelen. Engeland deelde samen met Parijs het Midden Oosten op in een aantal kunstmatige staten zonder rekening te houden met religies, stamverbanden en andere plaatselijke tradities. De Arabieren werd voor hun aandeel in de oorlog tegen Constantinopel een kalifaat in het vooruitzicht gesteld, de Armeniërs een Groot Armenië, de Koerden een Koerdistan, de Grieken een deel van Turkije en de Italianen zouden Anatolië krijgen. Deze beloften mondde uit in verschrikkelijke slachtingen, gemotiveerd door grotesk nationalisme bij alle partijen, met dat doel aangewakkerd door de Frans-Engelse geopolitiek. Het Midden Oosten werd vanaf 1917 geplaagd door conflicten, tussen gewapende vrede en koude oorlog die tot op heden voortduren. In plaats van de oude rijken kwamen staten met kleinschalig nationalisme, alsmede de sovjets.

Die geopolitieke belangen worden in onze tijd vertegenwoordigd door Amerika en haar NAVO partners. De westerse maatschappijen in het tijdperk van Permafrost ontberen een tastbaar middelpunt en een omtrek. Hun inwoners bestaan als het ware aan de rand van zichzelf, als inwendig verdeelde en ontwortelde wezens. De energie onder de diep bevroren grond vindt geen uitweg naar boven. Permafrost bevriest de cultuur, het sociale leven en de ziel.

De “Wereld van gisteren”, zoals Stefan Zweig de wereld van voor 1914 typeerde, verschilt van de wereld van vandaag, waarin we sinds die tijd leven. Dat jaar is een definitieve breuk. In de wereld van vandaag leeft men geïsoleerd van elkaar, koel, als eenlingen die alleen nog de ruimte delen. Niets anders bindt ze, ieder sociaal gevoel is bij gemis van de natuurlijk menselijke warmte afwezig.

Geopolitiek zet volkeren tegen elkaar op onder het mom van een messianistische missie die de planeet pretendeert te verlossen van achterlijke gewoonten en die uit is op het beheersen van mensen, volkeren en landen overal ter wereld.

Permafrost omvat geopolitiek als een Koude Oorlog die naar twee richtingen tegelijkertijd gevoerd wordt: naar binnen en naar buiten.

