Home » 2014

Jaarlijks archief: 2014

LIEFDE WIL LIJDEN

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

LIEFDE WIL LIJDEN
20 december 2014

is de titel van de voordracht van Michiel Hemminga, docent filosofie aan de Vrije Universiteit en bestuurslid van de Sint Nicolaas Academie. Niemand heeft groter liefde dan wie zijn leven geeft voor anderen, en het grootste voorbeeld is Jezus Christus. Wie hem volgt, offert niet noodzakelijk zijn fysieke leven, maar delen van zijn tijd door belangeloze hulp aan anderen, of al gewoon door het doen van zijn plicht. Dat kan zwaar vallen, moeilijk zijn, en juist daarin volgt men Jezus na. Het geven van je leven ligt dus in het dienen van je medemens.

Het lijden op zich is inherent aan het leven. Het is een gevolg van de erfzonde, van de ongehoorzaamheid van de eerste Adam – van wie de nakomelingen dat gevolg met zich meedragen. Door de ongehoorzaamheid van het begin kwam de natuur (in hem en buiten hem) tegen hem in opstand en werd hij onderworpen aan lijden en dood. Zo leert de catechismus. Maar er kwam verandering met Gods Zoon, de nieuwe Adam, die door zijn kruisdood de mensen (van goede wil) verlost door ze aan te sporen hun eigen kruis op zich te nemen. God is liefde, en liefde wil lijden en ons leren de lasten en kwellingen van het leven te verdragen.

Sinds de afgelopen halve eeuw is de lijdensmystiek in de Kerk op de achtergrond geraakt. Als God liefde is, dan wil Hij toch niet dat wij lijden? Ooit leerde de catechismus dat wij op aarde zijn om God te dienen en in het hiernamaals gelukkig te zijn. Daarna leerde een nieuwe versie dat wij op aarde zijn om hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn. Tenslotte werd het: om hier gelukkig te zijn. Het offer heeft tijdens de Heilige Mis plaats ingeruimd voor meer nadruk op het maaltijdkarakter; de Zaal van het Laatste Avondmaal heeft Golgota enigszins verdrongen. Daarin zien we de invloed van de tijdgeest. De moderne mens heeft het over rechten, minder over plichten. De moderne mens vindt het lijden zinloos. De wereldoorlogen hebben genoeg ellende gebracht om nog langer de lasten en kwellingen van het leven te willen aanvaarden als loutering, zoals in de Middeleeuwen. Het lijden zou er niet moeten zijn. Dat verklaart o.a. de toename van echtscheiding, euthanasie en abortus. Als de wereld goed was, was er geen lijden, betoogt de christelijke apologeet C.S. Lewis in “The Problem of Pain” (1940). Maar de wereld, voegt hij toe, is in wezen, vanuit haar oorsprong wel goed. Waarom is er dan zoveel slechtheid, zoveel kwaad?, luidt het argument tegen de Schepper. Degenen die dat argument aanvoeren eisen geluk. En als ze dat niet krijgen, worden ze boos op de Schepper, of vallen Hem af.

Deze afvalligen zijn niet gevoelig voor het voorbeeld van Jezus Christus. Wat baat zijn lijden ons? Ze gaan voorbij aan de vrije wil die de mens is gegeven. Die impliceert dat wij veel goeds kunnen doen, maar ook dat wij kwaad kunnen doen, en kwaad is de voornaamste oorzaak van het lijden. De afvalligen verwijten God dat “onschuldigen” de kwalijke gevolgen ondervinden van wat anderen misdoen, of – meer in het algemeen – slachtoffer worden van rampen en oorlogen.

Soms echter, kan een godloochenaar als door een wonder een wezenlijke verandering ondergaan. Dat gebeurt bijvoorbeeld met een personage uit “De Gebroeders Karamazov” van Dostojewski. Een ongeneeslijk zieke, die nooit iets van God en het geloof had willen weten, ligt op sterven en komt tot het inzicht dat ieder van ons schuldig is voor allen. En daarom kan iedereen lijden voor iedereen. Een typische vorm van Russisch denken over de navolging van Christus. Of ook platoons in de zin van alle mensen zien als afspiegelingen van één substantie, de mensheid. We kunnen hier tevens spreken van plaatsvervangend lijden, zoals er plaatsvervangende boete bestaat, en dat is vorm van heiligheid. Het Oosten heeft hierin meer aan Plato vastgehouden, terwijl het Westen veeleer Aristoteles volgde.

Een van de sterkste voorbeelden uit de Bijbel is Job. Job heeft niets misdaan dat zijn lijden verklaarbaar maakt. Hij is door God overgelaten aan de duivel – die zeker meent te weten dat onverdiende straf tot afvalligheid leidt van God. Jobs lijden is een beproeving waarvan het verloop en de uitkomst moeten aantonen dat de duivel – die de diepste oorzaak van het kwaad en het lijden is – geen gelijk krijgt met zijn overtuiging dat onschuldig lijden tot verloochening van God moet leiden. Het grootse van Job is dat hij zijn zware beproeving draagt, zelfs tegen zijn vrienden die zijn lijden als straf zien. Hij roept uit: ‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen. Geprezen zij de Heer.’ Voor zijn standvastigheid in tegenspoed wordt hij rijkelijk beloond nog tijdens zijn aardse leven.

Het geloof van de christen moet over het aardse leven heen reiken tot in het eeuwig geluk van de hemel. Lijden op aarde is een weg van uitboeting, een vagevuur. Eind goed, al goed. Het blijft evenwel moeilijk om in onverdiend leed een zin te zien. Het humanisme biedt geen troost aangezien het niet gelooft in het leven na de dood. Lijden is dus zinloos, het zou er niet moeten zijn. Het boeddhisme ontvlucht de werkelijkheid als zijnde schijn, inclusief het lijden. De klassieke oudheid kende het stoïcijns verdragen van tegenslagen, maar kon er verder niets mee. Pas Jezus Christus heeft ons de zin van het lijden geopenbaard door het zelf voor te leven, door het oerbeeld ervan te demonstreren, aldus de Catechismus van Frits van der Meer uit 1941. Niet het lijden verandert de wereld in een tranendal, maar de zonde, zowel de erfzonde als onze persoonlijke schuld. Het deemoedig dragen en uitboeten van de gevolgen daarvan verandert de mens ten goede, het maakt hem verdraagzaam, het sterkt de zelfbeheersing, het tempert de vleselijke lusten en neutraliseert ons vals gevoel van veiligheid. Zalig de zachtmoedigen want zij zullen het land bezitten, lezen we in de Bergrede. Wij hoeven niets aan te vullen op het lijden van Jezus. Wij willen alleen laten zien dat ook wij bereid zijn onze dosis op ons te nemen. Als een offer van liefde. Heiligen, zegt Van der Meer, dorsten naar lijden, wat een kenmerk is van het ware geloof.

de voorzitter

LEVEN TOT HET EINDE

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

zaterdag 15 november 2014

Dr. R. Seldenrijk was tot voor kort directeur van de Nederlandse Patiënten Vereniging (NPV), doceerde ethiek m.b.t. medische onderwerpen en houdt zich bezig met zorg voor mensen met een beperkte handicap. Hij studeerde aan de universiteit van Utrecht en is verbonden aan een gereformeerde gemeente te Zeist. In 1999 verscheen van zijn hand het boek “Man en vrouw in de traditie der eeuwen”, een pleidooi voor soberheid. Hoog in zijn vaandel draagt hij de waardigheid van het mensenleven in overeenstemming met Gods Woord.

“Leven tot het einde” propageert het natuurlijk verloop van het stervensproces tegen de achtergrond van onze tijd waarin zelfdoding of zelf gekozen dood schering en inslag is. Ziekenzorg heeft oude christelijke of Bijbelse papieren. Als gevolg van de gebrokenheid door de zonde is ons leven onderworpen aan verval en dood. Geneesheren zijn door God gewild om in dat proces soelaas te brengen. De instelling van het hospitaal is door het christendom tot ontwikkeling gekomen. Natuurwetenschappelijke verpleging kennen we pas sinds de negentiende eeuw, gepaard met het optreden van specialisten op allerlei deelgebieden.

De Palliatieve Zorg gaat terug tot laat negentiende eeuw met de Ierse “Sisters of Charity”, die de instelling van de “hospice” introduceerden, een plek met een huiselijke sfeer waarin ongeneeslijk zieken beschouwd worden als nog levende medemensen op weg naar het einde. Het palliatieve karakter dateert van 1967, genoemd naar de term “pallium caritatis” ofwel “mantel der liefde”, mantelzorg op christelijke basis, geworteld in de evangelische werken van barmhartigheid.

De palliatieve zorg die in een hospice geboden wordt gaat uit van de doodsaanvaarding en kijkt naar wat mensen die op sterven liggen nog aankunnen. Voorop staat het lijden verzachten binnen natuurlijke grenzen, terwijl elders in de maatschappij de druk om kunstmatig het einde te bespoedigen steeds groter wordt, en het aantal gevallen van zogeheten euthanasie toeneemt (tot 5000 in 2013). De patiënt in het hospitium moet zoveel mogelijk zichzelf kunnen blijven, en dat vooronderstelt de medewerking van artsen en familieleden. Aandacht geven, goed luisteren en juist reageren op de behoeften van de stervende zijn van cruciaal belang.

Bij paliatieve zorg hoort de “sedatie”, ofwel het lenigen van de pijn, maar niet noodzakelijk het doven van het bewustzijn. Men moet uitzoeken wat de patiënt nog kan verdragen, mede in overleg met de familie. Hoeveel vocht en voedsel kan of wil hij nog tot zich nemen is iets anders dan hem ongevraagd vocht en voedsel onthouden om het stervensproces te versnellen. Anderzijds moet men dat proces ook niet onnodig rekken. Waar het om gaat, is dat men de wensen van de doodzieke hieromtrent in acht neemt. “Versterven” is wat we ondergaan, niet wat ons door anderen opgedrongen wordt.

Het bijna-thuis gevoel van het verblijf in een hospice is bevorderlijk voor het natuurlijk stervensproces. Er zijn geen vaste tijden voor opstaan en eten, en voor bezoekuren. De patiënt bepaalt wat er gebeurt. En zo zijn er in de hospices vele beroepsgroepen werkzaam, met inbegrip van pastores en geestelijke raadslieden. Wachten op God is het doel.

Leven is lijden, en het lijden begint al bij onze geboorte wanneer wij schreiend de baarmoeder verlaten. Geboren worden leidt tot opgroeien, volwassen worden, verouderen, aftakelen en sterven. Zo gaat het in de natuur.

de voorzitter

P.S. Mevrouw Corry van Tol, professioneel stervensbegeleidster die aanvankelijk de lezing voor de 15e november zou geven, moest zich wegens ziekte afmelden.

MYSTIEK VAN HET LIJDEN

Zaterdag, 18 oktober

Volgens Gyula Somos, Hongaars schilder die zichzelf typeert als ‘spiritueel realist’, houdt de verlossing door Jezus Christus de bevrijding in van de vrees voor het lijden en de dood. Dat de Godmens daar in hoogsteigen persoon het levende voorbeeld van is, leren wij uit het Evangelie. Hoe in de loop van de tijd de ‘lijdenstheologie’ is terug te vinden in de beeldende kunst, demonstreert hij aan een reeks voorstellingen in chronologische volgorde. Om te beginnen, dienen de christenen in iedere lijdende mens Jezus te zien, zoals te lezen in Mattheüs 25, waarin de schapen ter rechter zijde degenen zijn die de armen kleedden en te eten gaven, de zieken en de gevangenen bezochten et cetera.

Symbool bij uitstek van het lijden is het kruis. In de eerste eeuwen, toen de christenen nog vervolgd werden en in het geheim bijeenkwamen, werd het kruis nog niet uitgebeeld. In plaats daarvan zien we soms een anker met vissen – die voor het kruis en de gelovigen staan. Ook Jezus zelf is voorgesteld als vis, ‘ichthus’ in het Grieks. Zeer bijzonder in de tweede eeuw is een vroeg kruis met een offerlam en de twaalf apostelen. Uit de derde eeuw zijn afbeeldingen bekend van een gekruisigde Orpheus en een gekruisigde Bacchus. Die waren niet bedoeld als bespottingen, of om het gemis van originaliteit van de christenen aan de kaak te stellen, maar als verborgen voorafschaduwingen van aspecten van Christus: van de goddelijke musicus Orpheus weten we dat hij afdaalde naar de onderwereld en van de wijngod Bacchus dat hij aan stukken werd gescheurd door de afgunst.

