Home » 2014 » april

Monthly Archives: april 2014

DE EVANGELIEN en de BIJBELKRITIEK

Cees Luttik

Cees Luttik

Toen de rechtvaardige jood Simeon in de tempel de pasgeboren Jezus in zijn armen hield sprak hij tot Maria de opmerkelijke profetie: ‘Zie, Hij is bestemd tot val en opstanding van velen in Israël en tot een teken van tegenspraak’ (Luk. 2:34 )

Vandaag, dames en heren, wil ik u iets vertellen over een actueel en belangrijk onderwerp waarin deze tegenspraak treffend tot uiting komt. Zijn namelijk onze vier Evangelien waarin Jezus ons in Zijn woorden en daden tegemoet treedt goede en betrouwbare bronnen? Hoe staat het met de historische waarde en de geloofwaardigheid van de Evangeliën en van het hele Nieuwe Testament?  Het is tegenwoordig een heet hangijzer, zo gezegd, en het bevestigend of ontkennend antwoord op die vraag treft ons christelijk katholiek geloven in het hart.

Het is een hachelijke zaak om als leek hierover iets te zeggen. Ik ben geen expert, laat staan bijbelexegeet. Schoenmaker houdt je bij je leest is nog  altijd een goed advies. Maar aangezien er in de radicale bijbelwetenschap niet zo goed passende schoenen worden aangeprezen, ben ik op onderzoek uitgegaan. Er zijn namelijk in deze materie opvattingen over de nieuwe kijk op het oude Boek die een enorme invloed hebben uitgeoefend op de inhoud en weergave van het christelijk geloof van vrijwel alle kerken en kerkelijke genootschappen.

Vanuit de bijbelwetenschap, of liever gezegd, de meer radicale bijbelwetenschap, zijn er grote vraagtekens gezet bij de historische betrouwbaarheid van onze Evangeliën. Zoals al gezegd ben ik geen exegeet en zal dus slechts in grote algemene lijnen iets over deze ontstane situatie kunnen aangeven. Ontwikkelingen in de bijbelwetenschap blijven namelijk niet ‘binnenkamers’ maar treffen vooral ook gewone gelovigen die werden en worden geconfronteerd met de doorwerking vanuit deze min of meer radicale bijbelwetenschap in de catechese, verkondiging, en in allerlei populaire tijdschriften en TV programma’s.

Toen ik in 1951 vanuit een protestants gezin door Gods genade naar de Catholica ben overgegaan was er in de RK kerk nog helemaal geen sprake van een radicale of vrijzinnige bijbeluitleg. Dit was allemaal ‘buiten’ d.w.z. in de reformatie en anglicaanse kerk.

Pas zo rond en vooral na het Tweede Vaticaans Concilie (1965) brak er een dijk door. Vanaf die tijd werd ik met nieuwe maar ook met bedreigende opvattingen in exegese en moderne theologiëen geconfronteerd. Voor mij en zovele anderen ontstond een crisis der zekerheden. Mijn ervaringen en zoektocht heb ik beschreven in m’n boek “Mijn weg naar de Catholica” dat in 2012 is gepubliceerd.

In de achtergrond en oorzaak van die crisis ben ik mij de laatste tijd meer gaan verdiepen om enig inzicht te verkrijgen in, naar ik meen, één of zelfs de hoofdoorzaak van deze ontstane algemene malaise en geloofscrisis te kunnen aanwijzen. Daarover straks meer.

Jezus staat in onze tijden enorm in de belangstelling. Dat is toch buitengewoon belangrijk en positief zou je zeggen? Dat geeft toch mogelijkheden voor gesprek en dialoog. Ja, maar er is echter ook een keerzijde. De  Anglicaanse bisschop in Australië, Paul Barrett, docent Nieuwe Testament, schreef in 1998 in zijn “Historische zoektocht naar Jezus”: ‘Het Christendom staat op dit moment voor een grote uitdaging. Barrett verhaalt dat er tussen 1980 en 1992 niet minder dan 260 boeken, artikelen en boekbesprekingen zijn verschenen op het gebied van de benadering van het leven van Jezus. ‘De uitdaging is, aldus de auteur, dat het merendeel van deze publicaties een Jezus tekent die onherkenbaar is voor het christelijk geloof van de kerk.’ Hetzelfde zou gezegd kunnen worden van Kuitert’s “Jezus, nalatenschap van het Christendom”(1998)

Wat is er nu aan de hand vraag je je dan af?

Vorig jaar kwam ik op het spoor van een artikel in het internationale katholieke tijdschrift 30 Tage (nr.3 2011) van de hand van de Lutherse bijbelgeleerde Rainer Riesner. Hij bespreekt daarin de situatie in de huidige bijbelwetenschap, de exegese. Riesner doet dit n.a.v. zijn recensie van een Jezus boek van onze vorige Paus Benedictus XVI. Een bespreking die heel positief uitvalt. Een opmerkelijk oecumenisch feit overigens. Maar in zijn artikel zegt hij tevens:’dat momenteel de scheidingslijn onder de exegeten verloopt tussen diegenen die sceptisch staan tegenover de historische betrouwbaarheid van de Evangelien en zij die een fundamenteel vertrouwen daarin voorstaan’.