de voorzitter

NATUURWETENSCHAP EN GELOOF

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

16 april 2016

Kan een natuurwetenschapper een gelovige zijn? Daan van Schalkwijk, bioloog, komt aan het Amsterdam University College onder de studenten bijna geen gelovigen tegen. Zelf had hij vroeger ook vooroordelen tegen het geloof, totdat hij op reis naar Rome tijdens de jongerendagen ontdekte dat gelovigen allesbehalve saai of hypocriet zijn. Hij ontmoette een franciscaan uit Assisi die een gelukkige en geloofwaardige indruk maakte, en na terugkeer in Amsterdam werd hij door een reisgenoot geïntroduceerd bij Leidenhoven, een huis gerelateerd aan het Opus Dei. Sindsdien staat hij op het standpunt dat godsdienst en wetenschap best kunnen samengaan. Maar waarom? En hoe? Omdat de Bijbel en het Boek van de Natuur elkaars complementen zijn. Het probleem zijn onze denkfouten.
Waarom is het belangrijk dat Geloof en Rede gezamenlijk optreden? Om geen gespleten persoon te worden. Grote natuurwetenschappers als Einstein, Bohr en Heisenberg dachten verder dan hun zuiver wetenschappelijke onderzoekingen. Er zijn diepere verklaringen, samenhang is waar het om gaat.
Evolutie is een meerzijdig begrip. Er is een ontwikkeling van eenvoudig naar complex; er is een toevallige variatie met natuurlijk selectie die richting geeft; en er is het idee dat mensen voortkomen uit dieren zonder dat God daaraan te pas komt. Deze drie worden vaak door elkaar gehaald. Alleen met het eerste punt en gedeeltelijk met het tweede is bioloog Van Schalkwijk het eens. Het derde punt, dat mensen voortkomen uit dieren zonder bovennatuurlijke interventie, wijst hij af, want God schept immers de menselijke ziel van ieder persoon.
De theologische kant van de zaak betreft het lezen en begrijpen van de Bijbel. Neem je Genesis letterlijk als schepping in een tijdsbestek van dagen, zoals de dagen van de week, dan gaat de gelovige bioloog daar niet in mee. Anderzijds is het evolutionisme of een puur naturalistisch wereldbeeld eveneens onhoudbaar. Het zijn de atheïsten die Darwin misbruiken om het scheppingsproces van God naar de prullenbak te verwijzen. Darwin zelf hield zich, als agnosticus, op de vlakte.
De Bijbel is geen natuurwetenschappelijke verhandeling. Genesis gaat vooral over het “waarom” van de schepping, veeleer dan over het “wat”. De opgaande lijn van vorm uit het vormeloze in de Bijbeltekst betreft de liefdesrelatie van God met de mens.
Het probleem is niet het natuurwetenschappelijk onderzoek, maar de filosofie. De filosofie die voortkomt uit de conclusies en de theorieën die uit het zuiver onderzoek worden afgeleid. En die dan zijn bedoeld om de redelijkheid van de godsdienst onderuit te halen. Maar geestelijke werkelijkheden kun je niet meten, tellen of wegen.
Van Schalkwijk houdt zich bezig met “systeembiologie” in relatie tot “natuurfilosofie”. Een belangrijk beginpunt voor de Systeembiologie is het “menselijk genoomproject”. Het genoom wil zeggen: al het genetisch materiaal dat zich in de cellen van mensen bevindt; door het menselijk genoomproject is dat nu bekend. Daardoor weet men, bv., steeds meer over ziekten, en die zouden dan kunnen worden genezen. Het idee erachter bij de optimisten is dat dan alle ziektes worden overwonnen. Blijft over de dood.
Het hele leven willen verklaren door het “gen” is puur illusie. Zelfs als we de bouwstenen kennen – we hebben ongeveer 20.000 genen – waaruit de mens is opgebouwd, weten we niet alles. “Systeembiologie” is het vertalen van genetische informatie naar functie. Maar het belangrijkste is integratie, samenhang in wat de wetenschap ontdekt heeft. Analyse heeft synthese nodig. En de biologie heeft zich lange tijd te veel alleen op het eerste geconcentreerd.
Daan van Schalkwijk heeft zeven jaar gewerkt aan een wiskundig model voor cholesterol, en daar is hij op gepromoveerd. Maar diagnostiek is niet genoeg. Er is een veelheid van oorzaken die gekend moeten worden om allerlei ziektes te verklaren. Waar we naar toe moeten is een centraal stellen van de persoon, van het afstemmen van medicijnen en therapieën op elke individu afzonderlijk. In complexe ziekten als Obesitas in kinderen spelen daarnaast interpersoonlijke relaties een belangrijke rol.
Hoe dan ook, we willen geen gespleten persoonlijkheid worden door Geloof van Wetenschap te scheiden. Daarvoor is het nodig een completer wereld- en mensbeeld te ontwikkelen vanuit een filosofie die openstaat voor de volheid van de realiteit. Dit project zal volgens van Schalkwijk ten gunste komen van gelovige wetenschappers, maar ook de ontwikkeling van de natuurwetenschap zelf, en de maatschappij als geheel.
de voorzitter

ZALIGE TITUS BRANDSMA

Marlene Falke-de Hoogh

GOED VOORBEELD DOET VOLGEN
19 maart 2016

Onder die titel schetst Marlene Falke-de Hoogh, verbonden aan de eerste orde van de Karmel, een beeld van de zalige Titus Brandsma.