Nadat keizer Constantijn het christendom heeft vrijgegeven in de vierde eeuw zien we kruisen verschijnen, maar zonder corpus. In plaats daarvan komt het monogram van Jezus Christus voor. Van de vijfde eeuw dateert de eerste afbeelding van JC met de apostelen, met op de achtergrond het kruis dat Helena, de moeder van Constantijn, heeft gevonden in Palestina. Honderd jaar later, in Syrië, zien we een gekruisigde Christus met Longinus die de lans in zijn hart steekt en de twee misdadigers te linker en te rechter zijde, alsmede Romeinse soldaten. In deze voorstelling is ook een opgestane Christus te zien met een purperen kleed, toonbeeld van keizerlijke macht. Bijzonder is bovendien dat de ogen van de Heer geopend zijn, waar ze in de voorafgaande periode gesloten waren. Nog later, in de Karolingische tijd, wordt het tafereel van kruisiging en opstanding gedecoreerd met de zon en de maan en andere figuren die het universum symboliseren. Een Jezus Christus met een echte kroon in plaats van een doornenkroon benadrukt het Koninklijke in de lijdende (12e eeuw).

In de hoge Middeleeuwen vinden we een JC als offerlam die gekruisigd is aan de Boom des Levens, waarbij tevens een afbeelding van God de Vader met Jezus als kind die zijn hand heeft op een wereldbol. Voorts is er een ‘genadestoel’ waarop de lijdende Zoon zit met daarboven zijn Vader waarbij de twee goddelijke personen op elkaar lijken. Nieuw is hierbij het afbeelden van de onuitbeeldbare, de Vader. Wij kunnen ons geen voorstelling maken van God. Wij kennen Hem alleen door Jezus Christus.
In de late Middeleeuwen komen schilderijen voor van de Man van Smarten, waarbij soms het lijden zo sterk is uitgebeeld dat we zouden vergeten dat hij God is. Dat was o.a. de kritiek van Dostojewski. In de Russische iconen zal in de gekruisigde Christus altijd het goddelijke doorschemeren. De pijnen worden overschaduwd door de serene uitdrukking op het goddelijk gelaat. De herfsttij der Middeleeuwen is ook de tijd van de Moeder van Smarten, de Pietà, met haar dode Zoon op haar schoot vlak voor de graflegging. Uit dezelfde periode is een bloedende hostie aan het kruis die omhooggehouden wordt door twee engelen, en een Jezus in een wijnpers die het offerbloed voor de kelk levert.

Extreme voorbeelden van lijden vinden we vooral in de late Spaanse barok en in Latijns Amerika. Een van de meest spectaculaire voorbeelden is een Jezus als gekruisigd kind, of zelfs een Jezus als foetus met doornenkroon. Maar dan zitten we al in de tijd van de film ‘The Passion’ van Mel Gibson, waarin het lijden in alle gruwelijke details aan het oog voorbijgaat.

Er zijn ook moderne kunstenaars die het lijden uitbeelden aan de hand van Jezus. Waaronder atheïsten die hem voorstellen als revolutionair en die van het kruis de hamer en de sikkel maken. Heel apart is een gekruisigde Christus omgeven door skeletten die de mensen voorstellen die gered moeten worden door de botten en beenderen vlees te geven.

Het lijden is een gevolg van de zonden van de mensen. Maar er is ook een lijden dat inherent is aan wat we de ‘erfzonde’ noemen. En dat is van een heel andere aard. Van dat laatste is de dood het duidelijkste bewijs. De opstanding van Jezus Christus is bedoeld om ons van de doodsangst te verlossen.

de voorzitter

P.S. Werk van Gyula Somos is te zien in Galerie Venetië,
Lauriersgracht 96, Amsterdam

HET WAAROM VAN HET KWAAD EN LIJDEN

   Hans Schouten, priester

Hans Schouten, priester van het bisdom Haarlem-Amsterdam

20 september 2014

 

De Schepper heeft de mens een vrije wil gegeven, en dat impliceert dat hij kwaad kan doen, en daaruit volgt dat het lijden bestaat. Met die stelling besluit Hans Schouten zijn voordracht, die hij opent met een uiteenzetting over wat er zoal over het kwaad en het lijden is gedacht.

Rampen, oorlogen, epidemieën, ze vinden onafgebroken plaats. Lichamelijk en geestelijk lijden, ongelukken, verzwakking van de wil, verslavingen, moreel kwaad, wat de een de ander aandoet, wat men elkaar collectief aandoet, Auschwitz, Gulag, geldzucht, uitbuiting…Als er een persoonlijke God is, een God die machtig, wijs en goed is, hoe kan hij dan dat alles toelaten? Sluiten een goede God en het kwaad elkaar niet uit? Kunnen we bij het zien van zoveel ellende nog wel geloven dat God, dat er een God bestaat?

De oude Romeinen erkenden het bestaan van de goden, maar die hebben geen macht over het kwaad. De mens en de wereld zijn onderworpen aan het noodlot, het fatum, en daartegenover staan ook de goden machteloos. Aristoteles nam een Onbewogen Beweger aan, maar die bemoeit zich niet met de mensen. Plotinus achtte God ver verheven boven aandoeningen, onttrokken aan het wereldgebeuren, gevoelloos. Boeddha leerde dat het kwaad onontkoombaar is, en dat bestaan identiek is aan lijden. Daarom adviseerde hij je aan het bestaan te onttrekken, want dat bestaan is maar schijn. De voorplanting is zinloos, want kinderen voegen alleen maar schijn en leed toe. Het celibaat is beter.

Celibaat is ook iets dat in de katholieke Kerk bestaat. Het verschil met het boeddhisme is dat voor de Kerk het celibaat niet is ingegeven om je aan de samenleving en het lijden te onttrekken, maar je juist in te laten met zoveel mogelijk mensen zonder gehinderd te worden door huwelijksverplichtingen. En wat de voortplanting betreft, dat is een bijbelse aansporing: weest vruchtbaar en vervult de aarde. Het katholieke celibaat roept op tot beschikbaarheid of inzetbaarheid, en bedoelt dus iets heel anders dan de boeddhistische variant.

Dan is er nog de leer van de Stoa, die invloed heeft gehad op het christendom. Ook de Stoa stelt dat het lot heerst. Onze mogelijkheden zijn beperkt, en het is verstandig om je daarbij neer te leggen. Het aparte van het christendom is dat de gelovigen weten dat zij zichzelf niet kunnen verlossen. Zij zijn verlost door het offer van Christus. En zij moeten meewerken met hun verlossing door zelf hun steentje bij te dragen.

Ook de christenen worden geconfronteerd met het lijden. Maar hun troost is het vooruitzicht op de hemel, eventueel via het vagevuur. Dat vooruitzicht maakt het lijden draagbaar. Het lijden mag echter niet gebruikt worden om de dingen op hun beloop te laten, of in fatalisme te vervallen. De mens moet de handen uit de mouwen steken, en overal waar mogelijk het lijden helpen te verlichten. De christen houdt rekening met de dood, en leeft in het besef dat God het goede met ons voorheeft.

Dat neemt niet weg dat wij voortdurend beproefd worden. Er zijn vormen van lijden die ons verstand ver te boven gaan, op persoonlijk, maar vooral ook op collectief vlak. Wat te denken van de Holocaust, zes miljoen joden vergast? Waarom treft juist dit volk zoveel rampen? Vanwege de Messias.

In onze tijd voelt men het lijden harder dan vroeger. Het wordt minder aanvaard dan voorheen. De wetenschap heeft middelen gebracht die het lijden verzachten, en dat heeft ertoe geleid dat wij de wereld maakbaar achten. Het lijden zou er niet moeten zijn, het hoort niet. Daarbij komt nog dat het vooruitzicht op het leven in het hiernamaals niet meer zo sterk gevoeld wordt, of helemaal niet meer geloofd wordt. Tot slot zijn er de moderne theologen die zeggen dat wij een verkeerd godsbeeld hebben. Het verwijt dat God het kwaad toelaat zit diep.

De Bijbel geeft antwoorden. Job verwijt God dat hij niets heeft misdaan om zijn tegenspoed te verdienen. Zijn metgezellen zoeken evenwel naar de oorzaken van Jobs ellende, die er volgens hen moeten zijn omdat anders dat lijden niet te verklaren is. Job moet in hun ogen zijn leed verdiend hebben. God geeft ze ongelijk, en beloont Job – maar geeft hem tegelijk te verstaan dat Zijn gedachten de onze te boven gaan. Het boek besluit met een eind goed, al goed. Prediker begint – net als Boeddha – met te stellen dat alles ijdelheid is en eindigt met de aansporing God te vrezen door zijn geboden te onderhouden. In de Psalmen klinken de jammerklachten over zoveel ellende met een “hoe lang nog?” Maar het kwaad is niet intrinsiek aan de wereld, zoals Boeddha dacht, en het zal er uiteindelijk ook niet meer zijn, zoals het er ook niet was in het begin. Aan de natuur zoals we die zien, hoe mooi we haar ook vinden, kleven feilen, de dieren die elkaar verslinden, de rampen, de ziekten en de verzwakking van de mens bij het ouder worden. De natuur is aangetast, maar ze was ooit goed bedoeld. Waarom laat God het lijden toe?

Omdat God van ons mensen heeft gemaakt, met een vrije wil, een vrije keuze, een eigen verantwoordelijkheid. Hij had ons ook tot het dierlijk stadium kunnen beperken, zonder kwaad te kunnen doen, maar ook zonder goed te kunnen doen. Toen God de mens schiep, kende de mens het kwaad nog niet. Door te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad, gingen zijn ogen open. De mens raakte vervreemd van God, en de mensen raakten vervreemd van elkaar. Kaïn doodde Abel, en het op de aarde vergoten bloed van Abel roept om bloed. Alle kwaad vraagt om vergelding, om straf, en de straf zal niet uitblijven. Ook het ergste kwaad zal uiteindelijk ten goede worden gekeerd.

Het Kruis staat in het midden. Het is uniek. Het is bedoeld om aan ons lijden en ons kwaad een eind te maken. En na het lijden wacht de opstanding. Ons persoonlijk lijden is opgenomen in het grote lijden van de Godmens, en dus ook in zijn Verrijzenis. En daarom heeft het lijden zin, een zin die ver boven ons uitgaat. Wij, de gelovigen, vullen aan wat er nog aan het lijden van Christus ontbreekt. Dat is de zin van de Kerk. Wij moeten van ons lijden een offer maken. “Stop een offer in je koffer op je reis naar het Paradijs.”

De Heilige Mis is een offer. Wij offeren ons leven aan de Vader in de consecratie, opgenomen in het Lijden van Jezus Christus, met inbegrip van het met Hem verrezen zijn, waarbij de communie het geneesmiddel is.

de voorzitter

 

 

 

              

CHESTERTON ALS GETUIGE VAN HET CHRISTELIJK GELOOF

RENÉ VAN TOL
RENÉ VAN TOL

René van Tol, beeldend kunstenaar, presenteert de Engelse schrijver Gilbert Keith Chesterton (1874-1936) als denker vanuit de paradox. En dat is katholiek bij uitstek. De katholiek probeert de uitersten of polen bij elkaar te houden en verdedigt het “geheel” tegen het opofferen van het geheel aan een “deel”. Dat laatste is wat protestanten doen, en in hun kielzog de wetenschappers en de kunstenaars van de Moderniteit. De ketterijen van sinds de Reformatie, werden de  “-ismen” in de kunst en de filosofie van sinds eind 19e, begin 20ste eeuw. Chesterton schreef romans, gedichten, essays en was ook  journalist. In debatten met de denkers van zijn tijd ontdekte hij dat hij zelf de “orthodoxie” aanhing, en dat was in zijn generatie al revolutionair, laat staan in het huidige postmoderne opinieklimaat waarin alles relatief en subjectief moet zijn, de waarheid niet bestaat, terwijl de verkokering van de wetenschap welig tiert.

Orthodox betekent o.a. vasthouden aan orde. Het gezonde verstand moet samengaan met de verwondering ten aanzien van het onbegrijpelijke om zo weerstand te bieden aan enerzijds de logica die alles wil verklaren en categoriseren (wetenschap) en anderzijds het vrije zweven van esoterie en new age. Twee grondketterijen zijn het materialisme en het spiritisme, die beiden tal van vertakkingen hebben in de loop der eeuwen. Het nut van de ketterijen en de -ismen is dat men zich daardoor bewust kan worden van het rechtzinnige, het normale, het gezonde. Een schilderij van Titiaan bijvoorbeeld, heeft het impressionisme en het expressionisme in zich, maar is trouw aan de natuur, aan het geheel. Het problematiseren van “de werkelijkheid” houdt twee extreme posities in: zich niets anders kunnen voorstellen dan wat de zintuigen waarnemen, of het zintuiglijk waarneembare als onwerkelijk afdoen. De werkelijkheid, zegt Chesterton, is wonderlijk genoeg en heeft het fantaseren over wat niet bestaat niet nodig.

Orthodox is het erkennen van de vrije wil van de mens. Het in de wetenschap gangbare determinisme daarentegen, beroept zich op de natuurwetten, op de eeuwige herhaling om ook de mens te binden aan wat hem, buiten hem om, bepaalt en reduceert tot een bundel instincten. Theoretisch kan een ongelovige de vrije wil ontkennen, maar hij zal niet graag toegeven dat hij niet vrij is om te loven of te laken, te vergeven of te straffen, mee te werken of tegen te werken et cetera.