Paus Benedictus heeft in zijn boeken over Jezus van Nazareth de evangelische Jezus beschreven. De Jezus zoals hij die zelf heeft gezocht en ervaren in zijn eigen geloofsleven en als jarenlange prefect van internationale pauselijke bijbelcommissie. Hij waarschuwde in zijn Jezus boek echter tevens voor de in omloop zijnde reconstructies van de zogenaamde historische Jezus, die de evangelische Jezus dreigt te verdringen. Als een ware Herder heeft hij de opdracht van Jezus aan Petrus uitgevoerd, nml. “Weidt mijn schapen, leidt mijn lammeren” etc. (Joh.21)

Met zijn Jezus trilogie heeft Benedictus de gelovigen een ware dienst bewezen en tevens de exegeten, bewust of onbewust, a.h.w. uitgedaagd om op zijn publicaties te reageren. En uit deze reacties blijkt nu, aldus Riesner, in onze tijd een scheiding onder de exegeten openbaar te worden. Een kwalijke zaak waarover overigens weinig naar buiten komt. Dat is nogal wat zou je zeggen. Het is namelijk een niet meer te overbruggen scheiding, stelt Riesner, die dwars door de Kerken heen loopt en nog maar weinig te maken heeft met de confessionele verschillen maar vooral met de waardering en de toepassing van de Historisch Kritische Methode. (voortaan HKM) Een methode die zowel door de reformatorische als door katholieke exegeten, maar zeker niet alle, wordt toegepast. Een toepassing die de grenzen van de kerken doorbreekt.  Oecumenisch? Ik kom hier nog op terug.

Dat wij hier in deze genoemde scheiding te maken hebben met beschouwingen en opvattingen die het hart en de grondslag van het algemeen christelijk katholiek geloven ‘im Frage’ stellen mag duidelijk zijn. Een zeer ernstige situatie dus.

Ik wil aantonen dat de grote geloofscrisis die al tijdens maar vooral na Vaticanum Twee de Catholica heeft overvallen voor een belangrijk deel in deze bijbelkritiek gezocht moet worden. Vooral ook de catechese en de verkondiging zijn, zoals al gezegd,  sterk daardoor beïnvloed geworden.

DE CATHOLICA EN DE EVANGELIEN

Vanaf de aanvang houdt de katholieke Kerk vast aan de historische betrouwbaarheid van de Evangelien. De Katechismus van de Katholieke Kerk stelt: ”De evangelies zijn het hart van de hele Schrift omdat zij het voornaamste getuigenis zijn over het leven van het vleesgeworden Woord, onze Verlosser”.  

Dat de H.Schrift het door de H.Geest geïnspireerde Woord van God is werd door alle eeuwen heen beleden en beleefd door de Kerk en alle kerkelijke gemeenschappen. Er waren en zijn wel  soms grote verschillen in interpretaties en beschouwingen, maar de H.Schrift is en was altijd het grote centrum waarop het geloof, de theologie en de liturgie mede is gebaseerd en waarin de gelovigen hun kracht en inspiratie vinden.

Er vond echter een dramatische wending in de christelijke geloofswereld plaats. Een wending, ontstaan in de reformatorische geloofswereld, met ook later voor de Catholica diepgaande gevolgen. Om iets van die diepe crisis te begrijpen die de Kerk en kerkgenootschappen als een ware tjunami hebben overvallen en ontwricht gaan we eerst een stukje terug in de tijd namelijk naar de periode van

DE VERLICHTING

Het besef van historiciteit van het menselijk leven en denken was in de periode van de Verlichting ontstaan. De mens is een historisch wezen en aan verandering onderhevig. Alles is historisch of het is niet, werd gezegd. In die tijd ontstonden de grote filosofische systemen van o.a. Hegel, Schleiermacher, op basis van historiciteit. De metafysische kant van het geloof werd verdrongen door de historiciteit die alles in een relatief licht ging bezien. Maar welk idee van geschiedenis, historiciteit, ontwikkelde zich? Welke plaats wordt daarin aan God toegekend?

In die tijd werd ook de Bijbel aan de opgekomen historische kritiek onderworpen. Waren de als historisch gebeurd zijnde beschreven verhalen en gebeurtenissen in de Evangelien wel echt gebeurd? Kan het wel zo gebeurd zijn?

De Bijbel werd op de wetenschappelijke rationalistische operatietafel ontleed. Moeten er niet andere verklaringen gezocht worden voor deze ‘wonderbaarlijke’ gebeurtenissen die voor de ‘rede’ aanvaardbaar zijn? Er moest een natuurlijke en redelijke verklaring gevonden kunnen worden die achter de teksten gezocht moest worden.

De zoektocht naar de zogenaamde historische Jezus ,die er geweest moest zijn voordat de Evangelien op schrift werden gesteld, werd geopend.

De dogmatische Christus werd steeds meer door de gereconstrueerde historische Jezus vervangen. De hemelse Christus moest plaats maken voor de menselijke Jezus. Een tegenstelling die tot op de dag van vandaag nog voortduurt. Er is een uitspraak die zegt: Problemen die vandaag niet worden opgelost, zijn de problemen van morgen.

Tot aan de achttiende eeuw was er echter nog geen vuiltje aan de lucht, stelde Dr. Meershoek in zijn nog altijd actueel boekje: Herbronning van de Evangeliën.

Het vertrouwen in de historische geloofwaardigheid van de Evangelien was een onbestreden vanzelfsprekendheid. Meershoek gaat in op de questie van de datering van de Evangeliën, nml. wanneer zijn deze geschreven? Was er na de Verrijzenis een korte of een lange ontstaansperiode van de Evangelien? Een aan het onderwerp van m’n verhaal zeer verwant onderwerp.