Op 26 juli 1942, om 2 uur `s middags, kreeg deze Nederlandse karmeliet een dodelijke injectie toegediend in Dachau. Dat concentratiekamp was het eindpunt van zijn lijdensweg die begon in de gevangenis van Scheveningen om via Amersfoort en Kleef te leiden naar de dood die hij voorzag. Zijn verzet tegen de Duitse bezetting van begin jaren veertig lag in het verlengde van zijn diagnose van het nazisme die al dateerde van begin jaren dertig. Hij doceerde in die tijd aan de in 1923 opgerichte Katholieke Universiteit van Nijmegen, waar hij de leerstoel van wijsbegeerte bezette, maar waar hij furore maakte met de geschiedenis van de mystiek. Mede vanuit zijn kennis op die gebieden, aangevuld met zijn sociale bewogenheid, waarschuwde hij tegen de “mystiek van ras, bloed en bodem” die hij onverenigbaar achtte met het wezen van het christendom.

Toen de Duitsers eenmaal Nederland had overrompeld protesteerde hij, met verholen steun van aartsbisschop De Jong, tegen het doordrijven van de nazi-ideologie in het onderwijs en de pers. Merkwaardig is dat hij in 1940 een ariërverklaring ondertekende aangezien de katholieke Kerk geen onderscheid maakt qua ras. Hoe kon hij dat doen? Volgens Falke-de Hoogh omdat ondertekening de enige manier was om te blijven doceren, en voor Titus Brandsma gold dat hij koste wat kost invloed wilde uitoefenen. En daarom dacht hij met een klein kwaad een groter kwaad te voorkomen.

In de gevangenis te Scheveningen schreef hij “Mijn cel, dagorde van een gevangene”. Hiermee toonde hij voor zichzelf dat de kleine ruimte groot wordt wanneer men zich met God verenigd weet. De stilte in het beperkte weerspiegelde de contemplatieve kant van zijn karakter en van de orde waartoe hij behoorde. Daarnaast was hij vanaf zijn jonge jaren vooral actief. Hij was geboren in 1881 in de buurt van het Friese Bolsward, in een kleine katholieke enclave te midden van een protestants gebied. Alle kinderen van het vrome gezin kozen, op een na, voor het religieuze leven. Titus spande zich in voor de emancipatie van de katholieken, en om hun achterstand in te halen klampte hij aan bij het socialisme. In 1898 was hij ingetreden, en als jonge frater bracht hij zijn studietijd door in Rome. Na zijn terugkeer in Nederland werkte hij gedurende veertien jaar in het Brabantse Oss, waar hij bestuurlijke activiteiten ontplooide. In 1919 werd hij hoofdredacteur van het plaatselijk dagblad. Het rooms-katholiek onderwijs lag hem na aan het hart, en om dat te stimuleren maakte hij zich sterk voor een openbare leeszaal. Later, toen hij in Nijmegen hoogleraar werd, richtte hij het tijdschrift “Ons Geestelijk Erf” op, waarin belangstelling werd gewekt voor de oude Nederlandse vroomheid rond Geert Groote en de Moderne Devotie. Voorts verdiepte hij zich in de Rijnlandse mystiek (Tauler, Suso Eckart) en de Spaanse beroemdheden van zijn orde, Teresa van Ávila en Sint Jan van het Kruis, van wie hij vertalingen verzorgde. In 1927 omvatte zijn systematisering van de Middel Nederlandse mystiek zo’n 170 albums.

Rode draad in het werk van Titus Brandsma is de relatie van de mens met God. Medio jaren dertig constateerde hij dat er “Godsverduistering” was ingetreden. De moderne mens had zich op sleeptouw laten nemen door de positivistische wetenschap, het humanisme, alsmede het evolutionisme van Darwin en Nietzsche. Men meende, ook toen al, genoeg te hebben aan zichzelf, en tegen de achtergrond van die ontwikkeling laat zich mede het nazisme verklaren. Maar los van God vervreemden de mensen van zichzelf en van elkaar. Titus Brandsma wilde ze terughalen vanuit hun isolement met bidden en helpen. Hij kon in ieder mens, hoe afgedwaald ook, en zelfs in zijn beulen de goddelijke kern zien. Zijn eigen leven zag hij als ware hij daarin een gast, volkomen afhankelijk van de genade. Dat nam niet weg dat hij doodsbang was toen hij het einde voorvoelde. Hij hoopte tegen beter weten in dat het hem vergund zou worden zijn gevangenschap, in het plaats van in Dachau, door te brengen in een kloostercel. En hij bad: “laat deze beker aan mij voorbijgaan”. Het mocht niet zo zijn. In plaats daarvan werd hij in het kamp, waar zijn van oudsher zwakke gezondheid verslechterde, onderworpen aan experimenten. Maar hij droeg zijn folteraars geen haat toe. Hij zag hoe misleid ze waren.