Orthodox is de wil om te zijn, of er te zijn. “To be, or not to be” – luidt de beroemde uitspraak van Shakespeare. Chesterton benadrukt het “to be”. Het leven is goed. Men moet het beamen, er dankbaar voor zijn. Er is er geen reden tot vluchten, of tot pessimisme. Maar evenmin voor optimisme, want de wereld en de natuur laten zich behalve van hun goede of mooie kanten, eveneens van hun kwade en lelijke kanten zien. Men moet ze allebei aanvaarden, en als christen vertrouwen op de goede afloop. “All’s well that ends well”. Daarmee is hier het geloof in het eeuwige leven bedoeld.

Chesterton waardeert de oude, prechristelijke tijd vanwege de mythologie, die het voorstadium is van het christendom. De goden waren een product van de verbeelding, personificaties van natuurkrachten waarvoor men eerbied had. Zo kon de donder Donar of Thor heten. De moderne mens denkt de natuur te begrijpen, maar dat neemt zijn angst voor de dood niet weg. Chesterton ziet in de herhaling, in het eeuwig op- en ondergaan van de zon bijvoorbeeld, de levenskracht die God de natuur heeft ingeschapen, maar die het wonder niet uitsluit. Je kunt je trouwens ook over de herhaling verbazen, of als een kind van harte aandringen op telkens hetzelfde omdat het zo mooi of aanstekelijk is. Je kunt je verbazen over dingen die bestaan en die heel raar zijn, zoals bijvoorbeeld een neushoorn. Je kunt je verwonderen over de strepen van een tijger, in plaats van de dierlijke eigenschappen naast die van de mens te zetten en te concluderen dat de mens het zoveelste dier is.

De Kerk heeft de rede in de religie gebracht, en daarmee het debat aangezwengeld tussen de God die wij met ons natuurlijk verstand kunnen vinden en de God die wij door de openbaring kennen. De Moderniteit, die op dit punt al speelt in de tijd van de aanpassing van het aristotelisme aan het christendom door Thomas van Aquino, heeft een scheiding aangebracht tussen wat wetenschappelijk onderzoek bewijst en wat het geloof aanneemt. Ooit waren dit twee wegen naar dezelfde waarheid. Het werden twee wegen naar twee verschillende waarheden.

De christelijke wereld begint bij Job, die God vragen stelt over het waarom van het lijden en hoe het universum in elkaar steekt. God stelt Job op zijn beurt vragen: wie ben jij?, en wat begrijp jij? Het is de laatste keer dat God spreekt met de mens totdat Christus komt, die God is. En de Godmens is de grootste paradox.  Door de Menswording verbindt de Allerhoogste zich met het allerlaagste. “Het christendom is de enige godsdienst ter wereld die gevoeld heeft dat almacht God onvolledig maakte. Het is de enige van alle geloofsbelijdenissen die de moed heeft toegevoegd aan de deugden van de Schepper. Want de enige moed die waard is moed genoemd te worden, moet noodzakelijk betekenen dat de ziel een halsbrekend punt passeert – en niet breekt. Het schrikaanjagend Lijden wil duidelijk maken dat de maker van alle dingen niet alleen doodsangst doormaakte, maar ook twijfel. Er staat geschreven: ‘Gij zult de Heer uw God niet beproeven.’ Nee. Maar de Heer uw God beproeft misschien Zichzelf. In een hof beproefde Satan de mens; en in een hof beproefde God God. De kreet op het kruis bekende dat God verlaten was van God. Laat de godloochenaars zelf maar een god uitzoeken: zij zullen slechts één godheid vinden die ooit aan hun verlatenheid uitdrukking gaf; slechts één godsdienst waarin God een ogenblik lang een godloochenaar scheen te zijn.”

de voorzitter

DE EVANGELIEN en de BIJBELKRITIEK

Cees Luttik
Cees Luttik

Toen de rechtvaardige jood Simeon in de tempel de pasgeboren Jezus in zijn armen hield sprak hij tot Maria de opmerkelijke profetie: ‘Zie, Hij is bestemd tot val en opstanding van velen in Israël en tot een teken van tegenspraak’ (Luk. 2:34 )

Vandaag, dames en heren, wil ik u iets vertellen over een actueel en belangrijk onderwerp waarin deze tegenspraak treffend tot uiting komt. Zijn namelijk onze vier Evangelien waarin Jezus ons in Zijn woorden en daden tegemoet treedt goede en betrouwbare bronnen? Hoe staat het met de historische waarde en de geloofwaardigheid van de Evangeliën en van het hele Nieuwe Testament?  Het is tegenwoordig een heet hangijzer, zo gezegd, en het bevestigend of ontkennend antwoord op die vraag treft ons christelijk katholiek geloven in het hart.

Het is een hachelijke zaak om als leek hierover iets te zeggen. Ik ben geen expert, laat staan bijbelexegeet. Schoenmaker houdt je bij je leest is nog  altijd een goed advies. Maar aangezien er in de radicale bijbelwetenschap niet zo goed passende schoenen worden aangeprezen, ben ik op onderzoek uitgegaan. Er zijn namelijk in deze materie opvattingen over de nieuwe kijk op het oude Boek die een enorme invloed hebben uitgeoefend op de inhoud en weergave van het christelijk geloof van vrijwel alle kerken en kerkelijke genootschappen.

Vanuit de bijbelwetenschap, of liever gezegd, de meer radicale bijbelwetenschap, zijn er grote vraagtekens gezet bij de historische betrouwbaarheid van onze Evangeliën. Zoals al gezegd ben ik geen exegeet en zal dus slechts in grote algemene lijnen iets over deze ontstane situatie kunnen aangeven. Ontwikkelingen in de bijbelwetenschap blijven namelijk niet ‘binnenkamers’ maar treffen vooral ook gewone gelovigen die werden en worden geconfronteerd met de doorwerking vanuit deze min of meer radicale bijbelwetenschap in de catechese, verkondiging, en in allerlei populaire tijdschriften en TV programma’s.

Toen ik in 1951 vanuit een protestants gezin door Gods genade naar de Catholica ben overgegaan was er in de RK kerk nog helemaal geen sprake van een radicale of vrijzinnige bijbeluitleg. Dit was allemaal ‘buiten’ d.w.z. in de reformatie en anglicaanse kerk.

Pas zo rond en vooral na het Tweede Vaticaans Concilie (1965) brak er een dijk door. Vanaf die tijd werd ik met nieuwe maar ook met bedreigende opvattingen in exegese en moderne theologiëen geconfronteerd. Voor mij en zovele anderen ontstond een crisis der zekerheden. Mijn ervaringen en zoektocht heb ik beschreven in m’n boek “Mijn weg naar de Catholica” dat in 2012 is gepubliceerd.

In de achtergrond en oorzaak van die crisis ben ik mij de laatste tijd meer gaan verdiepen om enig inzicht te verkrijgen in, naar ik meen, één of zelfs de hoofdoorzaak van deze ontstane algemene malaise en geloofscrisis te kunnen aanwijzen. Daarover straks meer.

Jezus staat in onze tijden enorm in de belangstelling. Dat is toch buitengewoon belangrijk en positief zou je zeggen? Dat geeft toch mogelijkheden voor gesprek en dialoog. Ja, maar er is echter ook een keerzijde. De  Anglicaanse bisschop in Australië, Paul Barrett, docent Nieuwe Testament, schreef in 1998 in zijn “Historische zoektocht naar Jezus”: ‘Het Christendom staat op dit moment voor een grote uitdaging. Barrett verhaalt dat er tussen 1980 en 1992 niet minder dan 260 boeken, artikelen en boekbesprekingen zijn verschenen op het gebied van de benadering van het leven van Jezus. ‘De uitdaging is, aldus de auteur, dat het merendeel van deze publicaties een Jezus tekent die onherkenbaar is voor het christelijk geloof van de kerk.’ Hetzelfde zou gezegd kunnen worden van Kuitert’s “Jezus, nalatenschap van het Christendom”(1998)

Wat is er nu aan de hand vraag je je dan af?

Vorig jaar kwam ik op het spoor van een artikel in het internationale katholieke tijdschrift 30 Tage (nr.3 2011) van de hand van de Lutherse bijbelgeleerde Rainer Riesner. Hij bespreekt daarin de situatie in de huidige bijbelwetenschap, de exegese. Riesner doet dit n.a.v. zijn recensie van een Jezus boek van onze vorige Paus Benedictus XVI. Een bespreking die heel positief uitvalt. Een opmerkelijk oecumenisch feit overigens. Maar in zijn artikel zegt hij tevens:’dat momenteel de scheidingslijn onder de exegeten verloopt tussen diegenen die sceptisch staan tegenover de historische betrouwbaarheid van de Evangelien en zij die een fundamenteel vertrouwen daarin voorstaan’.

Paus Benedictus heeft in zijn boeken over Jezus van Nazareth de evangelische Jezus beschreven. De Jezus zoals hij die zelf heeft gezocht en ervaren in zijn eigen geloofsleven en als jarenlange prefect van internationale pauselijke bijbelcommissie. Hij waarschuwde in zijn Jezus boek echter tevens voor de in omloop zijnde reconstructies van de zogenaamde historische Jezus, die de evangelische Jezus dreigt te verdringen. Als een ware Herder heeft hij de opdracht van Jezus aan Petrus uitgevoerd, nml. “Weidt mijn schapen, leidt mijn lammeren” etc. (Joh.21)

Met zijn Jezus trilogie heeft Benedictus de gelovigen een ware dienst bewezen en tevens de exegeten, bewust of onbewust, a.h.w. uitgedaagd om op zijn publicaties te reageren. En uit deze reacties blijkt nu, aldus Riesner, in onze tijd een scheiding onder de exegeten openbaar te worden. Een kwalijke zaak waarover overigens weinig naar buiten komt. Dat is nogal wat zou je zeggen. Het is namelijk een niet meer te overbruggen scheiding, stelt Riesner, die dwars door de Kerken heen loopt en nog maar weinig te maken heeft met de confessionele verschillen maar vooral met de waardering en de toepassing van de Historisch Kritische Methode. (voortaan HKM) Een methode die zowel door de reformatorische als door katholieke exegeten, maar zeker niet alle, wordt toegepast. Een toepassing die de grenzen van de kerken doorbreekt.  Oecumenisch? Ik kom hier nog op terug.

Dat wij hier in deze genoemde scheiding te maken hebben met beschouwingen en opvattingen die het hart en de grondslag van het algemeen christelijk katholiek geloven ‘im Frage’ stellen mag duidelijk zijn. Een zeer ernstige situatie dus.

Ik wil aantonen dat de grote geloofscrisis die al tijdens maar vooral na Vaticanum Twee de Catholica heeft overvallen voor een belangrijk deel in deze bijbelkritiek gezocht moet worden. Vooral ook de catechese en de verkondiging zijn, zoals al gezegd,  sterk daardoor beïnvloed geworden.

DE CATHOLICA EN DE EVANGELIEN

Vanaf de aanvang houdt de katholieke Kerk vast aan de historische betrouwbaarheid van de Evangelien. De Katechismus van de Katholieke Kerk stelt: ”De evangelies zijn het hart van de hele Schrift omdat zij het voornaamste getuigenis zijn over het leven van het vleesgeworden Woord, onze Verlosser”.  

Dat de H.Schrift het door de H.Geest geïnspireerde Woord van God is werd door alle eeuwen heen beleden en beleefd door de Kerk en alle kerkelijke gemeenschappen. Er waren en zijn wel  soms grote verschillen in interpretaties en beschouwingen, maar de H.Schrift is en was altijd het grote centrum waarop het geloof, de theologie en de liturgie mede is gebaseerd en waarin de gelovigen hun kracht en inspiratie vinden.

Er vond echter een dramatische wending in de christelijke geloofswereld plaats. Een wending, ontstaan in de reformatorische geloofswereld, met ook later voor de Catholica diepgaande gevolgen. Om iets van die diepe crisis te begrijpen die de Kerk en kerkgenootschappen als een ware tjunami hebben overvallen en ontwricht gaan we eerst een stukje terug in de tijd namelijk naar de periode van

DE VERLICHTING

Het besef van historiciteit van het menselijk leven en denken was in de periode van de Verlichting ontstaan. De mens is een historisch wezen en aan verandering onderhevig. Alles is historisch of het is niet, werd gezegd. In die tijd ontstonden de grote filosofische systemen van o.a. Hegel, Schleiermacher, op basis van historiciteit. De metafysische kant van het geloof werd verdrongen door de historiciteit die alles in een relatief licht ging bezien. Maar welk idee van geschiedenis, historiciteit, ontwikkelde zich? Welke plaats wordt daarin aan God toegekend?