ERNST TROETSCH

In een studie over Ernst Troetsch: ‘Tussen Historisme en Relativisme’ van Dr.Klapwijk wordt gesteld dat “Het opkomen van het historisme een van de grootste geestelijke revoluties is die het Avondland ooit heeft beleefd”, een revolutie die het ganse gebinte van de westerse beschaving doet schudden, aldus Meinecke.

Het was in het jaar 1896 dat er te Eisenach een bijeenkomst van vrienden van het tijdschrift “Die Christliche Welt” werd gehouden. Na een lezing van een professor sprong ineens een jonge man op de katheder en riep met luide stem: ALLES WANKELT, ALLES WANKELT!! Deze jonge man bleek de later bekende protestantse theoloog en filosoof  Ernst Troeltsch te zijn. ( 1865-1923) Een man met grote invloed in die tijd.

Maar wat wankelde dan en wat bedoelde Troeltsch met zijn dramatische uitspraak? Hij verwoordde de grote problematiek van de theologie en de kerk in die tijd nml. de bedreiging van het opgekomen historisch denken, de greep op het christelijk dogma waardoor de openbaring van God wordt opgelost in een reeks van historische, literaire, psychologische, sociologische en godsdiensthistorische feiten, die tenslotte in het niets opgaan.

Troeltsch heeft met deze vragen geworsteld maar gaf zich uiteindelijk gewonnen aan het historisme. Hij heeft de inhoud en criteria van de toegepaste historische kritiek uitgewerkt welke thans door vele exegeten in de Kerken wordt toegepast. Enkele belangrijke criteria zijn dat in deze methode geen rekening wordt gehouden met Openbaring, Inspiratie van de H.Schrift, apostolisch gezag, wonderen, profetiën. Er is ook geen bovennatuurlijke werkelijkheid maar slechts één werkelijkheid: de zichtbare. De historische kritiek maakt elk afzonderlijk feit onzeker. De betwijfeling wordt een wetenschappelijke methode.

De Bijbel wordt als een louter klassiek menselijk document beschouwd en moet worden bestudeerd als elk ander klassiek document.

Troetsch stelt: ‘De historische methode, eenmaal op de bijbelse wetenschap en de kerkgeschiedenis toegepast is een zuurdeeg die alles veranderd en de hele tot heden geldende vorm van theologische methoden doet ontploffen.’

Een ware kernsplitsing vond in die roerige 19e eeuw in de geloofswereld plaats.

Heinz Zahrnt beschrijft in 1967 in zijn boekje “Bijbelkritiek en geloof”  deze hele problematiek. (Eerste uitgave 1960) Toen ik na het Concilie dit boekje van Zahrnt in handen kreeg was ik danig in twijfel. Wat is hier nu feitelijk aan de hand, vroeg ik mij af? Heeft de kritische historische wetenschap nu resultaten op tafel gelegd die veel van de inhoud van het geloof doet veranderen?

Staat dit nu wetenschappelijk allemaal vast? Stond de grondslag van het christelijk katholiek geloven op instorten?  

We kennen allen, of hebben daar wel eens iets van vernomen, uit die periode van de Verlichting in de 18e en de 19e eeuw de grote invloed op dit terrein van geleerden, filosofen en theologen als Hermann Samuel Reimarus, David Friedrich Strauss, Gotthold Ephraim Lessing, Ernst Renan, Friedrich Bauer, etc. die elk op hun manier de inhoud van de Evangeliën, als resultaat van hun historische studies, grotendeels als mythe beschouwden. Reimarus komt de twijfelachtige eer toe als eerste een grote systematische kritiek op de levensbeschrijving van Jezus in de Evangeliën te hebben gegeven. De Evangelisten zouden ook beschreven gebeurtenissen zelfs hebben verzonnen, aldus Reimarus. Lessing was bekend geworden door zijn publicatie Das Leben Jesu.

De schrijver Gunter Speicher beschrijft in zijn boek ”Maar doden kunnen ze Hem niet”, dat Lessing met de uitgave van fragmenten uit Reimarus werk een vuur heeft ontstoken dat op grote afstand zichtbaar was en een enorme sensatie heeft veroorzaakt. Een groot aantal predikanten vroeg zich af, of het tot nu toe gepredikte niet veel onjuistheden bevatte en er werden nieuwe wegen ingeslagen. Studenten in de theologie maakten een geloofscrisis door,velen waren zo geschokt dat zij de studie opgaven en een ander beroep kozen.”, aldus de auteur Speicher. Het komt ons bekend voor in onze tijd, zou ik zeggen. 

Aanklagers en critici komen aan het woord. Ik citeer Strauss: …..”daarom leeft de criticus in de overtuiging geen heiligschennis te begaan maar juist een goed en noodzakelijk werk te verrichten wanneer hij al datgene opruimt waardoor Jezus tot een bovennatuurlijk wezen wordt gemaakt, en het beeld van de historische Jezus zo goed het als nog gaat opnieuw samenvoegt”.  

Dit zogenaamde goede en noodzakelijke werk werd door vele andere bekende en onbekende geleerden, filosofen en theologen uitgevoerd, telkens gericht tegen de vooronderstelde tegenstrijdigheden in de Evangeliën en de dogmatische Jezus van de Kerk. Vele hypothesen en vermoedens over het ontstaan van de Evangeliën werden opgesteld. Het zogenaamde Synoptische probleem ontstond. Had Mattheus van Markus overgeschreven? Was er misschien ook ander ‘materiaal’ dat de Evangelisten hebben gebruikt? De Q Bron (quelle) verscheen op het toneel en er werd gesproken over een proto-Markus, een proto-Mattheus en een proto-Lukas Evangelie. Lessing meende dat er een Oer-evangelie zou zijn geweest waaruit de latere Evangelien zouden zijn ontstaan.