De grootsheid van de zalige Titus Brandsma lag in het vermogen zijn vijanden lief te hebben. Zijn einde roept het einde van zijn ordegenoot Sint Jan van het Kruis in herinnering, die door zijn kerkelijke superieuren was gemarteld en de dood ingedreven
Zijn meest bekende gedicht is een getrouwe spiegel van zijn innerlijke gesteldheid en zijn levenseinde: “O Jezus als ik U aanschouw, dan leeft weer dat ik van U hou, en dat Uw hart ook mij bemint, en wel als een bijzonder vriend. Ik weet dat vraagt veel lijdensmoed, maar alle lijden doet mij goed… Ach laat mij hier maar stil alleen, met niets dan kil zijn om mij heen, en laat geen mensen bij mij toe, `t alleen zijn wordt mij hier niet moe. Want Gij, o Jezus, zijt dichtbij; nog nooit was ik U zo nabij. Blijf bij mij, bij mij Jezus zoet, Uw bijzijn maakt mij alles goed.”

Marlene Falke-de Hoogh is pastoraal werker van het bisdom Rotterdam (niet liturgisch actief). Ze houdt zich bezig met de parochies in en rond Leiden. Al vanaf haar vijftiende werkte ze als vrijwilliger. Ze was dekenaal coördinator in Den Haag en bisschoppelijk gedelegeerde voor de pastoraal werkers. Ze studeerde theologie en woont met haar man in de Haagse Schilderswijk.

de voorzitter

programma voorjaar 2016

Zaterdag 16 januari: KRONIEK VAN DE KOPTISCH ORTHODOXE KERK door bisschop Arseny, in 1951 in Suez geboren, in 1980 hegoumen van het Baramousklooster in de Egyptische woestijn en sinds 1985 hoofd van koptische geloofsgemeenschap in Nederland met standplaats de H. Maagd Maria kathedraal in Amsterdam-Noord.

Zaterdag 20 februari: MARIA ZETEL VAN WIJSHEID, HAAR VERSCHIJNINGEN EN HAAR LEER door Robert Lemm, voorzitter van de Sint Nicolaas Academie en auteur van o.a. twee boeken over Maria, met een derde in voorbereiding.

Zaterdag 19 maart: GOED VOORBEELD DOET VOLGEN, over de betekenis van de zalige TITUS BRANDSMA, door Marlene Falke, leken karmelietes, moeder van vier kinderen, studeerde theologie en wijsbegeerte, geeft lezingen over spiritualiteit.

Zaterdag 16 april: KAN EEN NATUURWETENSCHAPPER GELOVEN IN GOD? Daan van Schalkwijk behaalde zijn graad in medische biologie aan het TNO en de Leidse Universiteit. Hij houdt zich bezig met wetenschappelijke vraagstukken, gezondheid en welzijn, onderzoek en statistiek.

Zaterdag 21 mei: PERMAFROST, DE WESTERSE GEOPOLITIEK als revolutie ten opzichte van het christendom door Tom Zwitser, filosoof en vormgever.

MARIA, HAAR VERSCHIJNINGEN EN HAAR LEER

Robert%20Lemm%202013

MARIA, HAAR VERSCHIJNINGEN EN HAAR LEER
20 februari 2016

Op het Concilie van 431 te Efeze verklaarden de vaders Maria tot Moeder Gods. Dit eerste mariale dogma moest het standpunt weerleggen van Nestorius, patriarch van Constantinopel, die de ketterij van Arius volgde en Jezus niet als Zoon van God beschouwde. Volgens Arius was Jezus de meest verheven mens. Tegen het arianisme hadden de vaders op het Concilie van Nicea, in 325, het dogma van de Drie-Eenheid uitgeroepen. En zo zien we dat de mariale leer samenhangt met de leer omtrent haar Zoon. In 553 volgde op het tweede Concilie van Constantinopel het tweede mariale dogma: Altijd Maagd (vóór, tijdens en na de geboorte van Jezus.) Voor het derde en vierde mariale leerstuk moest de Kerk nog meer dan 1000 jaar geduld hebben.