In die tijd werd ook de Bijbel aan de opgekomen historische kritiek onderworpen. Waren de als historisch gebeurd zijnde beschreven verhalen en gebeurtenissen in de Evangelien wel echt gebeurd? Kan het wel zo gebeurd zijn?

De Bijbel werd op de wetenschappelijke rationalistische operatietafel ontleed. Moeten er niet andere verklaringen gezocht worden voor deze ‘wonderbaarlijke’ gebeurtenissen die voor de ‘rede’ aanvaardbaar zijn? Er moest een natuurlijke en redelijke verklaring gevonden kunnen worden die achter de teksten gezocht moest worden.

De zoektocht naar de zogenaamde historische Jezus ,die er geweest moest zijn voordat de Evangelien op schrift werden gesteld, werd geopend.

De dogmatische Christus werd steeds meer door de gereconstrueerde historische Jezus vervangen. De hemelse Christus moest plaats maken voor de menselijke Jezus. Een tegenstelling die tot op de dag van vandaag nog voortduurt. Er is een uitspraak die zegt: Problemen die vandaag niet worden opgelost, zijn de problemen van morgen.

Tot aan de achttiende eeuw was er echter nog geen vuiltje aan de lucht, stelde Dr. Meershoek in zijn nog altijd actueel boekje: Herbronning van de Evangeliën.

Het vertrouwen in de historische geloofwaardigheid van de Evangelien was een onbestreden vanzelfsprekendheid. Meershoek gaat in op de questie van de datering van de Evangeliën, nml. wanneer zijn deze geschreven? Was er na de Verrijzenis een korte of een lange ontstaansperiode van de Evangelien? Een aan het onderwerp van m’n verhaal zeer verwant onderwerp.

ERNST TROETSCH

In een studie over Ernst Troetsch: ‘Tussen Historisme en Relativisme’ van Dr.Klapwijk wordt gesteld dat “Het opkomen van het historisme een van de grootste geestelijke revoluties is die het Avondland ooit heeft beleefd”, een revolutie die het ganse gebinte van de westerse beschaving doet schudden, aldus Meinecke.

Het was in het jaar 1896 dat er te Eisenach een bijeenkomst van vrienden van het tijdschrift “Die Christliche Welt” werd gehouden. Na een lezing van een professor sprong ineens een jonge man op de katheder en riep met luide stem: ALLES WANKELT, ALLES WANKELT!! Deze jonge man bleek de later bekende protestantse theoloog en filosoof  Ernst Troeltsch te zijn. ( 1865-1923) Een man met grote invloed in die tijd.

Maar wat wankelde dan en wat bedoelde Troeltsch met zijn dramatische uitspraak? Hij verwoordde de grote problematiek van de theologie en de kerk in die tijd nml. de bedreiging van het opgekomen historisch denken, de greep op het christelijk dogma waardoor de openbaring van God wordt opgelost in een reeks van historische, literaire, psychologische, sociologische en godsdiensthistorische feiten, die tenslotte in het niets opgaan.

Troeltsch heeft met deze vragen geworsteld maar gaf zich uiteindelijk gewonnen aan het historisme. Hij heeft de inhoud en criteria van de toegepaste historische kritiek uitgewerkt welke thans door vele exegeten in de Kerken wordt toegepast. Enkele belangrijke criteria zijn dat in deze methode geen rekening wordt gehouden met Openbaring, Inspiratie van de H.Schrift, apostolisch gezag, wonderen, profetiën. Er is ook geen bovennatuurlijke werkelijkheid maar slechts één werkelijkheid: de zichtbare. De historische kritiek maakt elk afzonderlijk feit onzeker. De betwijfeling wordt een wetenschappelijke methode.

De Bijbel wordt als een louter klassiek menselijk document beschouwd en moet worden bestudeerd als elk ander klassiek document.

Troetsch stelt: ‘De historische methode, eenmaal op de bijbelse wetenschap en de kerkgeschiedenis toegepast is een zuurdeeg die alles veranderd en de hele tot heden geldende vorm van theologische methoden doet ontploffen.’

Een ware kernsplitsing vond in die roerige 19e eeuw in de geloofswereld plaats.

Heinz Zahrnt beschrijft in 1967 in zijn boekje “Bijbelkritiek en geloof”  deze hele problematiek. (Eerste uitgave 1960) Toen ik na het Concilie dit boekje van Zahrnt in handen kreeg was ik danig in twijfel. Wat is hier nu feitelijk aan de hand, vroeg ik mij af? Heeft de kritische historische wetenschap nu resultaten op tafel gelegd die veel van de inhoud van het geloof doet veranderen?

Staat dit nu wetenschappelijk allemaal vast? Stond de grondslag van het christelijk katholiek geloven op instorten?  

We kennen allen, of hebben daar wel eens iets van vernomen, uit die periode van de Verlichting in de 18e en de 19e eeuw de grote invloed op dit terrein van geleerden, filosofen en theologen als Hermann Samuel Reimarus, David Friedrich Strauss, Gotthold Ephraim Lessing, Ernst Renan, Friedrich Bauer, etc. die elk op hun manier de inhoud van de Evangeliën, als resultaat van hun historische studies, grotendeels als mythe beschouwden. Reimarus komt de twijfelachtige eer toe als eerste een grote systematische kritiek op de levensbeschrijving van Jezus in de Evangeliën te hebben gegeven. De Evangelisten zouden ook beschreven gebeurtenissen zelfs hebben verzonnen, aldus Reimarus. Lessing was bekend geworden door zijn publicatie Das Leben Jesu.

De schrijver Gunter Speicher beschrijft in zijn boek ”Maar doden kunnen ze Hem niet”, dat Lessing met de uitgave van fragmenten uit Reimarus werk een vuur heeft ontstoken dat op grote afstand zichtbaar was en een enorme sensatie heeft veroorzaakt. Een groot aantal predikanten vroeg zich af, of het tot nu toe gepredikte niet veel onjuistheden bevatte en er werden nieuwe wegen ingeslagen. Studenten in de theologie maakten een geloofscrisis door,velen waren zo geschokt dat zij de studie opgaven en een ander beroep kozen.”, aldus de auteur Speicher. Het komt ons bekend voor in onze tijd, zou ik zeggen. 

Aanklagers en critici komen aan het woord. Ik citeer Strauss: …..”daarom leeft de criticus in de overtuiging geen heiligschennis te begaan maar juist een goed en noodzakelijk werk te verrichten wanneer hij al datgene opruimt waardoor Jezus tot een bovennatuurlijk wezen wordt gemaakt, en het beeld van de historische Jezus zo goed het als nog gaat opnieuw samenvoegt”.  

Dit zogenaamde goede en noodzakelijke werk werd door vele andere bekende en onbekende geleerden, filosofen en theologen uitgevoerd, telkens gericht tegen de vooronderstelde tegenstrijdigheden in de Evangeliën en de dogmatische Jezus van de Kerk. Vele hypothesen en vermoedens over het ontstaan van de Evangeliën werden opgesteld. Het zogenaamde Synoptische probleem ontstond. Had Mattheus van Markus overgeschreven? Was er misschien ook ander ‘materiaal’ dat de Evangelisten hebben gebruikt? De Q Bron (quelle) verscheen op het toneel en er werd gesproken over een proto-Markus, een proto-Mattheus en een proto-Lukas Evangelie. Lessing meende dat er een Oer-evangelie zou zijn geweest waaruit de latere Evangelien zouden zijn ontstaan.

Kortom, een steeds uitgebreider stelsel van hypothesen werd ontworpen. Over het ontstaan van de Evangelien zijn sinds de Verlichting  wel meer dan twintig hypothesen opgesteld. Maar wat was nu waar in al die veronderstellingen?

Het hoeft geen betoog dat het geloof en vertrouwen, zoals al gezegd, van vele gelovigen diep werd geschokt.

De Catholica kon deze funeste opvattingen nog wel buiten de deur houden, maar binnen de Reformatie vonden deze vrijzinnige en liberale opvattingen veel gehoor. Er was nog een andere grote invloed namelijk die van de godsdiensthistorische school. Deze school beweerde dat het Christendom niets anders was dan een vorm van de in die tijd aanwezige mysteriegodsdiensten. Er waren immers zogenaamde paralellen daarvan met het christelijk geloof aan te wijzen. Bekende namen als Bousset en Gunkel en Heitmaier maakten met hun studies indruk en verwarring.

Kortom, de aanval op de Blijde Boodschap greep om zich heen. De grote kardinaal Newman had die aanval op de Bijbel in zijn tijd ( de 19e eeuw) al voorzien. De laatste decennia, vooral na Vaticanum Twee, zien we een heropleving van deze opvattingen van de godsdiensthistorische school samen met heroplevende Gnosis. De oude geduchte tegenstander van het geloof van de Kerk.  De geschiedenis herhaalt zich zou je kunnen zeggen.

WIE ZEGGEN DE MENSEN DAT IK BEN?

Deze vraag stelde Jezus aan zijn leerlingen. Tegenwoordig zou je kunnen vragen: Wie zeggen de exegeten dat Hij is?

De bekende Dr. Albert Schweitzer (1875-1965), theoloog, nobel prijswinnaar en als arts werkzaam in Afrika, maakte van deze zoektocht naar de historische Jezus die tijdens de Verlichting ontstond in zijn opzienbarende klassieker “Geschichte der Leben-Jesu Forschung” (1906) de balans op. De hele zoektocht liep uit op een dood spoor en werd door Schweitzer ten grave gedragen.

Zoals al opgemerkt werd gezocht naar de echte historische Jezus waarvan in de Evangeliën slechts vervormde brokstukken bewaard gebleven zouden zijn. De uitkomst, het resultaat van deze op hypothetische vooronderstellingen gereconstrueerde Jezus bleek echter niet veel meer te zijn dan een wijsheidsleraar, een grote rabbi, een exorsist, een gnostische leraar etc. Iedere geleerde vond wel zijn eigen Jezus, concludeerde Schweitzer.

Werd nu de zoektocht naar deze historische Jezus gestaakt? Voorlopig wel, maar er vond in de wereld van de Bijbelwetenschap weer een nieuwe wending plaats die nog fundamenteler en ernstiger de inhoud van het hele christelijk katholiek geloven aantastte en op de helling zette.

En deze keer zou ook de Catholica hard getroffen worden.

Omstreeks 1920 betrad de bekende en befaamde protestantse bijbelwetenschapper Prof. Rudolf Bultmann het theologisch toneel met een

door hem, Martin Dibelius en Karl Schmidt bedachtte en ontwikkelde methode om het ontstaansproces van de Evangeliën in kaart te brengen.

De zogenaamde methode van de Geschiedenis van de Vorming van de Evangelien (Formgeschichte) werd dus op de Evangeliën toegepast en bracht een enorme wending in de bijbelwetenschap teweeg die diverse decennia het theologisch landschap, vooral in Europa, heeft bepaald en nog steeds z’n sporen nalaat.

Op zich is het een zeker belangrijke vraag vast te stellen hoe de Evangeliën eigenlijk uiteindelijk tot stand zijn gekomen. Deze methode bracht aanvankelijk elementen naar voren die algemeen als waardevol en positief werden beoordeeld. Het zou namelijk het bestaan van de Traditie bevestigen. Voer voor exegeten zou je zeggen.

Maar gaandeweg werd in de aangewende methode de resultaten van de zogn. Volksoverleveringen, Folkore, op de Evangelien toegepast. Wat houdt dit nu in? Het mondelinge aangenomen lange traditie proces vanaf Jezus tot het op schrift stellen van de Evangelien (voortaan als Ev. aangeduid) zou volgens de aard en de wijze van de volksoverleveringen hebben verlopen. Dat wil zeggen dat vanaf de aardse verkondigende Jezus in het overleveringsproces allerlei veranderingen en aanpassingen zijn opgenomen die bepaald werden door zogenaamde anonyme gemeente(n). Deze gemeenten hadden namelijk behoefte aan bepaalde zienswijzen en opvattingen voor de catechese en verkondiging.  Zo zouden b.v. wonderen en genezingen, allerlei handelingen en uitspraken van Jezus in de Evangeliën zijn opgenomen die helemaal niet door Jezus zo gezegd of gedaan zouden zijn.

De belangstelling en interesse voor de aardse historische Jezus zou niet meer hebben bestaan of zou in de aangenomen lange traditie periode  zijn vervaagd. Door de behoeften van deze zogenaamde creatieve anonyme gemeenten kregen legenden en mythen  hun plek in het aangenomen lange traditie proces voordat de Evangelien op schrift werden gezet. Al het bovennatuurlijke werd vertaald als zijnde legenden en mythen.

Vooral ook  vanuit de omliggende hellenistische wereld zouden elementen in de Evangeliën zijn verwerkt. Zo zou bv. Jezus als Zoon van God helemaal niet op de historische Jezus slaan maar zou overgenomen zijn uit een omringende hellenistische mysteriegodsdienst, etc.