Kortom, een steeds uitgebreider stelsel van hypothesen werd ontworpen. Over het ontstaan van de Evangelien zijn sinds de Verlichting  wel meer dan twintig hypothesen opgesteld. Maar wat was nu waar in al die veronderstellingen?

Het hoeft geen betoog dat het geloof en vertrouwen, zoals al gezegd, van vele gelovigen diep werd geschokt.

De Catholica kon deze funeste opvattingen nog wel buiten de deur houden, maar binnen de Reformatie vonden deze vrijzinnige en liberale opvattingen veel gehoor. Er was nog een andere grote invloed namelijk die van de godsdiensthistorische school. Deze school beweerde dat het Christendom niets anders was dan een vorm van de in die tijd aanwezige mysteriegodsdiensten. Er waren immers zogenaamde paralellen daarvan met het christelijk geloof aan te wijzen. Bekende namen als Bousset en Gunkel en Heitmaier maakten met hun studies indruk en verwarring.

Kortom, de aanval op de Blijde Boodschap greep om zich heen. De grote kardinaal Newman had die aanval op de Bijbel in zijn tijd ( de 19e eeuw) al voorzien. De laatste decennia, vooral na Vaticanum Twee, zien we een heropleving van deze opvattingen van de godsdiensthistorische school samen met heroplevende Gnosis. De oude geduchte tegenstander van het geloof van de Kerk.  De geschiedenis herhaalt zich zou je kunnen zeggen.

WIE ZEGGEN DE MENSEN DAT IK BEN?

Deze vraag stelde Jezus aan zijn leerlingen. Tegenwoordig zou je kunnen vragen: Wie zeggen de exegeten dat Hij is?

De bekende Dr. Albert Schweitzer (1875-1965), theoloog, nobel prijswinnaar en als arts werkzaam in Afrika, maakte van deze zoektocht naar de historische Jezus die tijdens de Verlichting ontstond in zijn opzienbarende klassieker “Geschichte der Leben-Jesu Forschung” (1906) de balans op. De hele zoektocht liep uit op een dood spoor en werd door Schweitzer ten grave gedragen.

Zoals al opgemerkt werd gezocht naar de echte historische Jezus waarvan in de Evangeliën slechts vervormde brokstukken bewaard gebleven zouden zijn. De uitkomst, het resultaat van deze op hypothetische vooronderstellingen gereconstrueerde Jezus bleek echter niet veel meer te zijn dan een wijsheidsleraar, een grote rabbi, een exorsist, een gnostische leraar etc. Iedere geleerde vond wel zijn eigen Jezus, concludeerde Schweitzer.

Werd nu de zoektocht naar deze historische Jezus gestaakt? Voorlopig wel, maar er vond in de wereld van de Bijbelwetenschap weer een nieuwe wending plaats die nog fundamenteler en ernstiger de inhoud van het hele christelijk katholiek geloven aantastte en op de helling zette.

En deze keer zou ook de Catholica hard getroffen worden.

Omstreeks 1920 betrad de bekende en befaamde protestantse bijbelwetenschapper Prof. Rudolf Bultmann het theologisch toneel met een

door hem, Martin Dibelius en Karl Schmidt bedachtte en ontwikkelde methode om het ontstaansproces van de Evangeliën in kaart te brengen.

De zogenaamde methode van de Geschiedenis van de Vorming van de Evangelien (Formgeschichte) werd dus op de Evangeliën toegepast en bracht een enorme wending in de bijbelwetenschap teweeg die diverse decennia het theologisch landschap, vooral in Europa, heeft bepaald en nog steeds z’n sporen nalaat.

Op zich is het een zeker belangrijke vraag vast te stellen hoe de Evangeliën eigenlijk uiteindelijk tot stand zijn gekomen. Deze methode bracht aanvankelijk elementen naar voren die algemeen als waardevol en positief werden beoordeeld. Het zou namelijk het bestaan van de Traditie bevestigen. Voer voor exegeten zou je zeggen.

Maar gaandeweg werd in de aangewende methode de resultaten van de zogn. Volksoverleveringen, Folkore, op de Evangelien toegepast. Wat houdt dit nu in? Het mondelinge aangenomen lange traditie proces vanaf Jezus tot het op schrift stellen van de Evangelien (voortaan als Ev. aangeduid) zou volgens de aard en de wijze van de volksoverleveringen hebben verlopen. Dat wil zeggen dat vanaf de aardse verkondigende Jezus in het overleveringsproces allerlei veranderingen en aanpassingen zijn opgenomen die bepaald werden door zogenaamde anonyme gemeente(n). Deze gemeenten hadden namelijk behoefte aan bepaalde zienswijzen en opvattingen voor de catechese en verkondiging.  Zo zouden b.v. wonderen en genezingen, allerlei handelingen en uitspraken van Jezus in de Evangeliën zijn opgenomen die helemaal niet door Jezus zo gezegd of gedaan zouden zijn.

De belangstelling en interesse voor de aardse historische Jezus zou niet meer hebben bestaan of zou in de aangenomen lange traditie periode  zijn vervaagd. Door de behoeften van deze zogenaamde creatieve anonyme gemeenten kregen legenden en mythen  hun plek in het aangenomen lange traditie proces voordat de Evangelien op schrift werden gezet. Al het bovennatuurlijke werd vertaald als zijnde legenden en mythen.