De eerste verschijning van Maria dateert, volgens de legende, van het jaar 40. Zij leefde toen nog, dus bleek Zij “bilocaat” te zijn, ofwel op twee plaatsen tegelijk te kunnen zijn, ofwel op twee plaatsen gezien te kunnen worden. Het gebeurde op een plaats die later Zaragoza werd – terwijl ze op dat moment in Efeze, of Jeruzalem verbleef – en in Spanje moedigde Zij vanaf een Zuil de apostel Jakobus aan bij de missie onder de Iberiërs. In de achtste eeuw werd het lichaam van Jakobus in het noordwesten van Spanje gevonden, en daar verrees mettertijd het pelgrimsoord van Santiago de Compostela. En zo kreeg de Maagd van de Zuil van het jaar 40 een vervolg dat de eeuwen niet meer zouden vergeten.

Van de verschijningen van Maria door de eeuwen heen valt op dat ze tot aan medio 18e eeuw vooral een missionair (en ook leerstellig) karakter hadden, terwijl ze in de 19e en de 20ste eeuw een apocalyptisch en waarschuwend karakter kregen. Zo kreeg de heilige Ildefonso, bisschop van Toledo, in het jaar 665 van de Moeder Gods een kazuifel aangereikt als beloning voor zijn geschrift over de “Eeuwige maagdelijkheid van Maria”. In de 12e eeuw werd in het zuidwesten van Spanje een beeldje van Maria gevonden door een herder. Het was verstopt tijdens de islamitische overheersing. De vindplaats was bij een rivier, Guadalupe (lichtende rivier) genaamd. Onder die naam vond een nieuwe verering van Maria plaats, en onder haar bescherming stelde Columbus in 1492 het avontuur van de Ontdekking van Amerika. Rond 1520 veroverde Hernán Cortés – die uit het gebied kwam waar het beeldje was gevonden – Mexico. En nadat Maria in 1531 aan de indiaan Juan Diego was verschenen verrees bij Mexico-Stad, het voormalige Tenochtitlán, het meest bezochte bedevaartsoord van het hele Amerikaanse continent. Miljoenen indianen lieten zich dopen sinds de verschijning van La Guadalupe aan de later heilig verklaarde Juan Diego.

Zetel van Wijsheid (Sedes Sapientiae) is een van de titels van de Moeder Gods. Haar vereenzelvigt de Kerk met de Wijsheid uit het gelijknamige Bijbelboek die toezag op de schepping van het heelal. Zij weet dus hoe het heelal in elkaar steekt, en als Koningin van de engelen is Zij ook bekend van het waarom en de natuur van de engelen. Meer dan in enig ander geschrift toont het boek “Mystieke Stad Gods, Leven van de Maagd Maria” uit 1670 de onbevattelijke wijsheid van de Moeder van Jezus. Het boek is van de Spaanse Zuster María van Ágreda, franciscanes van de Onbevlekte Ontvangenis. Het is geschreven in de vorm van een drieluik waarvan het linkerpaneel gaat over Mariá vóór haar geboorte, het middenstuk loopt parallel aan de tijd van het Evangelie en het rechterpaneel vertelt over haar activiteiten na haar hemelvaart. María van Ágreda pleitte voor het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis, maar dat zou pas in 1854 worden afgekondigd, terwijl haar aanzet voor het dogma van Maria als Medeverlosseres – het sluitstuk van de mariale leer – nog op zich laat wachten.