Er is zo te zien wel enige overeenkomst met opvattingen van o.a. David Strauss te bespeuren echter met dit verschil dat volgens Bultmann wij vrijwel niets meer kunnen weten over de oorspronkelijke historische Jezus, behalve dat Hij is geboren, het Rijk Gods verkondigde en aan het Kruis is gestorven.

De historische Jezus is ons vrijwel geheel onbekend. Het reconstrueren van de historische Jezus is volgens Bultmann dan ook zinloos. Het gaat eigenlijk alleen om het aangesproken worden door het verkondigde Woord dat onze existentie direct raakt. Bultmann gebruikte de existentie-filosofie van Heidegger om het

kerygma, de verkondiging, te verwoorden waarin trouwens ook Kant een woordje meespreekt. De Opstanding van Jezus is ook geen historisch feit.

Geloof heeft niets te maken met heils-feiten en objectieve gebeurtenissen.

Alsof God niet bij machte zou zijn Zich in de natuurlijke orde te manifesteren!

Bij Bultmann is historie echter van geen belang en wordt uitdrukkelijk geloof en historie ontkoppeld. De HKM kreeg van Bultmann vrijbaan.

Om het Evangelie voor onze tijd verstaanbaar en begrijpelijk te maken moeten  de Ev., aldus Bultmann, worden ge-ontmythologiseerd d.w.z. de mythisch ingeklede verhaalde gebeurtenissen moeten worden ge-herinterpreteerd in een existentieel zelfverstaan. Vandaar geen letterlijk verstaan van Kersfeest, Pasen, de Opstanding, Pinksteren, de wonderen, de profetiëen, etc. Het is allemaal niet echt gebeurd en deze in mythologische taal beschreven ‘gebeurtenissen’ moeten voor de huidige moderne mens worden vertaald  in  termen van Heidegger’s existentie filosofie. Volgens Bultmann heeft geloof dus niets met historie te maken! Een fatale vergissing zoals nog zal blijken.

Bultmann was een gelovige man en ik oordeel niet over zijn intenties, maar dat in zijn ontwerp enorme consequenties voor het juist verstaan van de inhoud van christelijk geloof liggen, mag wel duidelijk zijn.

Het realisme van het geloof en van het zijn, waarop in de vorige lezing docent Ravensloot wees, is in het geding.

Maar dat in de school van Bultmann diverse onbewezen hypothesen een rol spelen zullen we nog zien. De anglicaanse theoloog en historicus John A.T. Robinson sprak in zijn ophefmakende publicatie , Redating the New Testament ( 1976) over de terreur van de onbewezen hypothesen en vermoedens…….

De vrijwel algemeen aanvaarde scepsis betreffende de historische geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de Ev.. vindt echter in Bultmann’s radicale bijbelkritiek mede z’n oorsprong. Kunnen wij gelovigen de Ev. dan nog vertrouwen?

Sommige leerlingen van Bultmann keerden zich evenwel tegen hun meester d.w.z. zij vonden dat er toch wel wat meer van de historische Jezus in de Ev. gevonden zouden kunnen worden. Nu ontstond de strijd over wat de echte en de onechte woorden van Jezus in de Ev. zouden kunnen zijn. Bultmann’s leerlingen openden weer de zoektocht naar de historische Jezus. De zogenaamde volgende  Jesus Quest ontstond.

 Bijbelkritiek in de Catholica

Zoals al gezegd had de katholieke Kerk in de periode van het modernisme deze opkomende vrijzinnige of radicale bijbelkritische opvattingen met strenge maatregelen buiten de deur weten te houden. Het probleem van hoe geloof en historie kunnen worden samengezien, samengehouden, stond toen in de belangstelling. Het probleem was nml. nog niet opgelost en bleef ondergronds bestaan. Het Christendom is een historische godsdienst en het is daarom van levensbelang om een juiste visie op de relatie, de band van geloof en historie op een verantwoorde  wijze te ontwikkelen zonder in historisme te belanden.

Er waren ontsporingen die de Kerk veroordeelde en er waren nieuwe benaderingen zoals van de bijbelgeleerde  Lagrange en Maurice Blondel die in de lijn van Newman werkten aan een oplossing voor het probleem over hoe de relatie van  ontwikkeling, historie en traditie moet worden gezien. Maar zoals de concilie theoloog Yves Congar ook al stelde: je kunt de oplossing van een probleem veroordelen, maar het probleem zelf niet.

HET TWEEDE VATICAANS CONCILIE

En toen kwam het 2e Vaticaans Concilie( 1962-1965) die de in de decennia voor het Concilie ontwikkelde geloofsinzichten betreffende de relatie van geloof en historie in een synthese samenvoegde zoals bevestigd in het document Verbum Dei. Maar…… al tijdens de eerste sessie van het concilie werd de bijbelgeleerde kardinaal Bea door bisschoppen benaderd met het verzoek om een Instructie, een weerlegging, te geven op nieuwe verontrustende opvattingen die de Kerk binnenkwamen. Het was de vanuit de Reformatie overgewaaide methode van de Formgeschichte van Bultmann die ook in de Catholica wortel schoot.  De grote reformatorisch Karl Barth had de katholieken al gewaarschuwd die weg niet op te gaan, maar het leed was blijkbaar al geschied. De Instructie noemt als aanleiding voor de publicatie ‘het feit dat heden ten dage vele geschriften verspreid worden waarin de in de Ev. vervatte uitspraken en gebeurtenissen in twijfel wordt getrokken.’“Dit heeft, aldus de Instructie, niet alleen op het gebied van de vakwetenschap, maar meer algemeen ook in het katholieke kamp als geheel aanzienlijke verwarring en onzekerheid geschapen.” Het was dus zeker niet een zaak die alleen de vakwetenschap aangaat! Integendeel. 

Zoals al aangemerkt werd er in deze methode vanuit gegaan dat “Eer de boodschap van de Ev. op schrift werd gesteld, stond zij bloot aan veranderingen, aan het binnendringen van vreemde bestanddelen en deels ook aan ernstige misvormingen.”

Alhoewel de Instructie over de historiciteit van de synoptische evangeliën verscheen, bleken de nieuwe radicale opvattingen over de inhoud en het ontstaan van de Ev. zich als een olievlek uit te breiden.

Geloof en historische instelling bleken daarin onverenigbaar. De consequenties van deze radicale opvattingen laten zich wel raden.

De Instructie zegt daarover dat ‘wij hier staan tegenover een niet minder ruïneuze kritiek als in de vorige eeuw die van David Strauss of Friedrich Chr. Bauer was, alleen de methode is anders en verfijnder. De historische waarde der Ev. en het vertrouwen daarin is op ernstige wijze geschokt.’

Een grote dominerende invloed ging van de school van Bultmann uit op de hele nieuwtestamentische bijbelwetenschap. In de jaren zestig werden in Duitsland bijna alle protestantse leerstoelen Nieuwe Testament bezet door Bultmann aanhangers of symphatisanten.

Er waren wel kritische publicaties van sommige katholieke exegeten en geleerden maar deze werden over het algemeen gesproken a.h.w. ‘overruled’, genegeerd.

Deze invloedrijke radicale visie op de H.Schrift, de Ev. had niets meer van doen met het geloof zoals verwoord in Vaticanum Twee, met name in de constitutie Dei Verbum waarin het geloof van de Kerk in de historische waarde van de Ev. en hun apostolische oorsprong uitdrukkelijk werd bevestigd.

Concilie theologen waren ontzet over deze ontstane situatie en kwamen in verzet.De latere kardinaal Jean Daniélou b.v. reageerde fel en stelde:
“Dat onder voorwendsel van wetenschappelijke exegese, van hermeneutica en van literaire  genres zag men practisch de hele inhoud van het Symbolum der Apostelen opgelost worden.”( Tests. Christen onderzoek uw tijd. 1968)

Henri de Lubac zag eveneens met schrik de crisis om zich heen grijpen die zijn weerga in snelheid en omvang in de geschiedenis van de Kerk niet kent. De hele Traditie wordt op de schroothoop van de geschiedenis gegooid, aldus de Lubac. Ook Paus Paulus de VI verhief zijn stem in zijn “Het Credo van het Volk van God” en sprak elders van de rook van Satan die de Kerk binnendringt.

Dat de secularisatie zijn oorsprong heeft in deze ontwrichtende opvattingen is niet moeilijk in te zien. Dat werd al bevestigd door o.a. H. Zharnt in zijn genoemd boekje. Daniélou beschrijft deze mentaliteit in 1968, zo vlak na het Concilie: nml. dat: “al die overblijfsels van het sacrale moeten verdwijnen, zowel uit de wereld van de gedachte als uit het leven. De christen van vandaag moet vastberaden worden geseculariseerd. Zijn christendom mag zich niet anders uiten dan in het pogen mens te zijn en anderen te helpen mens te zijn. Al de rest is mythologie. ( Tests 1968)

De ontdekking van de menselijke kant van de H.Schrift werd aldus niet meer samengezien en geloofd met de goddelijke oorsprong van de Openbaring.

De H.Schrift werd, zoals al opgemerkt, opgevat als een louter menselijk klassiek document met mooie religieuze verhalen die bestudeerd en uitgelegd moet worden met dezelfde literaire en historische methoden als elk ander klassiek geschrift.

Zo kun je bv. zeggen dat de menselijke zijde van Jezus teveel in de schaduw van Zijn goddelijke Persoon stond. Daar kwam dan wel een reactie op bv. in een publicatie van de katholieke theoloog Karl Adam in zijn bekende boek “Christus onze Broeder”( 1932). Ook Romano Guardini schreef zijn bekend werk “De Heer” waarin zowel de menselijke als goddelijke kant van Jezus werd getekend.

Jezus de Man met zand in zijn haar, die ook verdrietig, boos en bewogen kon zijn sprak de mensen aan. Maar die toch altijd werd samengezien en  beleden als Gods Zoon onder ons. Guardini ondervond toen echter ook kritiek van exegeten. Later begreep ik dat beter!

Maar wat zijn nu de consequenties van deze decennia lange dominerende invloed van de school van Bultmann voor Kerk , geloof en theologie?

Daar de Ev. ,volgens deze school,  geen of vrijwel geen oorsprong hebben in het apostolisch Oer-evangelie is er dus een breuk ontstaan tussen de historische aardse Jezus en het beleden geloof in de Christus als de Messias en Zoon van God volgens de Schriften. En niet alleen deze breuk maar tevens is er een breuk ontstaan tussen  het geloof van de apostolische Oerkerk en de beleden Christus in de grote Concilies. Hij die Eén is met de Vader en de H.Geest. Deze dogmatische Christus werd afgevoerd. Dit alles als resultaat van de HKM.

Of verschijnt er een ander Evangelie waarvoor Paulus op niet mis te verstane wijze heeft gewaarschuwd?

In 1990 beschrijft de Bijbelgeleerde Prof. Albert Félicé in het tijdschrift Emmaüs  in enkele openbarende artikelen de situatie en de invloed in de Catholica van de inmiddels als vaststaande wetenschappelijke verworvenheid van de    aangenomen resultaten van de Formgeschichte.

“Deze invloed is, aldus de auteur, één van de voornaamste oorzaken van de actuele geloofsmalaise die te zoeken is in de verregaande liberalisering van de tegenwoordige Bijbelverklaring, die de historiciteit van de Evangeliën sterk op

de helling plaatst en een ontmythologiserende herinterpretatie voorstelt van de meeste nieuwtestamentische teksten die voor het christelijk geloof van levensbelang zijn.”

Wat tegenwoordig, aldus Félicé, als het neusje van de zalm wordt voorgeschoteld, is niets anders dan oubakken opgewarmde kost!

Het is gewoon het menu van de vrijzinnige bijbelgeleerden van de vorige eeuw.

Achter het fenomeen van de geloofsmalaise gaat volgens de auteur een niets ontziende liberalisering van de exegese schuil! Daar is geen woord Frans bij.

Ongeveer in dezelfde tijd liet de toen nog kardinaal zijnde Joseph Ratzinger een duidelijk waarschuwende kritiek horen in zijn “Schriftauslegung im Wiederstreit”, dus een tegenstrijdige uitleg van de Schrift.

Hij noemde deze situatie rampzalig en desastruëus. Een ware noodsituatie in Kerk en Theologie! Als oorzaak noemde Ratzinger eveneens de aanname en doorwerking van de bijbelkritiek van de school van Bultmann in de Kerken. Zijn theoriëen zijn inmiddels al achterhaald maar de scepsis t.o. de Ev. en het Nieuwe Testament zit nog stevig in het zadel, zo gezegd.

Een oosters orthodox theoloog Nikos Nissiotis, goed op de hoogte met de westerse kerkelijke situatie, noemde deze exegese ‘zelfmoord’.

Gelukkig durven sommige geleerden hun nek uit te steken en tegen de stroom in te gaan. Zo is het de wens van o.a. Hans Urs von Balthasar dat de gelovigen onder de vele professoren nog enkele confessoren zouden kunnen vinden. Want aldus Balthasar, de gelovige is thans een zwaar beproefd mens.