Vooral ook  vanuit de omliggende hellenistische wereld zouden elementen in de Evangeliën zijn verwerkt. Zo zou bv. Jezus als Zoon van God helemaal niet op de historische Jezus slaan maar zou overgenomen zijn uit een omringende hellenistische mysteriegodsdienst, etc.

Er is zo te zien wel enige overeenkomst met opvattingen van o.a. David Strauss te bespeuren echter met dit verschil dat volgens Bultmann wij vrijwel niets meer kunnen weten over de oorspronkelijke historische Jezus, behalve dat Hij is geboren, het Rijk Gods verkondigde en aan het Kruis is gestorven.

De historische Jezus is ons vrijwel geheel onbekend. Het reconstrueren van de historische Jezus is volgens Bultmann dan ook zinloos. Het gaat eigenlijk alleen om het aangesproken worden door het verkondigde Woord dat onze existentie direct raakt. Bultmann gebruikte de existentie-filosofie van Heidegger om het

kerygma, de verkondiging, te verwoorden waarin trouwens ook Kant een woordje meespreekt. De Opstanding van Jezus is ook geen historisch feit.

Geloof heeft niets te maken met heils-feiten en objectieve gebeurtenissen.

Alsof God niet bij machte zou zijn Zich in de natuurlijke orde te manifesteren!

Bij Bultmann is historie echter van geen belang en wordt uitdrukkelijk geloof en historie ontkoppeld. De HKM kreeg van Bultmann vrijbaan.

Om het Evangelie voor onze tijd verstaanbaar en begrijpelijk te maken moeten  de Ev., aldus Bultmann, worden ge-ontmythologiseerd d.w.z. de mythisch ingeklede verhaalde gebeurtenissen moeten worden ge-herinterpreteerd in een existentieel zelfverstaan. Vandaar geen letterlijk verstaan van Kersfeest, Pasen, de Opstanding, Pinksteren, de wonderen, de profetiëen, etc. Het is allemaal niet echt gebeurd en deze in mythologische taal beschreven ‘gebeurtenissen’ moeten voor de huidige moderne mens worden vertaald  in  termen van Heidegger’s existentie filosofie. Volgens Bultmann heeft geloof dus niets met historie te maken! Een fatale vergissing zoals nog zal blijken.

Bultmann was een gelovige man en ik oordeel niet over zijn intenties, maar dat in zijn ontwerp enorme consequenties voor het juist verstaan van de inhoud van christelijk geloof liggen, mag wel duidelijk zijn.

Het realisme van het geloof en van het zijn, waarop in de vorige lezing docent Ravensloot wees, is in het geding.

Maar dat in de school van Bultmann diverse onbewezen hypothesen een rol spelen zullen we nog zien. De anglicaanse theoloog en historicus John A.T. Robinson sprak in zijn ophefmakende publicatie , Redating the New Testament ( 1976) over de terreur van de onbewezen hypothesen en vermoedens…….

De vrijwel algemeen aanvaarde scepsis betreffende de historische geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de Ev.. vindt echter in Bultmann’s radicale bijbelkritiek mede z’n oorsprong. Kunnen wij gelovigen de Ev. dan nog vertrouwen?

Sommige leerlingen van Bultmann keerden zich evenwel tegen hun meester d.w.z. zij vonden dat er toch wel wat meer van de historische Jezus in de Ev. gevonden zouden kunnen worden. Nu ontstond de strijd over wat de echte en de onechte woorden van Jezus in de Ev. zouden kunnen zijn. Bultmann’s leerlingen openden weer de zoektocht naar de historische Jezus. De zogenaamde volgende  Jesus Quest ontstond.

 Bijbelkritiek in de Catholica

Zoals al gezegd had de katholieke Kerk in de periode van het modernisme deze opkomende vrijzinnige of radicale bijbelkritische opvattingen met strenge maatregelen buiten de deur weten te houden. Het probleem van hoe geloof en historie kunnen worden samengezien, samengehouden, stond toen in de belangstelling. Het probleem was nml. nog niet opgelost en bleef ondergronds bestaan. Het Christendom is een historische godsdienst en het is daarom van levensbelang om een juiste visie op de relatie, de band van geloof en historie op een verantwoorde  wijze te ontwikkelen zonder in historisme te belanden.

Er waren ontsporingen die de Kerk veroordeelde en er waren nieuwe benaderingen zoals van de bijbelgeleerde  Lagrange en Maurice Blondel die in de lijn van Newman werkten aan een oplossing voor het probleem over hoe de relatie van  ontwikkeling, historie en traditie moet worden gezien. Maar zoals de concilie theoloog Yves Congar ook al stelde: je kunt de oplossing van een probleem veroordelen, maar het probleem zelf niet.

HET TWEEDE VATICAANS CONCILIE

En toen kwam het 2e Vaticaans Concilie( 1962-1965) die de in de decennia voor het Concilie ontwikkelde geloofsinzichten betreffende de relatie van geloof en historie in een synthese samenvoegde zoals bevestigd in het document Verbum Dei. Maar…… al tijdens de eerste sessie van het concilie werd de bijbelgeleerde kardinaal Bea door bisschoppen benaderd met het verzoek om een Instructie, een weerlegging, te geven op nieuwe verontrustende opvattingen die de Kerk binnenkwamen. Het was de vanuit de Reformatie overgewaaide methode van de Formgeschichte van Bultmann die ook in de Catholica wortel schoot.  De grote reformatorisch Karl Barth had de katholieken al gewaarschuwd die weg niet op te gaan, maar het leed was blijkbaar al geschied. De Instructie noemt als aanleiding voor de publicatie ‘het feit dat heden ten dage vele geschriften verspreid worden waarin de in de Ev. vervatte uitspraken en gebeurtenissen in twijfel wordt getrokken.’“Dit heeft, aldus de Instructie, niet alleen op het gebied van de vakwetenschap, maar meer algemeen ook in het katholieke kamp als geheel aanzienlijke verwarring en onzekerheid geschapen.” Het was dus zeker niet een zaak die alleen de vakwetenschap aangaat! Integendeel. 