Na de Franse Revolutie van 1789 begint de lucht te betrekken, als ware het de aankondiging van het einde van het Duizendjarig Rijk dat ooit was begonnen met keizer Constantijn in de vierde eeuw. In Frankrijk, de oudste dochter van de Kerk, vinden 5 erkende verschijningen plaats die samenhangen met politiek-sociale gebeurtenissen. 1830, de Rue du Bac in Parijs, valt samen met de liberale revolutie. Hier zegt de Moeder Gods dat Zij “onbevlekt ontvangen” is en laat Zij een medaille verspreiden met de letter M en het Kruis. 1846, La Salette (in de Alpen) laat een wenende Maagd zien die klaagt over de teloorgang van de goede zeden en over slechte priesters. Het is de vooravond van de socialistische revolutie in Parijs en Berlijn. 1858, Lourdes, is een bevestiging van het in 1854 door paus Pius IX uitgeroepen dogma van de Onbevlekte Ontvangenis, en dat zou ook daarna nog niet goed begrepen worden door een aantal theologen die invloed kregen in de komende tijd. Werden de twee herdertjes van La Salette nagenoeg onmiddellijk door de plaatselijke clerus geloofd, Bernadette werd aan een uitgebreid psychologisch onderzoek onderworpen. Het is de tijd van het opkomende positivisme in de wetenschap. Geloofd wordt alleen wat proefondervindelijk aantoonbaar is. In 1870-71, tijdens de Pruisisch-Franse oorlog, verschijnt de Maagd in Pontmain. Daar maant Zij de kinderen te bidden, en dan zal God hen in korte tijd verhoren. Vlak daarop trok het Pruisische leger zich terug. De 5e en laatste erkende verschijning van Pellevoisin, in 1876, tijdens de Derde Republiek die anti Kerk was, bracht met de wonderbaarlijke genezing van de zieneres een scapulier met een door doornenkroon omgeven bloedend hart. De kerkelijke erkenning kwam pas af in 1900.

1917 is een sleuteljaar. De landkaart van Europa verandert radicaal. In Rusland, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije verdwijnt de monarchie en er verschijnen kleine nationalistische republieken. De Grote of Eerste Wereldoorlog met bommen uit vliegtuigen en gas in de loopgraven heeft een apocalyptisch gehalte. Het Portugese Fatima is in dat sleuteljaar getuige van de belangrijkste Europese optreden van de Maagd, en de uitstraling is uiterst somber. De herderskinderen krijgen een blik in de hel en er wordt een nog treuriger geheim aangekondigd dat in 1960 zou moeten worden geopenbaard, maar het gebeurde pas in het jaar 2000. Het laat een verwoeste aarde en een zwaar gehavende Kerk zien. Rome interpreteerde het geheim weg als behorend tot een afgesloten verleden. De verschijningen van Maria in het Belgische Beauraing en Banneux, in respectievelijk 1932 en 1933, hebben een troostende bedoeling, en de verschijning van Maria in Tre Fontane, nabij Rome, brengt de bekering van een volwassen man die van zijn geloof was afgevallen.

En toen kwam het Tweede Vaticaans Concilie (1962-965). Alles veranderde, en ook de houding van de Kerk tegenover Maria. Haar leer, staat in de constitutie “Lumen gentium” (hoofdstuk 8), mocht met het oog op de oecumene niet verder worden uitgebreid. En dat trof de verschijningen van Maria als de Vrouwe van alle Volkeren te Amsterdam tussen 1945 en 1959. Want hier vroeg de Moeder Gods om haar 5e en laatste dogma, pal nadat paus Pius XII in 1950 het 4e dogma had afgekondigd, Maria Tenhemel Opneming. Maar Amsterdam raakte verstrikt in de conciliaire politiek. Nederland was bovendien geen katholieke land, en het episcopaat voelde daarom niets voor een Mariaverschijning. Vroeger had de plaatselijke bisschop het laatste woord, maar sinds de invoering van de “bisschoppenconferentie” onder paus Johannes Paulus II werden de bisschoppen van een land geacht met één mond te spreken. De bisschop van Haarlem overtrad die regel in 2002, verklaarde Amsterdam tot authentiek en bovennatuurlijk, en dat veroorzaakte een conflict met de andere bisschoppen dat tot op de dag van vandaag voortduurt. Zolang de mariale paus Johannes Paulus II de Kerk bestuurde, leek er geen vuiltje aan de lucht, maar na zijn dood in 2005 sloegen de tegenstanders van de Vrouwe van alle Volkeren toe. Rome zou nooit, en ook nu niet, een door de bisschop erkende verschijning terugdraaien, maar om de tegenstanders niet met lege handen te laten besloot de Congregatie voor de Geloofsleer het Gebed dat door de Vrouwe in Amsterdam was gegeven te amputeren: de sleutelzin “die eens Maria was” moest worden vervangen door de dooddoener “de Heilige Maagd Maria”.