KRITIEK OP DE KRITIEK

Maar was en is er dan verder geen fundamentele kritiek op deze radicale en ontwrichtende opvattingen te vinden? Zeker! Zelf ben ik onder de indruk van het levensverhaal van de bijbelgeleerde Mevr. Eta Linnemann. Uit de school van Bultmann, Fuchs, Gogarten en Ebeling komend was zij op weg naar internationale roem en bekendheid. Als hoogleraar Nieuwe Testament en lid van de International Society van exegeten stonden haar publicaties in hoog aanzien. Toen kreeg zij een soort Damascus ervaring en geraakte geheel van de kaart en depressief en begon te drinken. Haar studenten begonnen voor haar te bidden en zij ontmoette toen de levende Heer. Zij begon in te zien dat ze een blinde blindengeleider voor haar studenten was. Zij veranderde radicaal en vernietigde haar vroegere publicaties. Zeer scherp veroordeelde zij de ongelovige historisch kritische theologie die over de hele aardbol aan vele universiteiten wordt gedoceerd. Zij werd voortaan een theologe van het Woord van God in publicaties en lezingen.

Maar er is meer. De Scandinavische school die al sinds de jaren zeventig gedegen kritiek levert op de theoriëen van Bultmann en het opneemt voor de historische geloofwaardigheid van de Evangeliën. Harold Riesenfeld en Birger Gerhardsson bestudeerden de praktijk van de joodse traditie in de tijd van Jezus. Daaruit blijkt dat leerlingen van een Rabbi een sterk ontwikkeld herinneringsvermogen hebben en hele gedeelten van de Thora en andere joodse geschriften letterlijk konden citeren en onthouden. Zou dit in het onderwijs van Jezus aan zijn leerlingen en zijn apostelen anders geweest zijn? Hun studies geven een heel ander positief beeld van de betrouwbaarheid van de Ev.en de herinneringscultuur in die tijd. En recent heeft de Zweed Samuel Birskog deze gegevens nader uitgewerkt.

Zo heeft bv. de door Bultmann vermeende invloed van het hellenisme op de Ev. helemaal niet zo plaatsgevonden. Latere studies hebben dit duidelijk aangetoond. Helaas zijn deze studies in de wereld van de exegeten tot heden , zo lijkt het, vrijwel genegeerd.

Maar er is meer. Eerst een kleine persoonlijke noot  tussendoor. Onze dochter woont met haar gezin sinds begin van 2000 in Zweden. Daar kwam ik in contact met een kleine communiteit van Benedictijner monniken van Lutherse oorsprong. Ik wist niet eens dat er ook nog Lutherse benedictijnen bestonden. Met de Abt raakte ik in gesprek en hij vertelde mij dat hij nog had gestudeerd bij Prof. Riesenfeld. Deze bijbelgeleerde ging in de jaren zeventig naar de Katholieke kerk over, maar katholieke exegeten reageerden daar toen helemaal niet zo positief op. Wie wordt er nu nog katholiek, zo in die trant werd op zijn overgang gereageerd! Tekenend voor de ontstane situatie.

Intussen werd ik getroffen door de open en katholiserende instelling van deze Abt en zijn mede monnikken,  waar ik regelmatig contact mee onderhoud. De Abt  zei mij eens: ‘wij zien op naar de Stoel van Petrus’ en intussen is er ,deo gratias, een verzoek tot hereniging met Rome ingediend. Dat is nu pas echte oecumene, zou ik zeggen.

Maar er is nog meer. In het reformatorisch kamp zijn er twee grote, gelovige en wetenschappelijke exegeten opgestaan, werkzaam sinds de jaren zeventig,  die eveneens belangrijk werk verrichten, nml. Martin Hengel (helaas overleden) en Peter Stuhlmacher. Beiden waren door de emeritus Paus Benedictus XVI uitgenodigd naar Rome voor advies inzake zijn Jezus boeken. Hij kende beide auteurs nog uit de tijd dat zij in Tübingen doceerden. En dat mag ook als een oecumenisch gebaar worden gezien, lijkt mij.

Martin Hengel is een internationaal erkend groot expert op het gebied van de aanvang van het Christendom, de Joodse contekst en het Hellenisme. Zijn gezagvolle publicaties hebben ook de opvattingen van Bultmann weerlegd.

Gaat er nu een nieuwe wind waaien in de Bijbelwetenschap? Gezien door de al genoemde Rainer Riesner geconstateerde huidige scheiding onder exegeten, lijkt het er nog niet op. Maar Riesner levert zelf ook belangrijk werk. Hij was leerling van Martin Hengel en zijn proefschrift  Der Lehrer beleeft al de derde druk.

Van Riesner ontving ik belangrijke artikelen die een nieuwe oriëntatie zouden kunnen inluiden nml. “De terugkeer van de Ooggetuigen” in de bijbelwetenschap. De oog-en-oorgetuigen hebben een fundamentele rol gespeeld in de vorming van de Ev. Een gegeven dat vrijwel niet is verwerkt in de school van Bultmann  en zijn dominerende exegese.

Een opzienbarende prachtige studie is daarover verschenen door de anglicaanse exegeet Richard Bauckham nml. “Jesus and the Eyewitnesses”.

Een verandering in een dominerende tendens kan echter veel tijd kosten. Newman onderkende dit in zijn tijd ook. Hij kon zijn vernieuwende ideeën nog

niet verwerkelijkt zien. Misschien over 100 jaar, hoopte hij. Intussen moeten wij op God vertrouwen en geduld hebben, was Newman’s advies.

Dit is ook de juiste houding voor ons katholieke gelovigen in deze tijd. Wij zijn niet in staat om alles wat in de keuken van de exegese op het vuur staat te beoordelen, laat staan allemaal te lezen.

Maar wij mogen vertrouwen op de H.Geest en de leiding die wij mogen ondervinden in de CKK die ons temidden van ontwrichtende en tegengestelde opvattingen op het rechte spoor houdt.

Er is gelukkig ook vanuit gelovige Bijbelwetenschap genoeg ondersteuning te vinden voor ons vertrouwen in de historische geloofwaardigheid van onze Evangeliën.

Ja, er valt zelfs te zien dat door of in de al genoemde scheiding onder de exegeten er een toenadering ontstaat tussen katholieke, reformatorische en anglicaanse bijbelwetenschappers over de wezenlijke gezamenlijke visie op de H.Schrift. Dit is een waarachtige positieve ontwikkeling met een echt oecumenische inhoud. De H.Geest is hierin aan het werk opdat eens de wens en opdracht van de Heer: “Opdat allen Een zijn” tot vervulling mag komen.

De zogenaamde consensus op grond van de historische bijbelkritiek die dwars door de kerkmuren heen loopt is wel door de mij bekende auteur Karel Wiecherink in zijn pas verschenen boek ”Van goddeloos tot Rooms”   terecht de hutspot oecumene genoemd.

Het Woord van God laat zich niet in een methode vastbinden. Eta Linnemann zegt in haar nawoord dat “het niet haar bedoeling is de vertegenwoordigers van de historisch-kritische theologie met de vinger na te wijzen, ook wanneer ik

vaak er niet omheen kan enigen met naam te noemen. Zij zijn noch dom, noch slecht, maar intelligent en menselijk respectabel, misschien zelfs vroom, maar ……zij zijn gevangenen van een systeem.”

Maar aan de andere kant denk ik aan de uitspraak van de russische schrijver Wladimir Solowjews die in zijn Geschiedenis van de Antichrist als eindtijdelijke tegenspeler van de Verlosser van de gelovigen erop gewezen heeft dat deze Antichrist zich ontpopt als een beroemde exegeet……

Tot besluit laat ik Augustinus aan het woord die de gelovigen in zijn tijd heeft voorgehouden:

“Wie zou het blijvend Woord kunnen begrijpen?

                               Al onze woorden klinken en verklinken!

                               Wie zou het blijvend Woord kunnen begrijpen

                               Dan alleen hij die in het Woord zelf blijft?”

Nu we het Paasfeest weer gaan vieren mogen we ons de woorden van de grote apostel Paulus in herinnering roepen die in zijn brief aan de Korintiërs erop wees dat

Indien Christus niet verrezen is dan is uw geloof zonder nut. Maar nee, Christus is werkelijk verrezen!

 En het is geen mythe maar wonderbaarlijke goddelijke realiteit.                       

Door dit geloof aan te nemen mogen we blijven in Zijn Woord, het geloof van de Kerk van alle eeuwen, ondanks alle ontkennende en negatieven beschouwingen om ons heen.

AMEN    –    ZALIG PASEN.

THOMAS VAN AQUINO EN DE KLASSIEKE THEOLOGIE

VICTOR RAVENSLOOT
VICTOR RAVENSLOOT

Drs. Victor Ravensloot doceert filosofie aan de priesteropleiding van het bisdom Haarlem-Amsterdam. Klassiek is de theologie die de nadruk legt op het verstand van de mens inzake de geloofswaarheden. Theologie is een “gewijde wetenschap” die God centraal stelt en van daaruit de wereld en de mens begrijpt. Ze heeft haar wortels voor een deel in de natuurlijke theologie van de Oudheid, en voor een deel in de bovennatuurlijke waarheid van de Openbaring via de H. Schrift. De mens is zo geschapen dat hij met zijn redelijk vermogen kan weten dat er een Eerste Oorzaak is, zoals Aristoteles leert. Die  Eerste Oorzaak wordt in de Openbaring God genoemd. De bovennatuurlijke en de natuurlijke theologie zijn niet van elkaar gescheiden, zoals Blaise Pascal dacht, maar verstrengeld. Er is, anders gezegd, harmonie tussen “geloof” en “weten”. De gewijde wetenschap werkt hiërarchisch, vanuit het geheel naar de delen. Wat God betreft, moet men onderscheiden tussen wie Hij als zodanig is (ad intra), en hoe Hij naar buiten toe werkt (ad extra). Het trinitaire wezen van God is een ding, iets anders is de Mens geworden Verlosser (ad extra).

Theologie hoort niet thuis in profane instellingen, en dient alleen door gelovigen te worden onderwezen.

Hieronder volgt de samenvatting van Victor Ravensloot:

 

Theologie als gewijde wetenschap

Sint Augustinus was de eerste, die de christelijke godgeleerdheid als gewijde wetenschap erkende. Daarmee was de klassieke theologie gevestigd en werd zij dienstbaar gemaakt aan het door de Kerk verkondigde geloof. In het vervolg hield men zich hieraan: het gaat in de theologie om verdieping en verbreding van inzicht in de  Openbaring en in  de openbaringswaarheden.

Sint Thomas van Aquino sloot zich hierbij aan onder verwijzing naar de apostel Paulus, die in Timotius II, 3 schreef, dat de gehele geïnspireerde Schrift van nut is om te onderwijzen, te argumenteren, te corrigeren en op te voeden. Thomas benadrukt (in diens Summa theologiae I, q.2, art.1), dat de theologie sacraal, gewijd is (een sacra doctrina, heilige leer) omdat haar uitgangspunten de door God in de Openbaring gegeven waarheden zijn. De theologie is wetenschap, omdat de geloofszaken daarin, met behulp van filosofische beginselen belicht en beargumenteerd worden.

Er is een natuurlijke theologie, die vanuit de schepping tot God komt. De natuurlijke theologie heeft tot taak door middel van het godsbewijs het geloof in de goddelijke Openbaring voor te bereiden. De mens moet eerst met zijn gewone verstand weet hebben van elementaire zaken, zoals ‘hoogste’, ‘wezen’, ‘eerste’, ‘oorzaak’ enz., zodat hij tot de twee hier relevante grondvragen kan komen: “waar komt alles vandaan?”; “waartoe bestaat het?”. De natuurlijke theologie is geen geïsoleerde filosofie, maar wordt organisch geïntegreerd in de bovennatuurlijke openbaringstheologie, want vanuit het geloof wordt de natuurlijke kennis over God vanuit de schepping bevestigd en wel in Paulus’ brief aan de Romeinen.

De ingestorte geloofsdeugd doet door de Kerk onderwezen bovennatuurlijke waarheden op bovennatuurlijk zekere en hogere wijze kennen dan met het natuurlijke verstand mogelijk is..

 

Het eigen onderwerp van de theologie

Eerst komt het geheel, dan de delen die alleen vanuit het geheel begrepen kunnen worden. Dit geldt ook voor de wetenschappen, die elk hun eigen specifieke onderwerp hebben. Dit onderwerp is allereerst een geheel, van waaruit vervolgens de delen bestudeerd worden. Zo gaat het in de theologie eerst over God in Diens algehele godheid en vervolgens pas over de vele aspecten die we van God kunnen weten. Van kapitaal belang is het onderscheid tussen de goddelijke immanentie, Gods innerlijke Zijn en de goddelijke transiëntie, Gods buitenwaartse werking. Worden beide onvoldoende afzonderlijk gezien, dan wordt bv. het risico gelopen dat de Drieëenheid als zodanig in één vlak gezien wordt met de heilseconomisch werkingsaanwezigheid van de Drieëenheid in de wereld en dat het goddelijke Woord, de Zoon die van eeuwigheid af bij de Vader is, geheel vereenzelvigd wordt met het goddelijke Woord, zoals dit Mens werd in Christus.