Zoals al aangemerkt werd er in deze methode vanuit gegaan dat “Eer de boodschap van de Ev. op schrift werd gesteld, stond zij bloot aan veranderingen, aan het binnendringen van vreemde bestanddelen en deels ook aan ernstige misvormingen.”

Alhoewel de Instructie over de historiciteit van de synoptische evangeliën verscheen, bleken de nieuwe radicale opvattingen over de inhoud en het ontstaan van de Ev. zich als een olievlek uit te breiden.

Geloof en historische instelling bleken daarin onverenigbaar. De consequenties van deze radicale opvattingen laten zich wel raden.

De Instructie zegt daarover dat ‘wij hier staan tegenover een niet minder ruïneuze kritiek als in de vorige eeuw die van David Strauss of Friedrich Chr. Bauer was, alleen de methode is anders en verfijnder. De historische waarde der Ev. en het vertrouwen daarin is op ernstige wijze geschokt.’

Een grote dominerende invloed ging van de school van Bultmann uit op de hele nieuwtestamentische bijbelwetenschap. In de jaren zestig werden in Duitsland bijna alle protestantse leerstoelen Nieuwe Testament bezet door Bultmann aanhangers of symphatisanten.

Er waren wel kritische publicaties van sommige katholieke exegeten en geleerden maar deze werden over het algemeen gesproken a.h.w. ‘overruled’, genegeerd.

Deze invloedrijke radicale visie op de H.Schrift, de Ev. had niets meer van doen met het geloof zoals verwoord in Vaticanum Twee, met name in de constitutie Dei Verbum waarin het geloof van de Kerk in de historische waarde van de Ev. en hun apostolische oorsprong uitdrukkelijk werd bevestigd.

Concilie theologen waren ontzet over deze ontstane situatie en kwamen in verzet.De latere kardinaal Jean Daniélou b.v. reageerde fel en stelde:
“Dat onder voorwendsel van wetenschappelijke exegese, van hermeneutica en van literaire  genres zag men practisch de hele inhoud van het Symbolum der Apostelen opgelost worden.”( Tests. Christen onderzoek uw tijd. 1968)

Henri de Lubac zag eveneens met schrik de crisis om zich heen grijpen die zijn weerga in snelheid en omvang in de geschiedenis van de Kerk niet kent. De hele Traditie wordt op de schroothoop van de geschiedenis gegooid, aldus de Lubac. Ook Paus Paulus de VI verhief zijn stem in zijn “Het Credo van het Volk van God” en sprak elders van de rook van Satan die de Kerk binnendringt.

Dat de secularisatie zijn oorsprong heeft in deze ontwrichtende opvattingen is niet moeilijk in te zien. Dat werd al bevestigd door o.a. H. Zharnt in zijn genoemd boekje. Daniélou beschrijft deze mentaliteit in 1968, zo vlak na het Concilie: nml. dat: “al die overblijfsels van het sacrale moeten verdwijnen, zowel uit de wereld van de gedachte als uit het leven. De christen van vandaag moet vastberaden worden geseculariseerd. Zijn christendom mag zich niet anders uiten dan in het pogen mens te zijn en anderen te helpen mens te zijn. Al de rest is mythologie. ( Tests 1968)

De ontdekking van de menselijke kant van de H.Schrift werd aldus niet meer samengezien en geloofd met de goddelijke oorsprong van de Openbaring.

De H.Schrift werd, zoals al opgemerkt, opgevat als een louter menselijk klassiek document met mooie religieuze verhalen die bestudeerd en uitgelegd moet worden met dezelfde literaire en historische methoden als elk ander klassiek geschrift.

Zo kun je bv. zeggen dat de menselijke zijde van Jezus teveel in de schaduw van Zijn goddelijke Persoon stond. Daar kwam dan wel een reactie op bv. in een publicatie van de katholieke theoloog Karl Adam in zijn bekende boek “Christus onze Broeder”( 1932). Ook Romano Guardini schreef zijn bekend werk “De Heer” waarin zowel de menselijke als goddelijke kant van Jezus werd getekend.

Jezus de Man met zand in zijn haar, die ook verdrietig, boos en bewogen kon zijn sprak de mensen aan. Maar die toch altijd werd samengezien en  beleden als Gods Zoon onder ons. Guardini ondervond toen echter ook kritiek van exegeten. Later begreep ik dat beter!

Maar wat zijn nu de consequenties van deze decennia lange dominerende invloed van de school van Bultmann voor Kerk , geloof en theologie?

Daar de Ev. ,volgens deze school,  geen of vrijwel geen oorsprong hebben in het apostolisch Oer-evangelie is er dus een breuk ontstaan tussen de historische aardse Jezus en het beleden geloof in de Christus als de Messias en Zoon van God volgens de Schriften. En niet alleen deze breuk maar tevens is er een breuk ontstaan tussen  het geloof van de apostolische Oerkerk en de beleden Christus in de grote Concilies. Hij die Eén is met de Vader en de H.Geest. Deze dogmatische Christus werd afgevoerd. Dit alles als resultaat van de HKM.