En zo eindigde de met Fatima en La Salette belangrijkste verschijning van de Moeder Gods in het slop. Na de succesvolle Internationale Gebedsdagen tussen 1998 en 2005, volgden er nationale gebedsdagen in sommige landen, terwijl in Nederland de Haarlemse bisschop de verering op de waakvlam zette in afwachting van betere tijden.

de voorzitter

KRONIEK VAN DE KOPTISCH ORTHODOXE KERK

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

16 januari 2016

De Koptisch Orthodoxe Kerk gaat terug op de vlucht van Jozef, Maria en Jezus naar Egypte en op de evangelist Marcus, haar stichter. De stam kopt komt van “gupt” van Aiguptos, de Griekse naam voor Egypte. De kopten hebben een eigen paus; de huidige is Tawadros II, de 118e opvolger van Marcus. Alexandrië, de zetel van de Koptisch Orthodoxe Kerk, vormde in de eerste eeuwen samen met Antiochië, Rome en later Constantinopel de vier christelijke gemeenschappen van het beginnende christendom. Op 11 september vieren de kopten hun Nieuwjaar, en hun kalender begon in 284, het jaar waarin keizer Diocletianus in Rome aantrad, wat gepaard ging met de zwaarste christenvervolgingen. Er vielen veel martelaren, die voor de kopten regelrecht naar het paradijs gaan. De vervolgingen waren ook het begin van het kluizenaarsbestaan in de Egyptische woestijn onder de H. Antonius. De kopten erkennen de concilies van Nicea (325), Constantinopel (381) en Efeze (431). Het concilie van Chaldecon in 451 verwierpen ze omdat de Byzantijnen Alexandrië wilden onderwerpen door er een eigen patriarch te benoemen. Egypte telt op de dag van vandaag zo’n dertig kloosters voor monniken in de woestijn, en de kloosters voor nonnen bevinden zich in de steden.

Zijne Eminentie Arsenious El Baramousy is sinds 2013 hoofd van de Koptische Orthodoxe kerk in Nederland. Geboren in Suez, werd hij na een studie geneeskunde in 1978 monnik in het Baramous klooster in de Egyptische woestijn, waar hij tot 1985 fungeerde als hegoumen. In dat jaar kwam hij naar Nederland als priester voor de plaatselijke koptische gemeenschap, waar Tawadros II hem tot bisschop wijdde in de Heilige Maagd Maria kathedraal in Amsterdam. Samen met Vader Jesse en Abouna Yassa presenteerde hij op 16 januari 2016 voor de Sint Nicolaas Academie de Kroniek van de Koptisch Orthodoxe Kerk.

In 641 veroverden de Arabische moslims Alexandrië. Hun leider beval alle boeken van de grootste bibliotheek ter wereld te verbranden. Want alles wat de mens dient te weten, zei hij, staat in de Koran. Het einde van het Byzantijnse juk luidde de overheersing door de kaliefs in, en dat betekende corruptie in de overheid en belasting voor de christenen, met als gevolg dat het land verarmde. Vele kerken werden in brand gestoken. Van de tiende tot de twaalfde eeuw regeerde in heel Noord Afrika tot in Syrië de dynastie van de Fatimiden. De koptische paus verplaatste zijn zetel van Alexandrië naar de Sint Macariuskerk in Caïro. Een van kaliefs zou zich tot het christendom hebben bekeerd nadat de christenen en hun paus met tussenkomst van de H. Maagd Maria en door het 100 x opzeggen van het Kyrie Eleison tijdens drie dagen vasten de wonderbaarlijke beweging van een berg hadden afgebeden.