 

De Summa theologiae van Thomas van Aquino als norm van de klassieke theologie

Dit standaardwerk is hét voorbeeld voor de klassieke theologie. In de eerste plaats gezien het sacrale karakter ervan met volstrekte ondergeschiktheid aan geloof en Kerk, voorts krachtens het tijdloze/onveranderlijke van de behandelde geloofswaarheden (waarbij het gaat om die zaken zélf) en tenslotte vanwege de systematische, in hiërarchische ordening gebrachte, behandeling van de stof.

In het eerste deel gaat het over God als zodanig, Die het Zijn zelf is, uit Zichzelf bestaat. De goddelijke eenheid wordt filosofisch toegelicht, wat ook geldt voor de andere eigenschappen van de godheid.. Daarna wordt de persoonlijke drievoudigheid van God langs wijsgerige weg beschouwd. Dan wordt overgegaan naar de beschouwing van de goddelijke werking naar buiten toe, het scheppen en in stand houden van de eindige dingen, geestelijke en materiële, welke besproken worden.

In het uit twee secties bestaande tweede deel van de Summa worden de algemene kenmerken van de mens tegen het licht gehouden, waarop de deugdenleer uiteen gezet wordt, waarbij eerst de bovennatuurlijke theologalia (geloof/hoop/liefde) langskomen en dan de cardinalia (voorzichtigheid/rechtvaardigheid/sterkte/matigheid), alsook de specifieke deugden per levensgebied. Mét Augustinus wordt het kwaad aangemerkt als een beroving van verschuldigd goed, waarop de ondeugden besproken worden.

In het derde deel gaat het over de goddelijke verlossing, met de christologie als zwaartepunt, in welk verband het wezen van de genoegdoening aan de Vader en het offerend verdienen van de eeuwige gelukzaligheid voor de mens aan de orde komen. Vervolgens gaat het over de vruchten van het kruisoffer en de toepassing daarvan op de gelovigen in de Kerk, door middel van de sacramenten, aan elk waarvan de nodige aandacht besteed wordt.

De gehele Summa theologiae is streng syllogistisch opgezet, met stelling, contrastelling en gevoltrekking. Het gaat erin dus alleen over tijdloze en onveranderlijke waarheden  Wordt er naar de oud- of nieuwtestamentische geschiedenis verwezen, dan gaat het om wát er gebeurd is, niet om het geschieden als voortgang in de tijd.

Tot de 19de eeuw bestond er alleen klassieke theologie en wel in dier voege, dat het altijd ging over de uitleg van de geloofszaken zelf, ook in de theologische richtingen die zich niet aansloten bij die van Thomas.

 

Ontwikkelingen naar de niet-klassieke theologie

Bepaalde neoplatoonse opvattingen (Dionysius, natuurfilosofie van Chartres, Avicenna) beïnvloedden de 13de-eeuwse franciscaanse theologie. De vaste grens tussen hemel/bovennatuur en aarde/natuur vervaagde wat, waarmee ook de goddelijke innerlijkheid meer overliep in de goddelijke buitenwaartse werking en het onderscheid tussen de Zoon in de Triniteit en de Zoon met de menselijke natuur, Christus, minder duidelijk werd. Deze tendensen belandden in de 16de-eeuwse jezuïetentheologie.

Sinds de 17de en vooral de 18de eeuw werd vaak de organische samenhang niet meer in acht genomen en verwerd theologie tot een verzameling losse ‘weetjes’, zonder nog een weg naar God te zijn. Daartegen reagerend, zochten sommigen in de vroege 19de eeuw de theologie te vernieuwen door zich minder op de kerkelijke leerstukken zelf te richten en meer intuïtief dan logisch redenerend tewerk te gaan. Onderhand lieten de ‘kritische  en de ‘idealistische’ filosofie zich gelden in de theologie. De invloed van Kant deed de reële wereld opgaan in een denkwereld, waarbij het goddelijke tot een hogere afdeling van het menselijke kon worden. Hegel bracht het historicisme in de moderne theologie, zodat de geschiedenis als de eigenlijke werkelijkheid opgevat werd, zich manifesterend in de cultuurvormen, waaronder ook de wisselende theologische stelsels. Hierbij voegde zich de levensfilosofie van Bergson, de handelingsfilosofie van Blondel en de existentiële fenomenologie van Heidegger. In de tweede helft van de 20ste eeuw was er in deze niet-klassieke theologische context geen onveranderlijke waarheid meer te handhaven en kwam het tot een permanente crisis van geloof en kerk.    .  .

Herstel van de klassieke theologie (?)

Dit zal van de kerkelijke autoriteit moeten komen, die – de fouten van het verleden vermijdend – de dogmatiek weer tot theologische kern moeten maken, ondersteund door de filosofie van het zijnde volgens Sint Thomas van Aquino, in aristotelisch-realistische zin.

Tijdens het vragenuurtje rijst de vraag of het al te rationele niet te weinig rekening houdt met het “mysterie”. Zo komt de term “de Godmens” niet bij Thomas voor. En hoe wordt de “Drieëenheid” begrepen en uitgelegd?

 

CHRISTENEN IN SYRIË

Dr. Polycarpus Augin Aydin
Dr. Polycarpus Augin Aydin

Dr. Polycarpus Augin Aydin is aartsbisschop van de Syrisch-Orthodoxe kerk in Nederland. Zijn standplaats is in Twente, waar de meesten van de ongeveer 20.000 Syrische christenen in Nederland wonen. Er zijn daar acht parochies, en er is een klooster gewijd aan Sint Ephrem. Amsterdam telt drie parochies.

Gewoonlijk ziet men twee grote tradities, het Griekse Oosten en het Latijnse Westen. Maar er is een derde traditie, de Syrisch Oosterse. De eerste twee zijn gesitueerd in Europa. De Syrische echter, is geworteld in het gebied waar het christendom oorspronkelijk vandaan komt. In Syrië bestaat nog, locaal, het Aramese dialect, de taal die sterk verwant is aan het Galilese dialect, waarin Jezus en de apostelen hebben gesproken. De denkwereld van het Aramees is Semitisch, met inbegrip van de symboliek, de beeldspraak en de parabels die Jezus gebruikte. De Syrische traditie staat dus heel dicht bij de bron. Dat betekent niet dat zij rivaliseert met de Griekse en de Latijnse. Ze is veeleer een waardevolle aanvulling. Wat de drie met elkaar gemeen hebben, is het belangrijkste.

Vanaf het begin had het Syrische christendom een missionaire drijfveer. Haar missionarissen brachten het Evangelie naar het Verre Oosten, naar India, Mongolië, Tibet en China. Al in de zesde eeuw vestigden zij het christendom in dat laatste land. De Syrische missionarissen hulden het in de plaatselijke confucianistische vormen om het ingang te doen vinden bij de Chinezen. De kerkgebouwen bijvoorbeeld, kregen het uiterlijk van Chinese tempels. Alleen  aan het kruis erboven en aan het interieur kon men zien dat het om christelijke kerken ging.

Een ander belangrijk kenmerk van de Syrische traditie is haar corpus van liturgische teksten, die teruggaan op de kerkvaders van het Oosten, zoals Sint Ephrem e.a. De teksten zijn vaak gegoten in poëtische vorm. Tegenwoordig vindt men dat de geloofswaarheden of de christelijke mysteriën beter tot hun recht komen in gedichten. Ephrem de Syriër bijvoorbeeld, kerkvader en theoloog, kan als dichter in een adem genoemd worden met Dante Alighieri. Hij schreef hymnen die werden gezongen door het koor in de kerk. En ook door vrouwen, moeders die waardig werden geacht God eer te bewijzen met gezang.

In het Oosten heb je ook de Armeens-Orthodoxe kerk, de Koptisch-Orthodoxe kerk , de Orthodoxe kerken van Ethiopië en Eritrea, en de kerken in India. De Syrisch-Orthoxe kerk bestaat niet alleen in het Midden-Oosten, in Syrië, Irak, Libanon, Palestina, maar ook in het Westen, in Zweden, Duitsland, Nederland, België, Zwitserland, Oostenrijk, Noord en Zuid Amerika, Australië, Nieuw Zeeland, en in India (Kerala).

Syrië heeft 22 tot 23 miljoen inwoners. Arabisch is de voertaal, maar er wordt ook Aramees, Armeens, Turks en Koerdisch gesproken. De meeste moslims zijn soennieten, verder zijn er sjiieten, alawieten, en een procent drusen. Tien procent van de bevolking bestaat uit christenen, zowel van de Grieks-Orthodoxe traditie die lang het Syriacs als taal hebben gebruikt, als van de Melkitische met Rome gelieerde traditie. Voorts zijn er van de Armeense en Syrische-Orthodoxe traditie. En dan zijn er nog protestantse en evangelische kerken. Antiochië was de hoofdstad van het oude Syrië. Dat was de stad waar de volgelingen van Jezus voor het eerst christenen werden genoemd. Het moderne Syrië is ontstaan na de Eerste Wereldoorlog, en in 1946 kwam de Baath Partij aan de macht met Hafiz Assad. En de christenen speelden een sleutelrol in de creatie van de Arabische beweging en de Arabische staten. Voor de christenen is vooral Damascus van belang omdat daar de bekering van de apostel Paulus plaatsvond. Syrië is dus de wieg van het christendom.

Wat te zeggen van het conflict dat we tegenwoordig in Syrië zien. In de Middeleeuwen overheerste het Geloof. In de moderne tijd, in onze tijd, overheerst de Economie. En de Economie is de voornaamste factor in de verhoudingen tussen de mensen, op het gebied van de wereldpolitiek. Ooit torenden de kerken boven alle huizen en gebouwen uit; thans domineren de banken de skyline. De zogeheten Arabische Lente in het Midden-Oosten heeft een economische oorsprong. Daarnaast zijn er historische en politieke factoren. Wat de islam betreft, is er wrijving tussen de soennieten en de sjiieten. En vaak is de macht in handen van de minderheid. In Irak bijvoorbeeld, is de meerderheid sjia, terwijl de macht in handen was van de soennieten. In Syrië had je precies het omgekeerde. De alawieten, tot de sjia behorend, vormden slechts twintig procent van de bevolking, maar ze hadden wel de macht. Dit schept gevoelens van onbehagen, die bovendien worden gevoed door andere landen in de omgeving. Saoudi-Arabië is soenni, en Iran is sjia, en die twee groepen vechten om de hegemonie in het Midden-Oosten. Ook controle over de heilige plaatsen van de moslims vormt een reden voor spanning. Turkije is overwegend soenni, en dan zijn er nog de emiraten en Israël. Al met al, een conflictueuze situatie van economische, sociale en geografische aard, waarbij ook de grootmachten Amerika, China en Rusland een rol spelen. Syrië is van strategisch belang, en gelieerd met Iran. Dat laatste steekt Amerika omdat Rusland en China Syrië en Iran steunen.

Hoe zit het met de christenen in het Midden-Oosten. Bij de mensen in het Westen bestaat daarover onwetendheid. Ze beseffen te weinig dat het christendom in het Oosten is geboren, terwijl ze er niet aan twijfelen dat het jodendom en de islam daar zijn ontstaan. Maar alle drie de religies hebben een semitische oorsprong, en hebben zich allereerst in het Midden-Oosten verspreid. Maar wat is er met de christenen daar in onze tijd gebeurd? Dat is het eigenlijke onderwerp van deze uiteenzetting. De rol van de christenen in het Midden-Oosten, in politiek, economisch en sociaal opzicht is in de 20ste en 21ste eeuw steeds verder gemarginaliseerd, mede als gevolg van de toenemende vijandigheid rondom hen. Zowel moslims als joden hebben de neiging de christenen een pro-Westerse agenda te verwijten ten koste van de plaatselijke belangen. En dit, ondanks het feit dat de christenen altijd in het Midden-Oosten hebben gewoond, en cultureel en sociaal in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de eigen regio. Dat laatste is iets wat westerse christenen te weinig beseffen, zoals ze evenmin weet hebben van de diversiteit van de verschillende christelijke kerken in het gebied. Het oosterse christendom wordt te vaak in verband gebracht met het Griekse christendom en dat van Oost Europa.