Of verschijnt er een ander Evangelie waarvoor Paulus op niet mis te verstane wijze heeft gewaarschuwd?

In 1990 beschrijft de Bijbelgeleerde Prof. Albert Félicé in het tijdschrift Emmaüs  in enkele openbarende artikelen de situatie en de invloed in de Catholica van de inmiddels als vaststaande wetenschappelijke verworvenheid van de    aangenomen resultaten van de Formgeschichte.

“Deze invloed is, aldus de auteur, één van de voornaamste oorzaken van de actuele geloofsmalaise die te zoeken is in de verregaande liberalisering van de tegenwoordige Bijbelverklaring, die de historiciteit van de Evangeliën sterk op

de helling plaatst en een ontmythologiserende herinterpretatie voorstelt van de meeste nieuwtestamentische teksten die voor het christelijk geloof van levensbelang zijn.”

Wat tegenwoordig, aldus Félicé, als het neusje van de zalm wordt voorgeschoteld, is niets anders dan oubakken opgewarmde kost!

Het is gewoon het menu van de vrijzinnige bijbelgeleerden van de vorige eeuw.

Achter het fenomeen van de geloofsmalaise gaat volgens de auteur een niets ontziende liberalisering van de exegese schuil! Daar is geen woord Frans bij.

Ongeveer in dezelfde tijd liet de toen nog kardinaal zijnde Joseph Ratzinger een duidelijk waarschuwende kritiek horen in zijn “Schriftauslegung im Wiederstreit”, dus een tegenstrijdige uitleg van de Schrift.

Hij noemde deze situatie rampzalig en desastruëus. Een ware noodsituatie in Kerk en Theologie! Als oorzaak noemde Ratzinger eveneens de aanname en doorwerking van de bijbelkritiek van de school van Bultmann in de Kerken. Zijn theoriëen zijn inmiddels al achterhaald maar de scepsis t.o. de Ev. en het Nieuwe Testament zit nog stevig in het zadel, zo gezegd.

Een oosters orthodox theoloog Nikos Nissiotis, goed op de hoogte met de westerse kerkelijke situatie, noemde deze exegese ‘zelfmoord’.

Gelukkig durven sommige geleerden hun nek uit te steken en tegen de stroom in te gaan. Zo is het de wens van o.a. Hans Urs von Balthasar dat de gelovigen onder de vele professoren nog enkele confessoren zouden kunnen vinden. Want aldus Balthasar, de gelovige is thans een zwaar beproefd mens.

KRITIEK OP DE KRITIEK

Maar was en is er dan verder geen fundamentele kritiek op deze radicale en ontwrichtende opvattingen te vinden? Zeker! Zelf ben ik onder de indruk van het levensverhaal van de bijbelgeleerde Mevr. Eta Linnemann. Uit de school van Bultmann, Fuchs, Gogarten en Ebeling komend was zij op weg naar internationale roem en bekendheid. Als hoogleraar Nieuwe Testament en lid van de International Society van exegeten stonden haar publicaties in hoog aanzien. Toen kreeg zij een soort Damascus ervaring en geraakte geheel van de kaart en depressief en begon te drinken. Haar studenten begonnen voor haar te bidden en zij ontmoette toen de levende Heer. Zij begon in te zien dat ze een blinde blindengeleider voor haar studenten was. Zij veranderde radicaal en vernietigde haar vroegere publicaties. Zeer scherp veroordeelde zij de ongelovige historisch kritische theologie die over de hele aardbol aan vele universiteiten wordt gedoceerd. Zij werd voortaan een theologe van het Woord van God in publicaties en lezingen.

Maar er is meer. De Scandinavische school die al sinds de jaren zeventig gedegen kritiek levert op de theoriëen van Bultmann en het opneemt voor de historische geloofwaardigheid van de Evangeliën. Harold Riesenfeld en Birger Gerhardsson bestudeerden de praktijk van de joodse traditie in de tijd van Jezus. Daaruit blijkt dat leerlingen van een Rabbi een sterk ontwikkeld herinneringsvermogen hebben en hele gedeelten van de Thora en andere joodse geschriften letterlijk konden citeren en onthouden. Zou dit in het onderwijs van Jezus aan zijn leerlingen en zijn apostelen anders geweest zijn? Hun studies geven een heel ander positief beeld van de betrouwbaarheid van de Ev.en de herinneringscultuur in die tijd. En recent heeft de Zweed Samuel Birskog deze gegevens nader uitgewerkt.

Zo heeft bv. de door Bultmann vermeende invloed van het hellenisme op de Ev. helemaal niet zo plaatsgevonden. Latere studies hebben dit duidelijk aangetoond. Helaas zijn deze studies in de wereld van de exegeten tot heden , zo lijkt het, vrijwel genegeerd.

Maar er is meer. Eerst een kleine persoonlijke noot  tussendoor. Onze dochter woont met haar gezin sinds begin van 2000 in Zweden. Daar kwam ik in contact met een kleine communiteit van Benedictijner monniken van Lutherse oorsprong. Ik wist niet eens dat er ook nog Lutherse benedictijnen bestonden. Met de Abt raakte ik in gesprek en hij vertelde mij dat hij nog had gestudeerd bij Prof. Riesenfeld. Deze bijbelgeleerde ging in de jaren zeventig naar de Katholieke kerk over, maar katholieke exegeten reageerden daar toen helemaal niet zo positief op. Wie wordt er nu nog katholiek, zo in die trant werd op zijn overgang gereageerd! Tekenend voor de ontstane situatie.