Tijdens de eerste kruistocht van 1096 tot 1099 werden de kopten door de Arabieren voor verraders aangezien, terwijl de Europese christenen die het Heilige Land wilden bevrijden ze voor ketters hielden en hun de toegang tot Jeruzalem verboden. Nadat de kruisvaarders waren verdreven door Saladin en er een tijd van stabiliteit aanbrak, kwamen rond 1250 de Mamelukken, voormalige slaven, aan de macht tot aan de Turkse verovering van Egypte in 1517. De eeuwen die volgden zagen veel geweld tegen, en beroving van christenen. Er mochten in die tijd geen kerken worden gebouwd, terwijl de christenen meer belasting moesten betalen. Napoleon, die tussen 1798 en 1801 Egypte bezette, was de moslims welgezind. Hij wilde een groot rijk stichten in het Midden Oosten, waarbinnen hij de kopten geen gelijke rechten gaf om de moslims te vriend te houden.

Onder koning Ismael, die van 1872 tot 1879 regeerde, ging het beter en konden christenen zelfs belangrijke functies bekleden. Toen de tsaar van Rusland ze te hulp wilde schieten, kregen ze van paus Petrus te horen dat ze onder bescherming stonden van God, dus geen hulp nodig hadden. Rond de eeuwwisseling en daarna kwamen er scholen voor vrouwen, alsmede scholen voor technisch en industrieel onderwijs. De Koptische Kerk nam politieke verantwoordelijkheid in een Egypte dat nu beschouwd werd als thuisland van alle Egyptenaren, ongeacht de godsdienst waar men toe behoorde.

Tijdens de opstanden van 1888 en 1919 deden de christenen mee met de moslims tegen de Britse bezetting. In 1952 werd de laatste koning verdreven en kwam kolonel Gamal Abdoel Nasser aan de macht. Hoewel hij het beste met de christenen voor had, helde hij over naar de extremistische Moslim Broeders, een beweging die hem in 1954 bijna van het leven beroofde. In 1967 verloor hij de Zesdaagse Oorlog van Israël. Na zijn dood in 1970 werd hij opgevolgd door Anwar Sadat, die vrede sloot met Israël en in 1981 werd vermoord door de Moslim Broederschap. Opvolger Hosni Moebarak wilde vooral zo lang mogelijk aan de macht blijven en zadelde het land op met grote schulden, totdat hij op 25 januari 2011 door een revolutie werd afgezet met steun van de christenen. Onder de Moslim Broederschap dreigde Egypte te verworden tot een tweede Afghanistan, maar met het aantreden van president el-Sisi op 30 juni 2013 begon er een gunstigere wind te waaien. Hij maakte een einde aan het chaotische democratische proces en herstelde de orde. De kopten mochten nu onder hun paus Tawadros II de ongeveer honderd kerken die tevoren in brand waren gestoken, herbouwen. Hoogtepunt voor de kopten was het bezoek van el-Sisi, als eerste leider van Egypte ooit, aan hun kathedraal. En daarmee ging een oude voorspelling in vervulling van Jesaja: Gezegend is Egypte, mijn volk. Een nieuw tijdperk lijkt aangebroken voor de ongeveer 9 a 10 miljoen christenen die 10 % van de Egyptische bevolking uitmaken.

De koptische christenen zijn behalve in Egypte, vertegenwoordigd in de Soedan, Libië, de Verenigde Staten, Canada, Australië en West Europa. In Nederland is de hoofdzetel in Amsterdam. Verder zijn er kerken in Utrecht, Den Haag Eindhoven, Enschede, Nijmegen, Leeuwarden, Assen en Kapelle.

Bijzonder vermelding verdient het martelaarschap van 21 koptische christenen in Libië op 15 februari 2015. Ze werden op het strand onthoofd door de jihadisten van Islamitische Staat omdat ze weigerden hun geloof af te zweren en zich tot de islam te bekeren.

de voorzitter