De Syrische christenen vormden ooit een brug tussen de Grieken en de Arabieren. Het waren Syrische geleerden die de Griekse filosofie vertaalden in het Syrisch en later in het Arabisch. En toen de Arabieren doordrongen in Andalusië kon de Griekse filosofie verspreid worden over heel Europa, waardoor de grondslag werd gelegd voor wat de Renaissance zou heten. De bijdrage van de Syrische christenen aan de Arabische wereld wordt bevestigd door Arabische bronnen. Het belang van de Arabische christenen verdient meer aandacht. In de Middeleeuwen verschaften zij de moslims toegang tot het Griekse erfgoed. Gedurende het verval van de Arabische beschaving hielpen zij het Arabische erfgoed door te geven aan de tijd daarna, en zodoende voor verdwijning te behoeden. In de 19e en 20ste eeuw hielpen zij de overgang van de Arabische wereld te bevorderen vanuit traditionele naar moderne tijden. Zo hebben zij aanzienlijk bijgedragen aan de stichting van de moderne Arabische staten. In Irak bijvoorbeeld, was het eerste instituut voor hoger onderwijs een creatie van de jezuïeten, en het stond open voor zowel de christelijke als de islamitische elite. Later werden de jezuïeten uitgewezen door het regime. In Libanon waren de christelijke maronieten de grondleggers van het hoger onderwijs. Zij waren de eersten die een lexicon van de Arabische taal samenstelden, kranten en boeken uitgaven, de Arabische wereld geest gaven. In het verleden bestond er een culturele uitwisseling en vreedzame coëxistentie tussen de Arabische christenen en de Arabische moslims en de joden. In de 9e eeuw hadden de sultans in Damascus en Bagdad tamelijk vaak christelijke artsen, en ze omringden zich met christelijke geleerden en vertalers. Soms werden christenen zelfs vizier van de sultan.

Als we nagaan hoe belangrijk de bijdrage van de Arabische christenen in het Midden-Oosten is geweest, kunnen we ons afvragen waarom ze nu zo gemarginaliseerd en vervolgd worden. In Palestina, een staat waaraan de christenen veel hebben gegeven, is de situatie thans zo slecht dat vaders hun zonen die in het Westen gaan studeren aanraden om maar liever daar te blijven. In Irak waren christenen die prominente posities innamen op de terreinen van het onderwijs en de zakenwereld. Maar sinds uit uitbreken van de oorlog (2003) kwam daar snel een einde aan. De christenen hadden er genoeg van om aan kant geschoven te worden, of uitgebuit, gediscrimineerd, of gemangeld tussen de strijdende partijen. Ze hadden altijd hun land gediend, en nu mochten ze het ergste vrezen. Ze vertrokken liever naar elders.

En zo is het aantal christenen in het Midden Oosten sterk dalende. De kerkelijke leiders zien de exodus met lede ogen aan. Het christendom was immers geboren op de plaats waar het nu hoe langer hoe meer verdween. De christenen zouden moeten blijven, om ter plaatse van Christus te getuigen en locale gemeenschappen mee op te bouwen. De Internationale Gemeenschap zou zich moeten inspannen om de aanwezigheid van christenen in de regio te garanderen als burgers met alle rechten die daarbij horen. En in het Westen zou hieraan meer aandacht gegeven moeten worden. Helaas worden christenen in het Midden-Oosten door extremistische groeperingen gezien als een obstakel voor hun plannen. De zogeheten Arabische Lente, pluralisme en democratie vinden die groeperingen gevaarlijk.

Syrië is er tegenwoordig bijzonder slecht aan toe. Neem de gijzeling van de twee aartsbisschoppen van Aleppo, en Alexandretta en Antiochië (in Turkije). Tot op heden is er niets van hen gehoord. Ook zijn er een aantal nonnen gegijzeld, die nog steeds niet zijn vrijgelaten. En dan is er een jezuïet in Marmousa die de dialoog bevorderde tussen christenen en moslims en die is gevangen genomen, en volgens sommigen geëxecuteerd. Velen hebben hun leven verloren, of ze zijn gedwongen te verhuizen. Vele kerken en heiligdommen zijn vernield. Niet alleen christenen, maar ook anderen zijn op de vlucht geslagen. Het aparte van de christenen is echter dat ze vaak klem raken tussen de strijdende partijen. Er waren honderd gezinnen die Irak na 2003 waren ontvlucht en die in Damascus waren neergestreken denkend dat ze in Syrië veilig zouden zijn. Ze hebben daar een eigen kerk gebouwd, maar twee jaar later moesten ze ook dat land verlaten.

Kan er iets gedaan worden voor de toekomst van die landen en van de christenen? Dat zal voor een groot deel afhangen van de grootmachten, want we leven nu in een wereld waarin alles steeds meer met elkaar te maken heeft. We moeten hopen dat vreedzaam samenleven van de verschillende godsdiensten in de toekomst weer mogelijk zal zijn.

 

Vragen:

–          Rusland biedt asiel aan 50.000 christenen. Dat is toch goed nieuws?

–          Nou ja, Rusland speelt ook een politiek spel. Als het inderdaad alleen om de christenen zou gaan, ja, dat zou heel mooi zijn.

 

–          Waarom houdt het Westen geen rekening met de belangen van de christenen?

–          Ook dat heeft politieke oorzaken. Het Westen, en ook Israël hebben belang bij de creatie van een Koerdische staat in het gebied verspreid over Turkije, Syrië, Irak en Iran die als buffer dient voor Israël.

 

–          Waarom gaan er geen christenen vechten in Syrië tegen de jihadisten?

–          De Koran moedigt aan tot strijd. Ook het Oude Testament. Maar de joden zouden nooit bomgordels omdoen, zichzelf opblazen. Laat staan dat christenen daartoe overgaan. Waarom moslims het wel doen? Daar zitten economische redenen achter, maar ook het geloof dat ze door zich op te blazen het paradijs zullen beërven. Christenen zoeken alleen vreedzame coëxistentie. We hebben uiteindelijk dezelfde God, en sinds de oprichting van de Wereldraad van kerken in 1948 zoeken christenen meer hun overeenkomsten dan hun onderlinge verschillen. We moeten als christenen niet alleen openstaan voor elkaar, maar voor alle mensen. Er was een tijd dat de aartsbisschop van Syrië en de groot-moefti van de moslims vriendschappelijk met elkaar omgingen. Maar volledige vrijheid was er niet door toedoen van fundamentalisten die nog niet klaar zijn voor de dialoog. Zij voelen zich te zeer door het Westen bedreigd. Ze zijn bang om hun identiteit te verliezen.

de voorzitter

VERSCHIJNINGEN EN WONDEREN IN KOREA

Peter Klos

Pater Peter Klos

Hostie in mond

Korea is sinds 1950 verdeeld in een communistisch noorden en een kapitalistisch zuiden. Vóór die tijd, vanaf 1910, was het land een kolonie van Japan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kozen de Koreanen de zijde van de geallieerden, en na de capitulatie van Japan in 1945 splitsten de Sovjet Unie en de Verenigde Staten het land op in twee zones. De oorlog van 1950 eindigde in de tweedeling tot op de dag van vandaag.

In 1785 was de eerste katholieke missionaris, Sung Hung Lee, vanuit China het land binnengekomen. En in 1830 ontstond het eerste bisdom, toegewijd aan Onze Lieve Vrouw van de Onbevlekte Ontvangenis (nog vóór het dogma van 1854). De overheid echter, zag in het voortschrijden van het christendom een bedreiging voor de heersende leer van Confucius. Dat leidde tot periodieke vervolgingen, en in de 19e eeuw tellen we tienduizenden martelaren.

In Noord Korea zijn, officieel, geen christenen. In het zuiden ligt Naju, in de zuidwest punt, en daar spelen zich de wonderlijke gebeurtenissen af waar pater Peter Klos met behulp van video-opnamen de aandacht op vestigt. Die gebeurtenissen moeten worden gezien tegen de achtergrond van de toestand waarin de Koreaanse Kerk zich bevindt. De welvaart in het kapitalistische zuiden heeft de mensen na de oorlog snel veranderd in materialisten. En ook de Kerk volgde de trend. De meeste priesters waren opgeleid in het Westen, en brachten vandaar de nieuwe geest mee die doorbrak met het Tweede Vaticaans Concilie. De knielbanken in de kerkgebouwen verdwenen, de liturgie kreeg een sociaal karakter, de biecht raakte in onbruik, in de theologie werd Jezus steeds meer als mens en steeds minder als God voorgesteld, de Maria-verering nam af, de catechese verwaterde, New Age-achtige boeken raakten in zwang, de oude voorouder-verering kwam weer terug, en over de abortus hielden de bisschoppen hun mond. Het geloof in wonderen hoorde niet meer bij de Kerk in de huidige tijd. De Koreaanse Kerk, kortom, was vergeven van modernisme en secularisme.

Julia Kim wordt in 1947 geboren uit vaag presbyteriaanse ouders. Haar vader, een geleerde, sterft als zij drie jaar oud is. Onderwijs gaat praktisch aan haar voorbij. In 1972 trouwt ze en krijgt vier kinderen. Ze lijdt aan darmkanker, en nadat de artsen haar hebben opgegeven stelt haar man voor om eens naar een katholieke kerk te gaan. Tegen de dienstdoende priester klaagt zij dat God haar niet helpt, waarop de priester zegt: U zult in uw lichaam meer genade ondervinden dan ik. Na die uitspraak voelt ze een warmte in haar lichaam, en genezing volgt. Geen arts kan die genezing verklaren. Julia en haar gezin bekeren zich. Zij wordt een vrome katholiek die voortdurend bidt. Op een avond krijgt ze een visioen waarin ze een bebloede Jezus ziet. Jezus lijdt onder de beledigingen van de mensen, en Julia vraagt mee te mogen lijden, een offerziel te worden voor de zonden van de mensheid. Jezus stemt toe, en vanaf dat moment begint Julia’s lijdensweg, getekend met bovennatuurlijke verschijnselen. God geeft haar te kennen zijn kastijding van de wereld nog uit te stellen omdat zij, Julia, bereid is Hem genoegdoening te schenken. O.a. voor de vele abortussen. In 2011 schijnt Julia te sterven tijdens het volbrengen van de lijdensweg op Goede Vrijdag, bij de twaalfde statie. Ze vertelt, achteraf, dat haar ziel in de hemel voor God had gestaan, en dat Hij haar had gezegd dat haar offer zijn straffende hand tegenhield.

In 1996 was Julia Kim in Rome aanwezig in de kapel van paus Johannes Paulus II. Daar verandert de hostie op haar tong in een rond stukje vlees. De paus roept de Koreaanse bisschoppen op hun bezwaar tegen de wonderen van Naju te laten vallen. Maar in 2003 excommuniceert de aartsbisschop van het diocees waarin Naju ligt de pelgrims. Hij vindt dat de verschijningen van Maria en Jezus met bijbehorende fenomenen als stigmata en mystieke pijnen niet meer bij de moderne tijd passen.

In februari en maart 2010 vindt, wederom tijdens een bezoek van Julia aan het Vaticaan, een eucharistisch wonder plaats waarvan rapport wordt gemaakt voor kardinaal Ivan Dias, prefect van de Congregatie voor de Evangelisatie van de volkeren. De dagen die Julia dit keer in Rome doorbrengt zijn uitgebreid op film vastgelegd. Zo zien we haar de communie ontvangen in de kapel van aartsbisschop Giovanni Bulaitis, en vervolgens zien we hoe de duivel haar op haar hotelkamer heeft belaagd. De filmbeelden vertonen krassen in haar nek en hals, maar laten ook stralen bloed zien over haar voorhoofd met punten van doornen. Dus ze moet enerzijds de kwellingen van de doornenkroon doorstaan, en anderzijds de aanvallen van de duivel verduren. De aartsbisschop twijfelt niet meer aan de geloofwaardigheid van Julia, en behalve kardinaal Dias wordt nu ook paus Benedictus XVI op de hoogte gesteld. Want opnieuw was, en dit maal voor het oog van invloedrijke getuigen, de hostie op de tong van Julia in een stukje bloederig vlees veranderd, en opnieuw was dat uitvoerig met de camera vastgelegd. Vervolgens had de aartsbisschop haar gevraagd de hostie door te slikken. En toen zij daarna haar mond opende, was er niets meer te zien. Geen spoortje van bloed op een doek die haar tong beroerde na het doorslikken van de hostie. Later werd zij in haar hotelkamer weer mishandeld door de duivel, die haar rozenkrans vernielde, een ravage achterliet en haar de dood aanzegde.

Het eucharistisch wonder moet Rome doordringen van de echtheid van de belevenissen van Julia Kim, alsook van de boodschappen die zij regelmatig van Jezus en Maria doorkrijgt. De paus wordt opgeroepen de wonderen te erkennen, en het Koreaanse episcopaat hoort van aartsbisschop Bulaitis dat het afgelopen moet zijn met diens tegenwerking. Julia Kim krijgt de raad hetgeen zich in Rome met en rond haar heeft afgespeeld op 25 maart aan de aartsbisschop van het diocees waarin Naju ligt, kenbaar te maken. Kardinaal Ivan Dias belooft de paus over alle details in te lichten. Naju moet een teken worden voor de hele wereld.

 

de voorzitter