Intussen werd ik getroffen door de open en katholiserende instelling van deze Abt en zijn mede monnikken,  waar ik regelmatig contact mee onderhoud. De Abt  zei mij eens: ‘wij zien op naar de Stoel van Petrus’ en intussen is er ,deo gratias, een verzoek tot hereniging met Rome ingediend. Dat is nu pas echte oecumene, zou ik zeggen.

Maar er is nog meer. In het reformatorisch kamp zijn er twee grote, gelovige en wetenschappelijke exegeten opgestaan, werkzaam sinds de jaren zeventig,  die eveneens belangrijk werk verrichten, nml. Martin Hengel (helaas overleden) en Peter Stuhlmacher. Beiden waren door de emeritus Paus Benedictus XVI uitgenodigd naar Rome voor advies inzake zijn Jezus boeken. Hij kende beide auteurs nog uit de tijd dat zij in Tübingen doceerden. En dat mag ook als een oecumenisch gebaar worden gezien, lijkt mij.

Martin Hengel is een internationaal erkend groot expert op het gebied van de aanvang van het Christendom, de Joodse contekst en het Hellenisme. Zijn gezagvolle publicaties hebben ook de opvattingen van Bultmann weerlegd.

Gaat er nu een nieuwe wind waaien in de Bijbelwetenschap? Gezien door de al genoemde Rainer Riesner geconstateerde huidige scheiding onder exegeten, lijkt het er nog niet op. Maar Riesner levert zelf ook belangrijk werk. Hij was leerling van Martin Hengel en zijn proefschrift  Der Lehrer beleeft al de derde druk.

Van Riesner ontving ik belangrijke artikelen die een nieuwe oriëntatie zouden kunnen inluiden nml. “De terugkeer van de Ooggetuigen” in de bijbelwetenschap. De oog-en-oorgetuigen hebben een fundamentele rol gespeeld in de vorming van de Ev. Een gegeven dat vrijwel niet is verwerkt in de school van Bultmann  en zijn dominerende exegese.

Een opzienbarende prachtige studie is daarover verschenen door de anglicaanse exegeet Richard Bauckham nml. “Jesus and the Eyewitnesses”.

Een verandering in een dominerende tendens kan echter veel tijd kosten. Newman onderkende dit in zijn tijd ook. Hij kon zijn vernieuwende ideeën nog

niet verwerkelijkt zien. Misschien over 100 jaar, hoopte hij. Intussen moeten wij op God vertrouwen en geduld hebben, was Newman’s advies.

Dit is ook de juiste houding voor ons katholieke gelovigen in deze tijd. Wij zijn niet in staat om alles wat in de keuken van de exegese op het vuur staat te beoordelen, laat staan allemaal te lezen.

Maar wij mogen vertrouwen op de H.Geest en de leiding die wij mogen ondervinden in de CKK die ons temidden van ontwrichtende en tegengestelde opvattingen op het rechte spoor houdt.

Er is gelukkig ook vanuit gelovige Bijbelwetenschap genoeg ondersteuning te vinden voor ons vertrouwen in de historische geloofwaardigheid van onze Evangeliën.

Ja, er valt zelfs te zien dat door of in de al genoemde scheiding onder de exegeten er een toenadering ontstaat tussen katholieke, reformatorische en anglicaanse bijbelwetenschappers over de wezenlijke gezamenlijke visie op de H.Schrift. Dit is een waarachtige positieve ontwikkeling met een echt oecumenische inhoud. De H.Geest is hierin aan het werk opdat eens de wens en opdracht van de Heer: “Opdat allen Een zijn” tot vervulling mag komen.

De zogenaamde consensus op grond van de historische bijbelkritiek die dwars door de kerkmuren heen loopt is wel door de mij bekende auteur Karel Wiecherink in zijn pas verschenen boek ”Van goddeloos tot Rooms”   terecht de hutspot oecumene genoemd.

Het Woord van God laat zich niet in een methode vastbinden. Eta Linnemann zegt in haar nawoord dat “het niet haar bedoeling is de vertegenwoordigers van de historisch-kritische theologie met de vinger na te wijzen, ook wanneer ik

vaak er niet omheen kan enigen met naam te noemen. Zij zijn noch dom, noch slecht, maar intelligent en menselijk respectabel, misschien zelfs vroom, maar ……zij zijn gevangenen van een systeem.”

Maar aan de andere kant denk ik aan de uitspraak van de russische schrijver Wladimir Solowjews die in zijn Geschiedenis van de Antichrist als eindtijdelijke tegenspeler van de Verlosser van de gelovigen erop gewezen heeft dat deze Antichrist zich ontpopt als een beroemde exegeet……

Tot besluit laat ik Augustinus aan het woord die de gelovigen in zijn tijd heeft voorgehouden:

“Wie zou het blijvend Woord kunnen begrijpen?

                               Al onze woorden klinken en verklinken!

                               Wie zou het blijvend Woord kunnen begrijpen

                               Dan alleen hij die in het Woord zelf blijft?”

Nu we het Paasfeest weer gaan vieren mogen we ons de woorden van de grote apostel Paulus in herinnering roepen die in zijn brief aan de Korintiërs erop wees dat

Indien Christus niet verrezen is dan is uw geloof zonder nut. Maar nee, Christus is werkelijk verrezen!

 En het is geen mythe maar wonderbaarlijke goddelijke realiteit.                       

Door dit geloof aan te nemen mogen we blijven in Zijn Woord, het geloof van de Kerk van alle eeuwen, ondanks alle ontkennende en negatieven beschouwingen om ons heen.

AMEN    –    ZALIG PASEN.